Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW2009

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
AWB 04/1089
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/1089 22 maart 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 8 december 2004, bij het College binnengekomen op 9 december 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen twee besluiten van verweerder van 4 juni 2004 op grond van de Regeling dierlijke EG-premies, waarbij een van deze besluiten is gewijzigd bij besluit van 14 juni 2004.

Op 23 maart 2005 heeft verweerder het College de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen en op 5 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006. Appellant is hierbij in persoon verschenen en heeft zich doen bijstaan door C, werkzaam bij D B.V. te E. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

f) zoogkoe: een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie;

g) vaars: een vrouwelijk rund van ten minste acht maanden, dat nog niet heeft gekalfd.

Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor 2002 en 2003 moet het aantal vaarzen dat moet worden gehouden ten minste 15% uitmaken van het totale aantal dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd.

(…)

Een veehouder die voor minder dan 14 zoogkoeien premies aanvraagt, is vrijgesteld van de voorwaarde inzake het minimumaantal vaarzen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 37 - Vervanging

1. Op het bedrijf aanwezige runderen worden alleen als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag zijn geïdentificeerd. Een zoogkoe of een vaars waarvoor een premie op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, of een melkkoe waarvoor steun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening wordt aangevraagd, mag in de aanhoudperiode binnen de in de genoemde artikelen vastgestelde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verbeurd wordt.

2. De in lid 1 bedoelde vervangingen moeten plaatsvinden binnen 20 dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register aangetekend. De bevoegde instantie waarbij de steunaanvraag is ingediend, wordt hiervan binnen tien werkdagen na de vervanging in kennis gesteld.”

Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, luidde voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- (…)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

(…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)”

De Regeling dierlijke EG-premies luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“ Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.”

Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt als volgt:

“ Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk

een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 20 augustus 2002 heeft appellant bij verweerder op grond van de Regeling een premieaanvraag ingediend voor het aanhouden van 36 zoogkoeien.

- Bij brief van 13 september 2002 heeft verweerder appellant de ontvangst van deze aanvraag bevestigd en appellant medegedeeld dat er voor het seizoen 2002 35,9 premierechten op zijn naam geregistreerd staan.

- Op 13 november 2002 heeft verweerders Algemene inspectiedienst een bedrijfscontrole op het bedrijf van appellant verricht.

- Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder appellant voor het jaar 2002 premie verleend voor 35 zoogkoeien.

- Bij besluit van 27 november 2003 heeft verweerder zijn besluit van 1 juli 2003 herzien en aan appellant voor het jaar 2002 premie verleend voor 35,9 zoogkoeien.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder zijn besluit van 27 november 2003 herzien, de aanvraag om zoogkoeienpremie gedeeltelijk afgewezen en van appellant een bedrag teruggevorderd van € 2.672,38. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat ten aanzien van vijf van de aangevraagde zoogkoeien is gebleken van onregelmatigheden. Deze onregelmatigheden leiden ten aanzien van alle door appellant ingediende premieaanvragen voor rundvee tot een kortingspercentage van 6,94%.

- Bij besluit van eveneens 4 juni 2004 heeft verweerder op grond van onderbenutting in het jaar 2002 het aantal op naam van appellant geregistreerde premierechten verminderd met 4,9.

- Bij brief van 7 juli 2004 heeft appellant tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 14 juni 2004, verzonden op 7 juli 2004, heeft verweerder zijn besluit van 4 juni 2004 met betrekking tot de premieaanvraag zoogkoeien 2002 herzien en de aangevraagde premie geheel afgewezen en van appellant een bedrag teruggevorderd van € 11.296,67. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat niet gebleken is dat appellant voor het seizoen 2002 de beschikking had over premierechten zoogkoeien.

- Bij brief van 12 juli 2004 heeft appellant, reagerend op het nadere besluit, de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Op 15 oktober 2004 heeft appellant verweerder telefonisch bericht geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid zijn bezwaar mondeling toe te lichten.

- Op 19 oktober 2004 heeft verweerder appellant in de gelegenheid gesteld schriftelijk bewijs te overleggen van zijn stelling dat hij een aantal vervangingkaartjes ter post heeft bezorgd.

