Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV9564

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
10-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/616
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Registratie

ambtshalve

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/616 15 maart 2006

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: J.P. Remmelzwaal, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 augustus 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 juli 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 april 2005, waarbij verweerder de onderneming van appellante heeft geregistreerd.

Op 5 oktober 2005 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Bij brief van 9 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Namens appellante was tevens aanwezig B, directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (Stb. 2002, 394; hierna: Instellingsbesluit) is onder andere het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. Er is een Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

a. het schilders- en afwerkingsbedrijf;

b. het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf.

(…).”

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit staan onder meer de volgende overwegingen:

“ Onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

(…)

Tot het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt niet gerekend:

a. het verrichten van handelingen van constructieve bouwkundige aard, zoals in het kader van het aannemingsbedrijf op het gebied van bouw en utiliteit, en van handelingen in het kader van betonreparatie van constructieve aard;

b. het vervaardigen van dragende vloeren of wanden;

(…)

d. het fabrieksmatig vervaardigen van systeemwanden, het fabrieksmatig vervaardigen van systeemplafondonderdelen, tenzij door de vervaardiger daarvan bestemd om ter plaatse van de bestemming te worden aangebacht;

(…).”

Bij de Verordening Registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (hierna: de Verordening) van 22 april 2003, in werking getreden op 31 mei 2003 (PBO-blad 2003, nr. 37), is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register van ondernemingen, waarin gegevens worden opgenomen ten behoeve van de vervulling van de taak van het hoofdbedrijfschap.

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op verzoek van verweerder een vragenformulier ten behoeve van registratie ingevuld en dit met een begeleidende brief, gedateerd 9 maart 2005, waarin zij aangaf niet in de branche afbouw en onderhoud werkzaam te zijn, aan verweerder toegezonden.

- Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder appellantes onderneming geregistreerd.

- Hiertegen heeft appellante bij brief van 19 mei 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 9 juni 2005 is appellante gehoord omtrent haar bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen.

" Uit de website en de folders van A B.V. blijkt dat dit bedrijf zich onder meer bezighoudt met het aanbrengen van ruimte in ruimtesystemen zoals cleanrooms, welke bestaan uit wand- en plafondpanelen. Deze panelen worden door het bedrijf zelf fabrieksmatig vervaardigd. Uit de toelichting op het instellingsbesluit blijkt dat zowel de fabrieksmatige vervaardiging van de plafond- en wandpanelen als de montage daarvan ter plaatse gebruik onder het hoofdbedrijfschap valt. Het fabrieksmatig vervaardigen van de plafond- en wandpanelen valt onder de uitzondering zoals bedoeld onder d.

Met de productie van wanden en plafondonderdelen voor ruimte in ruimtesystemen en het vervolgens daarvan monteren ter plaatse van gebruik met eigen personeel staat de registratieplicht van A B.V. vast. (…)

Gesteld wordt, dat de plafonds beloopbaar zijn, en daarom een dragende functie hebben. Het feit dat de plafonds beloopbaar zijn, houdt echter niet automatisch is dat het aanbrengen daarvan valt onder de uitzondering die wordt genoemd onder a. in de toelichting op het Instellingsbesluit. Met een handeling van constructieve bouwkundige aard, wordt net als in de bouwkunde, bedoeld een activiteit waarbij het aan te brengen object deel gaat uitmaken van de draagconstructie van een bouwwerk. (…). De door A B.V. aangebrachte beloopbare plafonds maken geen deel uit van de draagconstructie van een gebouw en vallen daarom niet onder de uitzondering. Het hoofdbedrijfschap is dus van mening dat het monteren van beloopbare plafonds een activiteit gericht op de niet-constructieve afbouw is, zoals bedoeld in het Instellingsbesluit.

Uit de website en de folders blijkt dat A B.V. tal van werkzaamheden verricht die niet onder de werkingssfeer van het hoofdbedrijfschap vallen (…). Over de omzet welke is behaald met activiteiten die niet onder het hoofdbedrijfschap vallen, hoeft uiteraard geen omzetafhankelijke heffing te worden afgedragen.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante brengt geen plafond- en wandsystemen aan, maar bouwt met bijzondere isolatiepanelen in de vorm van plafond-, vloer-, wand- en deurelementen complete op zichzelf staande procesruimten. Appellante ontwikkelt, produceert en installeert geconditioneerde bedrijfsruimten en procesruimten voor velerlei doeleinden, waaronder koelen, vriezen en klimaatbeheersing met name genoemd worden. Daarbij worden hoge eisen gesteld aan ontwerp, berekening en constructie. De bijzondere isolatiepanelen vormen een integraal onderdeel van de te bouwen specifieke ruimten in allerlei afmetingen en volgens maatwerkspecificaties.

