Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW1973

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/432
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants 19, geldigheid: 2006-04-06
Wet op de Registeraccountants 33, geldigheid: 2006-04-06
Wet op de Registeraccountants 34, geldigheid: 2006-04-06
Wet op de Registeraccountants 40, geldigheid: 2006-04-06
Wet op de Registeraccountants 55, geldigheid: 2006-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/432 6 april 2006

20000 Wet op de Registeraccountants

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te D (België), appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 25 april 2005,

gemachtigde: M. de Witte, advocaat bij de Balie te Brussel.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 26 april 2005, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 8 april 2004 door B (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

Bij een op 24 juni 2005 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 29 juli 2005 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 22 september 2005 heeft klager gereageerd op het beroepschrift.

Op 23 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, zijn gemachtigde en klager zijn verschenen en hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het accountantsregister opgelegd. Voorts heeft de raad van tucht bepaald dat een uittreksel van zijn beslissing zal worden gepubliceerd in NRC Handelsblad en in de Staatscourant.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College heeft in het beroepschrift, zoals toegelicht ter zitting, de volgende grieven onderkend, welke hieronder in volgorde van de daaraan door het College toegekende nummering zullen worden beoordeeld.

3.2 In zijn eerste grief betoogt appellant dat hij is geschaad in zijn rechten van verdediging, omdat de raad van tucht de mondelinge behandeling van de klacht niet heeft willen uitstellen. Dientengevolge meent zijn gemachtigde onvoldoende gelegenheid te hebben gehad zich op de zaak voor te bereiden, aangezien zij pas een week voor de mondelinge behandeling door appellant werd benaderd om hem bij te staan. Appellant beroept zich in dit verband op het bepaalde in artikel 64 van de “Wet op de Register-accountants-Administratieconsulenten”, waarmee appellant kennelijk het oog heeft op het met dit artikel van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten overeenkomende artikel 42 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA). Voorts acht appellant deze handelwijze van de raad van tucht in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM. Daarbij heeft appellants gemachtigde in het bijzonder naar voren gebracht - kort gezegd - dat klager zich niet confraterneel heeft gedragen door te weigeren haar de op de zaak betrekking hebbende stukken te overhandigen, zodat zij niet in staat was van deze stukken kennis te nemen.

Deze grief faalt.

Het College stelt vast dat de klacht is ingediend op 8 april 2004 en dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2005, derhalve acht maanden later. Appellant heeft aldus ampel de gelegenheid gehad zich op de klacht te beraden en zich van rechtsbijstand te voorzien. Hiermee is voldaan aan de waarborgen die evengenoemde artikelen op dit punt verschaffen. De gevolgen van de keuze van appellant om zich pas een week voor de mondelinge behandeling tot gemachtigde te wenden komen voor zijn risico en leiden niet tot het oordeel dat hij in zijn rechten van verdediging is geschaad.

Met betrekking tot het betoog dat klager appellants gemachtigde de processtukken had moeten doen toekomen stelt het College vast dat appellant ingevolge artikel 42, vierde lid, Wet RA, door de raad van tucht in de gelegenheid is gesteld kennis te nemen van de processtukken. Voor zover zijn gemachtigde zekerheid wilde verkrijgen over de volledigheid van het dossier had zij, eveneens op grond van artikel 42, vierde lid, Wet RA, ter zake een verzoek kunnen richten tot de raad van tucht. Op klager rustte in dit verband geen verplichting. Daarbij neemt het College in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat appellant door de raad van tucht niet in het bezit is gesteld van het volledige dossier.

3.3 De tweede grief heeft betrekking op het oordeel van de raad van tucht dat appellant onderworpen is aan het bepaalde in de Wet RA en de Verordening Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994). Appellant heeft naar voren gebracht dat hij in België woont en werkt als bedrijfsrevisor, en dat hij tot Belg is genaturaliseerd. Voorts heeft hij gesteld dat de “accountantsverklaring” in geding in België is ondertekend. Verder heeft appellant erop gewezen dat hij weliswaar ingeschreven staat in het Nederlandse register, maar al geruime tijd niet meer actief is als RA. Om deze redenen is appellant van oordeel dat het Nederlandse accountantstuchtrecht niet op hem van toepassing is, zodat de raad van tucht niet bevoegd is, dan wel de klacht niet-ontvankelijk is.

Het College oordeelt als volgt.

Vast staat dat appellant staat ingeschreven in het in artikel 55 Wet RA bedoelde accountantsregister. Artikel 19, tweede lid, Wet RA bepaalt dat allen die zijn ingeschreven in bedoeld register, onderworpen zijn aan de bij verordening vastgestelde gedrags- en beroepsregels, te weten de GBR-1994. Voorts bepaalt artikel 40, eerste lid, Wet RA dat de raad van tucht een tegen een registeraccountant, zijnde een in het register ingeschreven accountant, gerezen bezwaar op een bij de raad ingediende klacht in behandeling neemt. Hieruit volgt dat de tweede grief faalt.

3.4 In het eerste onderdeel van de derde grief voert appellant aan dat de ingediende klacht in wezen niet gaat over de gedragingen van appellant, maar over de gedragingen van diens broer, C, die klager achtervolgt met talloze klachten en procedures.

Dienaangaande oordeelt het College dat de motieven op grond waarvan de klacht is ingediend niet ter zake doen. In het kader van de tuchtprocedure op grond van de Wet RA staat immers blijkens artikel 33, eerste lid, van de wet ter beoordeling de handelwijze en gedragingen van een registeraccountant met als doel het weren en beteugelen van misslagen van registeraccountants in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand der registeraccountants. Hieruit volgt dat bedoelde gedragingen in het belang van de bevordering van de professionaliteit van de beroepsuitoefening aan de kaak kunnen worden gesteld, zodat andere onderliggende beweegredenen voor het indienen van een klacht niet relevant zijn.

3.5 Appellant betoogt in het tweede onderdeel van de derde grief en in de vierde grief dat hij de conceptverklaring niet zelf heeft opgesteld, en dat hij de door hem ondertekende verklaring zelf niet heeft verspreid, zodat de verweten gedragingen niet aan hem kunnen worden toegerekend.

Deze grief faalt wat betreft het opstellen van de conceptverklaring reeds omdat de raad van tucht zich in zijn oordeel niet heeft uitgesproken over de conceptverklaring. De raad van tucht heeft zijn oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat appellant de verklaring van

30 mei 2003, door de raad in navolging van appellant aangeduid als de “Accountantsverklaring”, heeft ondertekend met ‘A Bedrijfsrevisor RA’ en de juistheid daarvan door deze ondertekening voor zijn rekening heeft genomen, ongeacht het antwoord op de vraag wie precies de inhoud van de verklaring heeft opgesteld.

Wat betreft het verspreiden van de “Accountantsverklaring” heeft de raad van tucht geoordeeld dat appellant, door het ter beschikking stellen daarvan aan zijn broer, wetend dat het diens bedoeling was om de verklaring in gerechtelijke procedures te gebruiken, is opgetreden als openbaar accountant, hetgeen betekent dat ook de bepalingen van hoofdstuk IV GBR-1994 – waaronder het aan appellant tegengeworpen artikel 24 – gelden voor het optreden van appellant. Daarbij heeft de raad klaarblijkelijk toepassing gegeven aan artikel 2, eerste lid, onder 2, sub I, letter b, waarin is bepaald dat de registeraccountant wordt geacht op te treden als openbaar accountant, indien hij gedoogt dat een door hem afgegeven verklaring openbaar wordt gemaakt. Immers, de raad van tucht heeft overwogen dat appellant de “Accountantsverklaring” aan C ter beschikking heeft gesteld, wetend dat deze de bedoeling had de verklaring te gebruiken in een gerechtelijke procedure. De raad van tucht heeft het verspreiden van de verklaring als zodanig niet als (separaat) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen tegengeworpen. Dit onderdeel van de grief is daarom tevergeefs voorgedragen.

3.6 De vijfde grief houdt in dat de raad van tucht ten onrechte de stelling van klager heeft ondersteund dat appellant een forensisch onderzoek heeft ingesteld naar het handelen van klager. Appellant stelt dat de “Accountantsverklaring” enkel een betalingsoverzicht bevat met betrekking tot alle betalingen die C heeft gedaan in het kader van de procedures tegen de Stichting Fontys.

Deze grief berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van de raad van tucht. De raad van tucht heeft geoordeeld dat de aard van de werkzaamheden, in casu het rapporteren over de financiële handel en wandel van een bepaald persoon, met zich brengt dat degene wiens gedragingen onderwerp van rapportage zijn, de gelegenheid moet krijgen te reageren op de bevindingen van de registeraccountant. De term ‘onderzoek’ – zonder de toevoeging ‘forensisch’– is door de raad van tucht in zijn beoordeling slechts gebruikt in de context van de bepaling van artikel 11 GBR-1994, inhoudende dat de registeraccountant slecht mededelingen doet over de uitkomst van zijn arbeid, voor zover de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. In het onderhavige geval kan een deugdelijke grondslag, naar de raad van tucht met juistheid heeft geoordeeld, slechts worden verkregen door het toepassen van het beginsel van hoor en wederhoor. Gelet op het voorgaande slaagt de vijfde grief niet.

3.7 Met de zesde grief betoogt appellant dat klager niet heeft aangetoond dat de “Accountantsverklaring” onjuistheden bevat.

Het College stelt met de raad van tucht voorop dat een registeraccountant op grond van artikel 11 GBR-1994 slechts mededelingen mag doen omtrent de uitkomst van zijn arbeid, voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Hieruit volgt dat het niet aan klager was om aan te tonen dat de verklaring onjuistheden bevat, maar aan appellant om aan te tonen dat zijn verklaring is gebaseerd op een deugdelijke grondslag. Afgezien daarvan heeft de raad van tucht zich niet uitgesproken over de juistheid of onjuistheid van de inhoud van het rapport, behoudens over conclusie 2b, ten aanzien waarvan de raad van tucht heeft overwogen dat klager heeft erkend dat deze conclusie juist is omdat op dat punt een vergissing in het spel was. De raad van tucht heeft appellant wel verweten een onvolledig onderzoek te hebben ingesteld, zodat niet kan worden gezegd dat de “Accountantsverklaring” is gebaseerd op een deugdelijke grondslag. Het College verwerpt derhalve eveneens appellants zesde grief.

3.8 De zevende grief houdt in dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat de gedragingen van appellant schadelijk zijn voor de eer van stand, omdat de omstandigheid dat klager de “Accountantsverklaring” als vervelend heeft ervaren nog niet maakt dat hiervan sprake is.

Deze grief faalt eveneens. Het oordeel van de raad van tucht is immers gebaseerd op de constatering dat appellant de artikelen 9, 11 en 24 GBR-1994 heeft geschonden. Het geheel van de overtredingen is naar het oordeel van de raad van tucht dermate ernstig, dat daardoor ernstige schade is toegebracht aan de eer van stand. Het College acht dit oordeel van de raad gerechtvaardigd in het licht van de vastgestelde gedragingen. Derhalve is het bestreden oordeel niet gebaseerd op de wijze waarop klager het handelen van appellant heeft ervaren, zodat de grief niet slaagt.

3.9 Met de achtste grief komt appellant op tegen de door de raad van tucht opgelegde maatregel, stellende dat deze te zwaar is in het licht van de goede staat van dienst van appellant als bedrijfsrevisor in België, alsmede in het licht van het feit dat appellant nooit eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Voorts voert appellant aan dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, in de hoop dat zijn rapport zou bijdragen aan de oplossing van het geschil waarin zijn broer was verwikkeld. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen vanwege de nadelige invloed die daarvan is uitgegaan op klager.

Het College overweegt dienaangaande als volgt.

De raad van tucht heeft appellant de maatregel van doorhaling in het accountantsregister opgelegd. Daaraan heeft de raad van tucht ten grondslag gelegd dat appellant er blijk van heeft gegeven geen enkel besef te hebben van de betekenis van de gedrags- en beroepsregels, zoals neergelegd in de GBR-1994, alsmede dat de maatschappelijke uitwerking van de “Accountantsverklaring” buitengewoon ernstig is. Voorts heeft de raad van tucht meegewogen dat, gelet op de houding van appellant tijdens de procedure, moet worden gevreesd voor herhaling.

Het College neemt deze overwegingen over, met dien verstande dat het College de bewoordingen van de raad van tucht, stellend dat de maatschappelijke uitwerking van de afgegeven verklaring nauwelijks van laster verschilt, nuanceert in die zin dat door de handelwijze van appellant de eer en goede naam van klager ernstig zijn aangetast.

Het College tekent hierbij aan dat, voor zover de raad van tucht in aanmerking heeft genomen dat appellant de ernst van zijn handelen heeft pogen af te zwakken, geen afbreuk mag worden gedaan aan de mogelijkheden van appellant tot het voeren van een effectieve verdediging. Pogingen tot relativering van de ernst van verweten gedragingen kunnen een op zichzelf aanvaardbaar onderdeel uitmaken van zo een verdediging.

Hetgeen appellant bij het College heeft aangevoerd kan niet leiden tot mitigering van de opgelegde maatregel. Hoewel een goede staat van dienst onder omstandigheden kan meewegen als een omstandigheid die de zwaarte van de maatregel gunstig beïnvloedt, is het College met de raad van tucht van oordeel dat de overtredingen die appellant heeft begaan in het onderhavige geval dusdanig ernstig zijn, dat bedoelde omstandigheid niet leidt tot vermindering van de strafmaat. Daarbij neemt het College in aanmerking dat appellant naar eigen zeggen sinds 1982 niet meer is opgetreden als accountant, zodat aan het feit dat hij een goede staat van dienst heeft niet de betekenis toekomt die appellant eraan gehecht wil zien. De omstandigheid dat appellant meent te goeder trouw te hebben gehandeld, maakt zijn handelen niet minder ernstig. Appellant heeft geen blijk gegeven van inzicht in het ontoelaatbare van zijn handelwijze, maar volhardt in zijn standpunt dat zijn optreden, gelet op de in België geldende gedrags- en beroepsregels juist is. Het College hecht mede om die reden weinig betekenis aan de spijt die appellant ter zitting heeft betuigd over de moeilijkheden die zijn handelwijze met zich heeft gebracht.