- Op 20 oktober 2004 heeft verweerder appellant verzocht om specificatie van de door hem gevraagde proceskosten.

- Op 22 oktober 2004 heeft appellant schriftelijk op deze verzoeken gereageerd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard, voorzover dit is gericht tegen het besluit van 14 juni 2004 en daarbij van appellant meer dan € 2.672,38 is teruggevorderd. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen.

Wat betreft de premieaanvraag zoogkoeienpremie voor het jaar 2002 geldt dat, zoals ook reeds bij het besluit van 4 juni 2004 is overwogen, ten aanzien van vijf dieren niet aan de premievoorwaarden is voldaan.

Twee runderen waarvoor appellant zoogkoeienpremie heeft aangevraagd – het betreft de runderen met ID-codes NL 111470770 en NL 268781673 – zijn binnen de verplichte aanhoudperiode van zes maanden van appellants bedrijf afgevoerd, te weten op respectievelijk 4 en 16 oktober 2002.

Uit de kopieën van de verplaatsingskaarten die appellant met het bezwaarschrift van 7 juli 2004 heeft meegezonden, blijkt dat appellant deze runderen op 2 oktober 2002 heeft vervangen. Uit nader onderzoek is gebleken dat verweerder de betreffende verplaatsingskaarten niet eerder van appellant heeft ontvangen. De stelling van appellant dat hij de betreffende vervangingskaarten tijdig per post heeft verzonden, is niet met enig bewijsstuk onderbouwd, waarbij appellant nog wel in de gelegenheid gesteld is dit bewijs over te leggen. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, heeft appellant voor deze runderen niet aan de voorwaarden voldaan en kan voor deze dieren geen premie worden verleend.

Appellant heeft in het premiejaar 2002 voor 36 zoogkoeien premie aangevraagd, ten aanzien waarvan bij vijf dieren is gebleken van een onregelmatigheid op grond waarvan zij niet als een geconstateerd dier kunnen worden beschouwd. Tevens is voor 18 mannelijke runderen aanhoudpremie gevraagd en voor 23 dieren slachtpremie. Er zijn derhalve 72 runderen geconstateerd. Het kortingspercentage dient te worden berekend over de 72 geconstateerde dieren en bedraagt derhalve (5/72 x 100 =) 6,94%. Dientengevolge wordt van appellant een bedrag van € 2.672,38 teruggevorderd.

Nu vijf van de aangevraagde zoogkoeien niet voldoen aan de voorwaarden van de Regeling en het besluit tot premietoekenning uitgaat van 31 geconstateerde zoogkoeien, heeft appellant 31 van zijn 35,9 premierechten benut. Omdat dit minder dan 90% van het totale aantal premierechten is, vervallen de 4,9 niet benutte premierechten aan de nationale reserve. Gesteld noch gebleken is dat er feiten of omstandigheden zijn die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een uitzonderlijk en naar behoren gemotiveerd geval als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van door appellant in bezwaar gemaakte proceskosten, omdat appellant geen kosten heeft gespecificeerd die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft voor de runderen met de ID-codes NL 111470770 en NL 268781673 ten onrechte geen premie verleend. Hij heeft deze dieren weliswaar van zijn bedrijf afgevoerd, doch deze zijn tijdig vervangen door andere runderen, welke vervangingen hij op de voorgeschreven wijze aan verweerder heeft gemeld door middel van de daartoe bestemde antwoordkaartjes. Dit blijkt onder meer uit het feit dat bij gelegenheid van de bedrijfscontrole op 13 november 2002 geen onregelmatigheden in zijn administratie zijn geconstateerd, waarbij de vervanging ook in zijn bedrijfsregister was aangetekend. Voorts heeft hij een kopie van de bewuste vervangingskaartjes overgelegd. Hier wreekt zich voorts dat verweerder de ontvangst van vervangingskaartjes in 2002 niet bevestigde. Gezien de vele blunders van verweerder bestaande uit de onjuiste verwerking van gegevens en het keer op keer herzien van besluiten, kan geen vertrouwen worden gesteld in een zorgvuldige gegevensverwerking door Laser. Eventuele gebreken in de ontvangst van de vervangingskaartjes kunnen hem derhalve niet worden tegengeworpen.