Appellante heeft in Nederland feitelijk slechts twee concurrenten. Hieruit blijkt al dat deze bedrijven samen met appellante in een aparte branche werkzaam zijn die geheel afwijkt van wat in het algemeen in de bouwwereld onder fabricage van plafond- en wandsystemen wordt verstaan. Feitelijk gaat het om een zeer gespecialiseerde vorm van uitoefening van het aannemersbedrijf.

Verweerder overschrijdt een grens door uit te gaan van de stelling dat elke vorm van montage van systeemwanden en systeemplafonds onder de werkingssfeer van het Hoofdbedrijfschap valt. Verweerder houdt ten onrechte geen rekening met de specifieke aard van de werkzaamheden. Uit de toelichting op het Instellingsbesluit blijkt dat men het oog heeft op plafond- en wandsystemen waarmee een bouwwerk wordt afgebouwd, vaak met gebruikmaking van geprefabriceerde elementen. Daarbij gaat het echter niet om het monteren van wanden en plafonds als een op zichzelf staand bouwproces van geconditioneerde ruimten, zoals bij appellante het geval is.

Uit hetgeen in de CAO Afbouw is vermeld blijkt dat de aanduiding ‘plafond- en wandbedrijf’ beperkt moet worden uitgelegd. Bij interpretatie van deze CAO-bepalingen is de conclusie dat het slechts kan gaan om een vooraf in het ontwerp van het bouwwerk beoogde afwerking van het pand en niet om het monteren van onderdelen van een op zichzelf staand specialistisch bouwproject (in welke vorm dan ook), dat als zodanig letterlijk en figuurlijk los staat van dat pand en dus op zich moet worden beschouwd en geen deel uitmaakt van dat pand en de afbouw ervan.

Uit de folder van het Hoofdbedrijfschap blijkt dat de plafond- en wandmontagebranche zich alleen bezighoudt met regulier afbouwwerk en onderdeel uitmaakt van de gewone bouwketen. Appellante zit echter in een ander, zeer specialistisch en bijzonder maatwerk vereisend segment van de bouw en is aannemer van op zichzelf staande bouwprojecten, gericht op specifieke bedrijfsprocessen, die weliswaar vaak in een gebouw staan, maar daarvan geen integraal onderdeel uitmaken. Derhalve mag het plaatsen van die installaties niet als afbouw van een bouwwerk worden beschouwd. De door appellante gebouwde cleanrooms staan meestal in een fabriekshal, doch worden geregeld ook buiten een gebouw geplaatst zonder dat zij daartoe aanpassing behoeven.

De wanden van de door appellante gebouwde procesruimten staan los van de wanden van de bedrijfspanden en hebben daar geen contact mee, direct noch indirect. Evenzo hebben de plafonds van de procesruimten van appellante geen relatie met het plafond van het bedrijfspand waarin de procesruimte is gesitueerd. De bouw en plaatsing van de procesruimten van appellante is dan ook geen afbouw, maar inbouw. Bovendien is de aard van de bouw bouwconstructief. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de plafonds van de procesruimten beloopbaar zijn.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder appellantes onderneming terecht heeft geregistreerd als onderneming waarin een bedrijf als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit wordt uitgeoefend. Blijkens de toelichting op het Instellingsbesluit wordt onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

5.2 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat appellantes werkzaamheden bestaan uit het bouwen van geconditioneerde bedrijfs- en procesruimten, waarbij appellante met plafond-, vloer-, wand- en deurelementen op zichzelf staande constructies monteert. Deze constructies, bedrijfs- en procesruimten kunnen, naar onweersproken gesteld is, zowel binnen een gebouw als daarbuiten worden geplaatst. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze werkzaamheden, voorzover zij in een gebouw plaatsvinden, onder de werkingssfeer van verweerder vallen.

5.3 Het College is van oordeel dat verweerder aldus een onjuist criterium gehanteerd heeft. Van afbouw kan slechts worden gesproken als een gebouw door nadere werkzaamheden beter geschikt gemaakt wordt voor een bepaald gebruik, beschermd, verfraaid of afgewerkt wordt. Het moet dus gaan om werkzaamheden die ten dienste staan van (het gebruik van) dat gebouw. De nieuw aangebrachte onderdelen gaan dan feitelijk deel uitmaken van het gebouw.

Daarvan hoeft geen sprake te zijn als een bouwwerk, dat in de open lucht geplaatst als zelfstandig bouwwerk zou gelden, in een fabriekshal geplaatst wordt, zonder dat overigens aanwijsbaar enige nadere relatie met het bestaande gebouw tot stand gekomen is. Het enkele feit dat het bouwwerk is opgebouwd uit plafond-, vloer-, wand- en deurelementen is niet voldoende om het bestaan van zo'n relatie aan te nemen.

5.4 Verweerder heeft dus getoetst aan een onjuist criterium. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 2 van de Verordening en artikel 2 van het Instellingsbesluit.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw op appellantes bezwaarschrift moeten beslissen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en dient appellante het griffierecht te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar beslist:

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellante welke worden vastgesteld op € 644,-

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,- (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz