Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW3059

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
AWB 04/986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/986 22 maart 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 10 november 2004, bij het College binnengekomen op 26 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen twee besluiten van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 25 januari 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 27 januari 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006, waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke

ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

f) zoogkoe: een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie;

g) vaars: een vrouwelijk rund van ten minste acht maanden, dat nog niet heeft gekalfd.

Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

(…)”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 37 - Vervanging

1. Op het bedrijf aanwezige runderen worden alleen als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag zijn geïdentificeerd. Een zoogkoe of een vaars waarvoor een premie op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, of een melkkoe waarvoor steun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening wordt aangevraagd, mag in de aanhoudperiode binnen de in de genoemde artikelen vastgestelde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verbeurd wordt.

2. De in lid 1 bedoelde vervangingen moeten plaatsvinden binnen 20 dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register aangetekend. De bevoegde instantie waarbij de steunaanvraag is ingediend, wordt hiervan binnen tien werkdagen na de vervanging in kennis gesteld.

Artikel 38 - Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor

steun wordt aangevraagd

1. Wanneer met betrekking tot een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het geconstateerde aantal dieren in de zin van artikel 36, lid 3, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken gekort met het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage, wanneer ten aanzien van niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

(…)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.

(…)

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“ Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- (…)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

(…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)”

De Regeling luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“ Artikel 6.2a

1. In de aanvraag worden de zoogkoeien door de producent geïdentificeerd.

2. Indien gedurende de aanhoudperiode de in de aanvraag vermelde zoogkoeien en vaarzen worden vervangen, wordt de vervanging:

a. binnen drie dagen na de dag van de vervanging aangetekend op een daartoe door LASER vastgesteld formulier; en

b. binnen tien werkdagen na de dag van vervanging gemeld aan LASER middels een daartoe door LASER vastgesteld formulier.

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 augustus 2002 heeft appellant bij verweerder op grond van de Regeling een steunaanvraag ingediend voor het aanhouden van acht zoogkoeien.

- Op 30 juni 2003 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met verweerder. Van het gesprek is door een medewerker van verweerder een telefoonnotitie opgemaakt. Hierin staat het volgende vermeld:

“ dier(en) had(den) op kortingspecificatie ten onrechte staan dat er sprake was van een onjuiste vervanging. Relatie stond op het lijstje van Harro dus krijgt hij een herstelbrief. Heb gezegd dat hij niet in bezwaar hoeft te gaan en dat ik een telnotitie schrijf”

- Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder aan appellant, onder oplegging van een korting van 33%, een premie verleend voor vijf dieren. Hierbij is vermeld dat er voor het seizoen 2002 acht premierechten op naam van appellant staan geregistreerd.

- Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder zijn besluit van 1 juli 2003 herzien en aan appellant voor acht runderen zoogkoeienpremie toegekend.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder zijn besluit van 18 december 2003 herzien, de aanvraag om zoogkoeienpremie gedeeltelijk afgewezen en van appellant een bedrag teruggevorderd van € 530,73. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat ten aanzien van één van de aangevraagde zoogkoeien is gebleken van een onregelmatigheid. Deze onregelmatigheid leidt ten aanzien van alle door appellant ingediende premieaanvragen voor rundvee tot een kortingspercentage van 9,09%.

- Bij besluit van eveneens 4 juni 2004 heeft verweerder het aantal op naam van appellant geregistreerde aantal premierechten op grond van onderbenutting in het jaar 2002 verminderd met één premierecht en aan appellant bericht dat hij derhalve met ingang van 1 januari 2003 beschikt over zeven premierechten.

- Bij brief van 5 juli 2004 heeft appellant tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voorzover hier van belang, de besluiten van 4 juni 2004 gehandhaafd en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Gebleken is dat het rund met de ID-code NL 291800211 binnen de aanhoudperiode van het bedrijf is afgevoerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij dit rund tijdig heeft vervangen en dat hij deze vervanging op de voorgeschreven wijze aan verweerder heeft gemeld. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat de betreffende vervangingskaart niet door verweerder is ontvangen. Daarom heeft appellant voor dit rund niet voldaan aan de voorwaarden van de Regeling en is terecht geen premie verleend voor het betreffende rund.

Omdat appellant in het verkoopseizoen 2002 zeven van zijn acht premierechten heeft benut, is er één premierecht onbenut gebleven. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van feiten en of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat één van de in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999, genoemde uitzonderingsgevallen op appellant van toepassing is. Verweerder heeft derhalve terecht besloten het niet benutte premierecht te laten vervallen aan de nationale reserve.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien van het rund met de ID-code NL 291800211 geconstateerd dat het binnen de aanhoudperiode van zijn bedrijf is afgevoerd. Hoewel dit juist is, kan dit niet leiden tot weigering van de voor dit dier aangevraagde premie.

Hij heeft dit rund namelijk tijdig vervangen en deze vervanging door middel van het daartoe bestemde vervangingskaartje correct aan verweerder gemeld. Hij weet zeker dat hij het vervangingskaartje ter post heeft bezorgd, maar beschikt niet over een bewijs van verzending. Hij weet zeker dat hij het vervangingskaartje heeft verzonden, omdat hij bij het invullen van dat kaartje een fout had gemaakt, waarbij hij voor de te vervangen zoogkoe op dat kaartje twee vervangende vaarzen had vermeld. Op 30 juni 2003 heeft hij gebeld met een medewerker van verweerder. Hoewel hij niet meer weet wat toen precies besproken is, kan uit de telefoonnotitie van dit gesprek in ieder geval worden afgeleid dat verweerder op dat moment beschikte over dit vervangingskaartje. In deze notitie wordt immers melding gemaakt van een vervanging en van het woord “dier(en)”, hetgeen duidt op de twee door hem opgegeven vaarzen. Het kan dus niet anders dan dat verweerder dit verplaatsingskaartje wel heeft ontvangen, doch vervolgens heeft zoekgemaakt of onjuist heeft verwerkt. De onzorgvuldige werkwijze van verweerder blijkt ook uit een aantal andere voorbeelden waarbij verweerder van eerder gemaakte fouten heeft moeten terugkomen. Daarom is aannemelijk dat de schuld hier bij verweerder ligt.

Bovendien staat onomstotelijk vast dat op zijn bedrijf ten tijde hier van belang op zich voldoende vervangende dieren aanwezig waren.

Verder heeft verweerder pas 17 maanden na de aanvraag beslist tot terugvordering, terwijl hem bij besluit van 8 december 2003 nog was bericht dat hij voor alle acht aangevraagde zoogkoeien premie zou ontvangen. Dit zonder goede reden zo laat terugkomen van een eerder genomen besluit is onaanvaardbaar, te meer omdat verweerder al veel eerder op de hoogte van de onderliggende feiten had kunnen komen.

Ten slotte acht hij onaanvaardbaar dat hij vanwege de premieweigering in het jaar 2002 voor één dier, deze premie ook in volgende jaren zou mislopen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat het rund met de ID-code NL 291800211 niet aan de premievoorwaarden heeft voldaan omdat het binnen de aanhoudperiode van het bedrijf van appellant is afgevoerd.

5.2 Appellant heeft aangevoerd zeker te weten dat het betreffende vervangingskaartje tijdig ter post is bezorgd, doch daarmee is niet komen vast te staan, dat deze verklaring daadwerkelijk en tijdig is ontvangen. Appellant dient er voor te zorgen dat verweerder de vervangingsverklaringen tijdig ontvangt. Indien hij daarvoor gebruik maakt van de post komen eventuele gebreken in de bezorging voor zijn risico.

Het beroep van appellant op de telefoonnotitie van het gesprek op 30 juni 2003, kan hem niet baten. Anders dan appellant meent, kan uit deze telefoonnotitie niet worden afgeleid dat verweerder tijdig een vervangingskaartje met betrekking tot het betreffende dier heeft ontvangen.

5.3 Appellant is van mening dat de vervanging van het betreffende dier niet is verwerkt als gevolg van onzorgvuldigheden in de gegevensverwerking bij LASER, maar heeft hiervoor geen bewijzen aangedragen. Hierbij komt overigens dat hij ook de verzending van de kaartjes niet heeft kunnen aantonen.

5.4 De stelling van appellant dat op zijn bedrijf in de periode hier van belang feitelijk bezien voldoende vervangende dieren aanwezig waren, kan hem evenmin baten, omdat appellant deze dieren niet door middel van vervanging voor premie in aanmerking heeft gebracht.

5.5 Verweerder heeft voor het onderhavige dier dan ook terecht geen premie toegekend en was voorts op grond van artikel 38, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht een korting op te leggen.

5.6 De stelling van appellant dat verweerder van terugvordering had moeten afzien, kan het College niet onderschrijven. Verweerder was immers op grond van artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht tot terugvordering. Artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 biedt appellant, gelet op de tweede alinea van deze bepaling, geen soelaas. Weliswaar heeft verweerder een fout gemaakt door tot premietoekenning over te gaan terwijl hij op grond van de I&R-gegevens kon weten dat eerdergenoemd rund niet aan de aanhoudverplichting had voldaan, maar het betreft hier een fout die betrekking heeft op een feitelijk element dat relevant is voor de berekening van de betrokken betaling en het terugvorderingsbesluit is binnen twaalf maanden na de betaling aan appellant meegedeeld. Verweerder was dan ook verplicht de onverschuldigd betaalde steun terug te vorderen.

5.7 Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat ten aanzien van de acht aangevraagde dieren sprake is van zeven geconstateerde dieren en appellant aldus in 2002 slechts zeven van zijn acht premierechten heeft gebruikt, is het niet gebruikte premierecht terecht aan de nationale reserve overgedragen. Van uitzonderlijke omstandigheden die in de weg staan aan de toewijzing van het niet gebruikte premierecht aan de nationale reserve is het College niet gebleken.

5.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R.P.H. Rozenbrand