3.10 Het College stelt vast dat appellant niet uitdrukkelijk grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de raad van tucht om tot openbaarmaking over te gaan.

Het College is evenwel van oordeel dat dit onderdeel van de uitspraak van de raad van tucht geen stand kan houden. De uitoefening van de bevoegdheid van artikel 34, derde lid, Wet RA, moet worden beoordeeld in het licht van de doelstellingen van de tuchtrechtspraak, zoals verwoord in artikel 33, eerste lid, Wet RA, te weten het weren en beteugelen van misslagen, inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand. Daarnaast kan onder omstandigheden een maatschappelijk belang gediend zijn bij kennisneming van het oordeel van de tuchtrechter over het optreden van een accountant. De wijze waarop de raad van tucht de openbaar te maken passage heeft geformuleerd, te samen genomen met de overwegingen ten aanzien van de strafmaat wijzen er echter op dat met onderhavige openbaarmaking veeleer is beoogd het herstellen van klagers goede naam. Gelet hierop is het College van oordeel dat in het onderhavige geval geen van genoemde doelstellingen gediend zijn met openbaarmaking.

3.11 Het vooroverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gedeeltelijk gegrond is, en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

3.12 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet RA.

4. De beslissing

Het College

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat een uittreksel van de beslissing van de raad van tucht

zal worden gepubliceerd.

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt in tegenwoordigheid van mr. M.B.L van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L van der Weele

1083/04.17

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

B,

kantoorhoudende te E,

klager,

C O N T R A:

A RA,

wonende te D (België),

verweerder.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken waaronder de klacht van 8 april 2004, het verweer van 14 juni 2004, de repliek van 27 juli 2004 en de dupliek van 27 september 2004.

1.2 De klacht is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 31 januari 2005, alwaar klager is verschenen, alsmede verweerder, bijgestaan door Martine de Witte, advocaat bij de Balie te Brussel (België).

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Klager is van beroep advocaat, houdt kantoor te E en heeft kantoor gehouden in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch.

2.2 Klager heeft sedert 23 december 1994 als advocaat de belangen behartigd van de Stichting Fontys – destijds nog genaamd: Stichting Hoger Onderwijs Zuid-Nederland –, hierna te noemen: Fontys, in een arbeidsrechtelijk geschil met C, hierna te noemen: C.

2.3 Door Fontys is op 23 december 1994 ontslag op staande voet aan C verleend. Nadien zijn tussen C en Fontys tal van gerechtelijke procedures gevoerd. C heeft ook tuchtrechtelijke klachten tegen klager ingediend.

2.4 Uit hoofde van beslissingen in de gerechtelijke procedures tussen C en Fontys dan wel een tussen hen getroffen dading heeft C sedert de aanvang van 1995 meermalen bedragen aan Fontys moeten betalen, onder meer ter zake van schadevergoeding en aan proceskosten. C heeft terzake betaald via klager.

2.5 C heeft zich bij klager en derden beklaagd over zijns inziens gebrekkige doorgeleiding door klager van deze betalingen aan Fontys. Deels waren de klachten van C ingegeven door incassomaatregelen van een, in opdracht van klager werkende, deurwaarder, waarbij aanvankelijk abusievelijk ook een bedrag is gevorderd dat C reeds had betaald.

2.6 Op 10 juli 2002 is door of op verzoek van C een concept opgesteld van een stuk, genaamd “Accountantsverklaring”, welk stuk, hierna te noemen: de conceptverklaring, niet ondertekend is en evenmin van een naam van een accountant is voorzien. In de aanhef van de conceptverklaring is het onderwerp ervan als volgt vermeld:

“Accountantscontrole op verzoek van C, wonende [adres], verder te noemen C, met betrekking tot de door hem verrichte betalingen aan B, verder te noemen B, werkzaam bij het advocatenkantoor F, verder te noemen F, over de periode 1995-2000.”

2.7 C heeft de conceptverklaring overgelegd in één van de tuchtrechtelijke klachtprocedures welke hij tegen klager heeft aangespannen. In die procedure, ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ’s-Hertogenbosch en gevoerd bij de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Maastricht, heeft klager zich tegenover de deken tegen de klacht verdedigd met gebruikmaking van bancaire bescheiden en andere bescheiden aangaande betalingen van C via klager aan Fontys. De klacht is vervolgens ongegrond verklaard.

2.8 Op 30 mei 2003 heeft verweerder een “Accountantsverklaring” afgegeven, hierna te noemen: de Accountantsverklaring. Verweerder heeft de ‘Accountantsverklaring’ ondertekend met ‘A Bedrijfsrevisor-RA’. In de aanhef van de Accountantsverklaring is het onderwerp ervan als volgt verwoord:

“Accountantscontrole, verricht door A Bedrijfsrevisor-RA te Antwerpen, op verzoek van C, wonende [adres], verder te noemen C, met betrekking tot de door hem verrichte betalingen aan B, werkzaam bij het advocatenkantoor F, verder te noemen F, over de periode 1995-2000.”

2.9 De Accountantsverklaring vermeldt de volgende conclusies, waarin de afkorting NOVA doelt op de Nederlandse Orde van Advocaten:

“Conclusies

Op grond van het beschikbare dossier, bankafschriften en de boekhoudverordening van de NOVA 1998 kom ik tot de volgende conclusies:

Niet van alle betaalde gelden tot een totaal bedrag van NLG 62.157,40 is aangetoond dat deze bij de rechthebbende Stichting Fontys terecht zijn gekomen.

a) De overgelegde bewijsmiddelen van B over de betaling sub 2 van NLG 13.597,40 is strijdig met het bankrekeningnummer van zijn derdengeldenrekening en kan tevens niet dienen als betalingsbewijs voor het overgemaakte geld naar Fontys van NLG 13.597,40.

b) De NLG 2.590,00 is wel overgemaakt op de (nieuwe) derdengeldenrekening, maar in de betekende grosse met aanzegging van executie van 14 november 2000 van twee vonnissen staat, dat dit bedrag niet bij Fontys is terechtgekomen.

Op grond van de beschikbare gegevens kan gesteld worden dat 9 van de 10 betalingen niet gebeurd zijn op de derdengeldenrekening van B.”

2.10 De Accountantsverklaring is door C, broer van verweerder, onder meer overgelegd in civiele procedures tegen Fontys c.q. klager.

2.11 Er is geen aanwijzing dat Fontys het ooit met klager oneens is geweest over diens afdrachten aan haar.

2.12 Verweerder is sinds 1970 in het accountantsregister ingeschreven en is sedert 1986, volgens eigen zeggen al vier jaar langer, niet meer in Nederland werkzaam als openbaar accountant. Verweerder werkt in België als bedrijfsrevisor.

3. KLACHT

3.1 Klager verwijt verweerder dat de Accountantsverklaring een deugdelijke grondslag ontbeert en zeer onzorgvuldig is opgesteld en dat het onderzoek niet onpartijdig, onafhankelijk en objectief is uitgevoerd.

3.2 In de toelichting op de klacht heeft klager aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten hoor en wederhoor toe te passen, terwijl de Gedrags- en Beroepsregels voorschrijven dat verweerder, registeraccountant, hoor en wederhoor moet toepassen en dat een accountantsverklaring een deugdelijke grondslag moet hebben, ook bij een forensisch accountantsonderzoek. Klager heeft voorts aangevoerd dat de Accountantsverklaring onjuiste conclusies bevat,

waardoor ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat klager bedragen niet aan Fontys heeft afgedragen, bewijsmiddelen heeft overgelegd die niet deugen en alle van C ontvangen betalingen heeft behandeld in strijd met de Boekhoudverordening 1998.

4. VERWEER

Verweerder heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1 Verweerder is eind 1982 gestopt met zijn activiteiten als openbaar accountant in Nederland. Sindsdien werkt hij alleen nog in België als bedrijfsrevisor. Sinds 1984 is hij gerechtsdeskundige voor de gerechten te Antwerpen. Ten tijde van het uitbrengen van de Accountantsverklaring was hij bij het Nivra ingeschreven als niet meer in het beroep actief. De Gedrags- en Beroepsregels voor registeraccountants gelden daarom niet meer voor verweerder, zodat de klacht niet-ontvankelijk is. Verweerder is op 1 januari 2002 gepensioneerd. Verweerder behoefde voor zijn Accountantsverklaring geen hoor en wederhoor toe te passen, omdat het een Belgisch stuk betreft.

4.2 Verweerder is niet betrokken geweest bij het opstellen van de conceptverklaring. Deze is door C opgesteld.

4.3 Verweerder is door C opgedragen om accountantscontrole te verrichten met betrekking tot de door C verrichte betalingen aan klager over de periode 1995-2000. Verweerder heeft de opdracht uitgevoerd op uitsluitend en eenzijdig verzoek van C en buiten medeweten van klager. De door verweerder opgestelde verklaring is alleen bestemd voor gebruik in de gerechtsprocedure met de vroegere werkgever van C.