Ten aanzien van de vermindering van zijn premierechten meent appellant dat sprake is van een uitzonderlijk en naar behoren gemotiveerd geval als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999. Hierbij wordt opgemerkt dat hij pas van deze vermindering in kennis is gesteld op een moment dat de premieaanvragen voor de jaren 2003 en 2004 al waren ingediend. Deze vermindering dient derhalve achterwege te blijven.

Voorts heeft verweerder hem bij het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding van gemaakte proceskosten verleend, alhoewel verweerder bijna geheel van zijn besluit van 14 juni 2004 heeft moeten terugkomen.

Ten slotte meent appellant dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat verweerder de door het College gestelde termijn voor het indienen van een verweerschrift heeft overschreden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat vijf van de aangevraagde runderen niet aan de premievoorwaarden voldeden.

5.2 Appellant heeft met betrekking tot twee van deze runderen, de dieren met de ID-codes NL 111470770 en NL 268781673, gesteld dat deze dieren weliswaar binnen de aanhoudperiode van het bedrijf van appellant zijn afgevoerd, maar dat hij deze runderen tijdig heeft vervangen door andere premiewaardige runderen en deze vervanging bij verweerder heeft gemeld.

Appellant heeft aangevoerd zeker te weten dat de betreffende vervangingskaartjes tijdig ter post zijn bezorgd, doch daarmee is niet komen vast te staan, dat deze kaartjes daadwerkelijk en tijdig zijn ontvangen. Appellant dient er voor te zorgen dat verweerder de vervangingskaartjes tijdig ontvangt. Indien hij daarvoor gebruik maakt van de post komen eventuele gebreken in de bezorging voor zijn risico. Dat ten tijde van de bedrijfscontrole op 13 november 2002 in zijn administratie geen onvolkomenheden zijn geconstateerd, de betreffende vervangingen in het bedrijfsregister zijn aangetekend en bij het bezwaarschrift van 7 juli 2004 een kopie van de kaartjes is opgestuurd, kan niet dienen tot bewijs dat de betreffende vervangingskaartjes tijdig door verweerder zijn ontvangen.

Appellant is van mening dat de vervanging van de twee dieren niet is verwerkt als gevolg van onzorgvuldigheden in de gegevensverwerking bij LASER, maar heeft hiervoor geen bewijzen aangedragen. Hierbij komt overigens dat hij ook de verzending van de kaartjes niet heeft kunnen aantonen.

De omstandigheid dat verweerder de ontvangst van vervangingskaartjes in de periode hier van belang niet bevestigde, kan appellant niet baten. Hij was immers zelf verantwoordelijk voor een tijdige ontvangst door LASER. Nu er geen bevestiging plaatsvond, en verweerder hiertoe ook niet verplicht was, lag het op de weg van appellant om zich er zonodig anderszins van te vergewissen dat de kaartjes waren aangekomen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder voor de onderhavige dieren terecht geen premie toegekend.

5.3 Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat ten aanzien van de 36 aangevraagde dieren sprake is van 31 geconstateerde dieren en appellant aldus in 2002 slechts 31 van zijn 35,9 premierechten heeft gebruikt, zijn de niet gebruikte premierechten terecht op grond van artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 aan de nationale reserve overgedragen. Dat appellant ten tijde van deze overdracht de premieaanvragen over de jaren 2003 en 2004 al had ingediend, biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in laatstgenoemde bepaling.

5.4 Het College kan appellant evenmin volgen in zijn betoog dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft verleend voor de door hem in bezwaar gemaakte proceskosten. Hoewel verweerder hierom in bezwaar heeft gevraagd, is door appellant geen specificatie overgelegd van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. Appellant heeft overigens ook in beroep geen specificatie overgelegd.

5.5 Ten slotte kan de omstandigheid dat verweerder pas na het verstrijken van de daartoe (aanvankelijk) gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R.P.H. Rozenbrand