De Accountantsverklaring is volgens hetgeen in België geldt geen tegensprekelijk stuk, zodat klager er niet in gekend hoefde te worden. Tegensprekelijk betekent dat alle partijen inspraak hebben in de manier waarop het onderzoek verloopt en in de conclusies van de deskundige. Verweerder heeft een eenzijdig deskundigenonderzoek verricht, dat volgens hetgeen in België geldt niet tegensprekelijk is. Eenzijdig houdt in dat de expertise verloopt op initiatief van één partij zonder dat de tegenpartij daar weet van behoeft te hebben. Een eenzijdig onderzoek is per definitie “partijdig”.

4.4 De Accountantsverklaring die, hoewel niet letterlijk daarmee corresponderend, rechtstreeks is afgeleid van de conceptverklaring, is neutraal geformuleerd.

Zij bevat een opsomming van observaties die verweerder gedaan heeft. Verweerder heeft zich bij zijn onderzoek gebaseerd op het dossier, gedateerd 20 februari 2002, met producties, dat betrekking heeft op het klachtschrift dat C op die dag bij de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement ’s-Hertogenbosch tegen klager heeft ingediend.

Uit het dossier blijkt dat de deken geen reden zag voor een onderzoek in de boeken van klagers kantoor omdat C betaald had en gekweten was.

4.5 Verweerder had niet verwacht dat zijn broer aan de Accountantsverklaring zo’n brede verspreiding zou geven als hij heeft gedaan. Hij heeft zijn broer op

17 augustus 2004 verzocht de verklaring in geen geval nog langer te

verspreiden.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 De inschrijving in het accountantsregister, geregeld in de artikelen 55 e.v. Wet op de Registeraccountants, hierna: de Wet, brengt, ingevolge artikel 58a van de Wet, mee dat de ingeschrevene gerechtigd is de titel registeraccountant, afgekort RA, te voeren. Ongeacht of de titel wel of niet wordt gebruikt is iedere ingeschrevene onderworpen aan de Wet en de daarop berustende verordeningen, waaronder de Verordening op de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994, afgekort GBR-1994.

De Wet kent ten aanzien van de inschrijving geen onderscheid tussen actieve en niet actieve leden. Slechts ten behoeve van de aan het Nivra verschuldigde contributie, in de Algemene Contributieverordening, wordt onderscheid in deze groepen gemaakt.

5.2 Degene die in het accountantsregister is ingeschreven is op grond hiervan ook onderworpen aan de tuchtrechtspraak, geregeld in artikel 33 en volgende van de Wet. Onverschillig is daarbij of de registeraccountant in Nederland woont of werkt dan wel in het buitenland.

5.3 Op grond hiervan verwerpt de Raad het beroep op niet-ontvankelijkheid, welk beroep verweerder heeft gestoeld op het feit dat hij in België zijn beroep uitoefent en woont. De Wet en de GBR-1994 zijn op verweerder van toepassing.

5.4 De Raad verwerpt eveneens het verweer dat de GBR-1994 niet op de door verweerder vervaardigde Accountantsverklaring van toepassing zijn, omdat het een Belgisch stuk zou betreffen. Verweerder heeft het stuk ondertekend met gebruikmaking van de titel RA.

Niet blijkt dat de Accountantsverklaring de uitkomst van de controle van een bepaalde financiële verantwoording betreft. Om deze reden merkt de Raad deze niet aan als accountantsverklaring in de zin van artikel 1 van de GBR-1994, maar als een mededeling in de zin van artikel 11 GBR-1994. Gebruik van de term accountantsverklaring is hier misleidend. Door het aan C ter beschikking stellen van deze mededeling, waarvan het verweerder bekend was dat deze door C (in Nederland) in het verkeer zou worden gebracht – verweerder heeft gesteld dat C de bedoeling had om de mededeling in gerechtelijke procedures over te leggen – is verweerder opgetreden als openbaar accountant. Derhalve zijn in deze klachtzaak de hoofdstukken II, III en IV GBR-1994 op het handelen van verweerder van toepassing.

5.5 Op grond van artikel 24 GBR-1994 dient de openbare accountant onafhankelijk te zijn van zijn opdrachtgever. Hij moet zorgen dat de onafhankelijkheid van zijn optreden niet door belangen van derden kan worden aangetast. Hij dient niet alleen in wezen onafhankelijk te zijn, maar dient ook, bezien vanuit een objectieve buitenstaander, de schijn van afhankelijkheid te vermijden.

De Raad is van oordeel, mede gezien het bepaalde in lid 4 van artikel 24 GBR-1994, dat de familierelatie tussen verweerder en zijn broer, in wiens opdracht hij de Accountantsverklaring heeft vervaardigd, te zeer de schijn van afhankelijkheid met zich meebrengt. De door verweerder gekozen opzet voor de uitvoering van zijn opdracht versterkt deze schijn, nu verweerder zich uitsluitend heeft gebaseerd op van zijn broer verkregen stukken en heeft verkozen om klager en Fontys onwetend te houden van zijn onderzoek.

De Raad is van oordeel dat verweerder had moeten afzien van het aanvaarden van de opdracht en dat hij, door die te aanvaarden, heeft gehandeld in strijd met de inhoud en strekking van artikel 24 GBR-1994.

5.6 De objectiviteit die de openbare accountant bij de uitvoering van een opdracht in acht heeft te nemen, is verankerd in artikel 9 GBR-1994. De registeraccountant is onpartijdig in zijn oordeel. In lid 3 van dit artikel wordt daarenboven expliciet aandacht besteed aan de onpartijdigheid in het oordeel in de situatie dat de verklaring wordt afgegeven bij een verantwoording, afgelegd door onder anderen een nauwe persoonlijke relatie.

Verweerder heeft in zijn verweer aangevoerd dat het onderzoek bewust eenzijdig is gehouden omdat hij heeft gewerkt aan – wat hij noemt – een niet tegensprekelijk stuk. Deze bewust gekozen insteek geeft er blijk van dat, wat er zij van de waarde in België van een dergelijk stuk, verweerder niet de onpartijdigheid heeft betracht die hij had moeten betrachten en aldus in strijd heeft gehandeld met artikel 9 GBR-1994.

5.7 Op grond van artikel 11 GBR-1994 doet de openbare accountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Hij mag niet, zoals in het verweer nog aangevoerd, stellen dat hem overgelegde stukken iets niet aantonen wanneer hij er niet zeker van is dat de hem overgelegde stukken volledig zijn. Voorts dient hij er zorg voor te dragen dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.

5.8 De Accountantsverklaring heeft enkel betrekking op, wat wordt genoemd, de financiële handelwijze van klager in het bijzonder ten aanzien van betalingen welke hij van C heeft ontvangen. In de verklaring staat dat zich bij het dossier van 20 februari 2002 de Boekhoudverordening 1998 van de Nederlandse Orde van Advocaten bevindt en wordt gesteld dat de financiële handelwijze van klager in strijd is met de voorschriften van die Boekhoudverordening. Voorts wordt ingegaan op klachten van C welke door de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Maastricht zijn behandeld. Verweerder geeft conclusies over vermeende bewijskracht van door klager in de klachtprocedures overgelegde stukken. In de conclusies wordt een oordeel gegeven over de vraag in welke mate vaststaat dat door C via klager betaalde gelden bij Fontys terecht zijn gekomen.

5.9 Voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag kan het onder omstandigheden noodzakelijk zijn dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt toegepast. Die noodzaak bestaat in elk geval bij een onderzoek als het onderhavige, waarin de financiële handel en wandel van een bepaalde persoon onderwerp van rapportage is. Degene wiens gedragingen onderwerp van rapportage zijn, moet gelegenheid krijgen te reageren op hetgeen een registeraccountant in de betreffende rapportage opmerkt. Anders dan verweerder aanvoert stond de beslissing van de deken hieraan niet in de weg. Evenmin had verweerder goede reden om te veronderstellen dat de conceptverklaring in de procedure voor de deken onweersproken was gebleven, zoals hij aanvoert te hebben aangenomen. In dit geval geldt de verplichting tot het toepassen van hoor en wederhoor zo mogelijk nog veel zwaarder, omdat verweerder op verzoek van een derde in zijn rapportage ingaat op en een oordeel uitspreekt over de financiële verhouding tussen klager als advocaat en Fontys als zijn cliënte. In deze verhouding is verweerders opdrachtgever C evenwel een buitenstaander, omdat zijn betalingen aan de advocaat van Fontys op grond van het Burgerlijk Wetboek bevrijdend zijn in zijn verhouding tot Fontys.

Verweerder had derhalve geen rapport mogen uitbrengen zonder eerst klager in de gelegenheid te stellen te reageren op de conceptbevindingen en conceptconclusies van verweerder.

5.10 Verweerder heeft zich er in zijn verweer op beroepen dat de Gedragsrichtlijn inzake Persoonsgerichte Accountantsonderzoeken door het bestuur van het Koninklijke Nivra op 1 april 2004 is uitgevaardigd. De Accountantsverklaring dateert van voor die tijd. Dit neemt echter niet weg dat de verplichting tot het toepassen van het beginsel van hoor en wederhoor zijn grondslag vindt in de sinds jaar en dag geldende Gedrags- en Beroepsregels voor registeraccountants en dus al gold met betrekking tot de Accountantsverklaring.

5.11 Klager heeft omstandig gemotiveerd gesteld dat de conclusies in de Accountantsverklaring alle onjuist zijn, uitgezonderd conclusie 2b, die de vergissing betreft, vermeld onder 2.5, welke klager onverwijld heeft erkend en heeft hersteld. Het door verweerder mondeling gevoerde verweer heeft het de Raad duidelijk gemaakt dat verweerder onjuiste conclusies had kunnen vermijden bij een deugdelijk onderzoek, waaraan het heeft ontbroken.

5.12 De boekhoudverordening van 1998 is in werking is getreden in de loop van 1999. Vrijwel alle betalingen die verweerder in de Accountantsverklaring aanmerkt als in strijd met die verordening afgehandeld, dateren van voor de inwerkingtreding. De Raad oordeelt dat verweerder, door oudere betalingen toch te toetsen aan die verordening, een misslag heeft begaan.

5.13 Gelet op het voorgaande is de klacht ook gegrond voor zover deze het verwijt bevat dat de Accountantsverklaring een deugdelijke grondslag ontbeert en onzorgvuldig is opgesteld.

5.14 De slotsom is dat de klacht in zijn geheel gegrond is.

5.15 De onderhavige beslissing berust op de artikelen 33 en 24 Wet op de Registeraccountants en de artikelen 5, 9, 11 en 24 GBR-1994.

6. MAATREGEL

6.1 Door zijn verweer, schriftelijk en ter zitting van de Raad, heeft verweerder er blijk van gegeven geen enkel besef te hebben van de betekenis van de Gedrags- en Beroepsregels welke voor hem als in het accountantsregister ingeschreven registeraccountant gelden. Verweerder heeft gesteld dat hij in de eerste plaats bedrijfsrevisor is en niet of nauwelijks registeraccountant. Hij heeft, ook ter zitting nog, gesteld dat de Gedrags- en Beroepsregels op hem, als in België wonende en werkzaam, niet van toepassing zijn en dat hij van mening blijft dat hij een dienstig stuk heeft vervaardigd waarvoor hij geen excuus behoeft te vragen.

Zijn argument dat hij als niet meer in zijn beroep actief lid van het Nivra is ingeschreven, doet niet terzake. Uit het door verweerder afgeven van de

Accountantsverklaring, welke verweerder als RA heeft ondertekend, blijkt dat hij ter zake van deze verklaring als openbaar accountant is opgetreden en dat de klacht dus zijn beroepsuitoefening betreft. Verweerder heeft zich laten verleiden tot een verklaring die bovendien ten behoeve van zijn broer is gegeven, en welke, afkomstig van een registeraccountant die stelt dat de verklaring de uitkomst van controle weergeeft, een maatschappelijke uitwerking heeft die nauwelijks van die van laster verschilt. De Raad is van oordeel dat verweerder door dit optreden ernstige schade heeft toegebracht aan de eer van de stand der registeraccountants.

De houding van verweerder in zijn verweer voedt de vrees dat hij zonder nog enig besef van de grenzen die hij in acht behoort te nemen, opnieuw zal kunnen vervallen in de zelfde fout. Het doel van de tuchtrechtspraak is het weren en beteugelen van misslagen van registeraccountants in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen zoals de GBR-1994 en op de eer van de stand der registeraccountants. Gelet op dit doel ziet de Raad zich in deze omstandigheden, gezien de ernst van de misslagen, gedwongen als enige beslissing waarmee herhaling is te voorkomen, hoezeer dit de Raad ook bezwaart jegens iemand die niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, te grijpen naar de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het accountantsregister als sanctie die passend en geboden is.

De Raad vindt in de gevolgen van de verweten gedraging aanleiding te bepalen dat de onderhavige uitspraak gedeeltelijk zal worden openbaargemaakt en wel op de hierna vermelde wijze.

7. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart de klacht in zijn geheel gegrond;

- legt als maatregel op doorhaling van de inschrijving in het accountantsregister;

- bepaalt dat het navolgende uittreksel uit deze uitspraak zal worden gepubliceerd in het dagblad NRC Handelsblad en in de Staatscourant:

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-

consulenten te ’s-Gravenhage heeft de doorhaling gelast van de inschrijving in het accountantsregister van een registeraccountant wegens een door hem afgegeven ongegronde en ondeugdelijke verklaring waarin twijfels zijn geuit aan de correcte financiële afwikkeling van gelden aan een cliënt door B, advocaat te E.

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, voorzitter, H. Baas RA en C.Chr. Doolhoff RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2005 door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, plaats-vervangend voorzitter.

secretaris voorzitter