Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV6789

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
AWB 04/1042
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1042 17 maart 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. B.F. de Jong, werkzaam bij Ditmar’s de Jong Belastingadvies te Liessel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.M. Kouwets, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brieven van 1 december 2004, bij het College per fax op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij deze besluiten heeft verweerder zijn eerdere beslissingen op de aanvragen van appellanten voor akkerbouwsteun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen voor de jaren 2001 en 2002 herzien en reeds uitbetaalde steun teruggevorderd.

Bij brief van 29 januari 2005 hebben appellanten de gronden voor beide beroepen ingediend.

Bij brief van 7 februari 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarna heeft hij bij brief van 1 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Op 3 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellanten hun gemachtigde en A aanwezig waren. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijlage staat:

“Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen.

3. (…)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (...).

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en de terzake geldende verplichtingen is nagekomen. (…)”

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 118/2004, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt het bedrijfshoofd nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte als bedoeld in artikel 31, lid 2. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke dan ook van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft. (...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben op 17 april 2001 een aanvraag oppervlakten 2001 ingediend. Daarbij hebben zij onder meer 13.01 ha maïs voor steun opgegeven; daaronder het perceel 3 met een aangevraagde oppervlakte van 3.36 ha. Bij besluit van 14 november 2001 heeft verweerder op deze aanvraag beslist; aan appellanten werd € 5376,86 aan akkerbouwsteun toegekend.

- In hun aanvraag oppervlakten 2002 hebben appellanten in totaal 7.51 ha maïs voor steun opgegeven; daaronder het perceel 3 met een aangevraagde oppervlakte van 2.50 ha. Bij besluit van 24 november 2002 heeft verweerder op deze aanvraag beslist. Aan appellanten werd voor € 2480,68 akkerbouwsteun toegekend.

- Naar aanleiding van de aanvraag oppervlakten 2003 van appellanten heeft GeoRas, het bureau dat verweerder inzake teledetectiecontrole adviseert, op 15 oktober 2003 een onderzoek door middel van teledetectie uitgevoerd. Bij dit onderzoek is het maïsperceel 9 (opgegeven voor 3.48 ha) gemeten op 3.80 ha. Daarnaast is vastgesteld dat van dit perceel slechts 1.20 ha voldoet aan de definitie akkerland.

- Om commentaar gevraagd bij deze bevindingen van GeoRas heeft A bij brief van 20 november 2003 meegedeeld dat appellanten het perceel 9 sinds 1998 in gebruik hebben met een grondgebruiksverklaring van D. Deze heeft appellanten aangegeven dat hij op het perceel in de referentieperiode 1987 tot en met 1991 vruchtwisseling heeft toegepast. In die jaren is er dus ook maïs geteeld. Hendriks heeft geen boekhouding uit die jaren bewaard.

- Verweerder heeft vervolgens conform de bevindingen van GeoRas op de aanvraag 2003 beslist. Een tegen die beslissing gericht bezwaar heeft verweerder, na een op 11 maart 2004 gehouden hoorzitting, bij besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen dit besluit geen beroep ingesteld bij het College.

- Aangezien het perceel 9 uit de aanvraag 2003 de hiervoor genoemde percelen 3 uit de aanvragen 2001 en 2002 overlapt, heeft verweerderbij twee besluiten van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, de beslissingen op de aanvragen 2001 en 2002 herzien.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder overwogen dat het maïsperceel 3 alsnog voor slechts 1.20 ha voldoet aan de definitie akkerland. Bijgevolg komt dit perceel slechts gedeeltelijk voor steun in aanmerking. Hierdoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte maïs, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 19.91 % bedraagt. Met toepassing van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 betekent dit, dat de voor de gewasgroep maïs toe te kennen steun moet worden berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte minus twee maal het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte. Dit heeft tot gevolg dat van de reeds op de aanvraag uitbetaalde steun een bedrag van € 2698,19 wordt teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder overwogen dat het maïsperceel 3 alsnog voor slechts 0.53 ha voldoet aan de definitie akkerland.

Bijgevolg komt dit perceel slechts gedeeltelijk voor steun in aanmerking. Hierdoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte maïs, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 35,65 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 betekent dit dat op de aanvraag 2002 geen steun kan worden toegekend. Het reeds uitbetaalde steunbedrag ad € 2840,68 wordt daarom teruggevorderd.

- Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 22 juni 2004, aangevuld bij brieven van 2 augustus 2004 en 12 oktober 2004, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie daarvan door GeoRas is gebleken dat perceel 9 uit de aanvraag 2003- en dus ook de daardoor overlapte percelen 3 uit de aanvragen 2001 en 2002- voor een gedeelte niet voldoen aan de definitie akkerland. Verweerder acht zich ingevolge Europeesrechtelijke bepalingen verplicht de ten onrechte uitbetaalde bedragen terug te vorderen. De opgelegde kortingen volgen eveneens uit hetgeen daarin is bepaald.

De betalingen zijn niet verricht als gevolg van een fout van verweerder of van een andere instantie. Op het moment van de beoordeling van de aanvragen 2001 en 2002 was niet bekend dat perceel 9 uit de aanvraag 2003 gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voldeed. Dit is pas gebleken nadat GeoRas in oktober 2003 voor verweerder door middel van de interpretatie van satellietbeelden een controle heeft uitgevoerd. Bovendien hadden appellanten zich ervan behoren te vergewissen dat het perceel voldeed alvorens het op te geven. Door het ondertekenen van het aanvraagformulier hebben zij verklaard kennis te hebben genomen van de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van een perceel dat niet aan de voorwaarden voldoet, komt voor hun risico.

Om de op basis van satellietbeelden getrokken conclusie, dat genoemde percelen 3 slechts gedeeltelijk voldoen aan de definitie akkerland, te kunnen weerleggen, is tegenbewijs op perceelsniveau een vereiste. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

Ten aanzien van de overgelegde handgetekende graslandkalender van D valt niet vast te stellen of deze daadwerkelijk betrekking heeft op het jaar 1989. Bovendien valt uit deze tekening niet op te maken of perceel 9 uit de aanvraag 2003 inderdaad volgens deze tekening is ingezaaid met maïs. Uit de stukken afkomstig van loonbedrijf E te F, met daarop handgeschreven aantekeningen over werkzaamheden ten behoeve van D, valt niet op te maken op welke percelen deze werkzaamheden precies betrekking hadden.

Voorzover appellanten zich beroepen op het ontstaan van vertrouwen, omdat verweerder in het verleden hun aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft geaccepteerd, meent verweerder dat dit er niet aan in de weg staat dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst, zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden verweerder niet om terug te komen van eerdere besluiten.

Appellanten wordt, anders dan zij veronderstellen, geen opzet verweten. De toegepaste sancties gelden voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld.

Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake, nu er geen aanleiding bestaat, naar het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 17 juli 1997 (C-354/95, Farmers Union) heeft geoordeeld, de geldigheid van het sanctiestelsel van Verordening (EEG) nr. 3887/92 aan te tasten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, samengevat, het volgende aangevoerd ter ondersteuning van hun beroep.

Appellanten hebben wel degelijk aangetoond dat in de referentiejaren op het achter het huis gelegen perceel 9 uit de aanvraag 2003 maïs heeft gestaan. Dit perceel was immers in de referentieperiode met toepassing van wisselteelt in gebruik bij toenmalig eigenaar D. Loonwerker E heeft nauwkeurig aangegeven op welke percelen hij in de referentiejaren voor D maïs heeft gezaaid. Met name is van belang dat E in 1991 achter het huis 5.75 ha maïs heeft gezaaid. Tot één van deze percelen behoort ook het bewuste perceel, gelet op de aanduiding E3, waarmee een perceel langs de snelweg wordt bedoeld.

Daarnaast toont de graskaart- het was gebruikelijk dat in de referentiejaren een dergelijk stuk jaarlijks werd opgemaakt- van D uit 1989 duidelijk aan dat het daarop als perceel 2 aangeduide perceel overeenkomt met het litigieuze perceel. Ten onrechte heeft verweerder deze kaart als een niet bruikbaar vodje papier terzijde geschoven.

De satellietbeelden van 25 april 1987 en 2 oktober 1987 laten niet zien welk gewas er in het groeiseizoen heeft gestaan. Op de beelden uit andere jaren zijn achter het huis steeds kleine kleurverschillen te zien die GeoRas niet goed kan verklaren. GeoRas kan aan de hand van de beelden niet vaststellen of de graskleur afkomstig kan zijn van gras en onkruid tussen de maïs. Kortom, er wordt uitgegaan van satellietbeelden die slechts een beperkte bewijskracht hebben.

Bij de aanvankelijke goedkeuring van de percelen heeft verweerder ten onrechte niet vermeld dat dit gebeurde op basis van een globale controle, die gevolgd kon worden door een latere meer gedetailleerde controle. Dit heeft er toe kunnen leiden dat bij appellanten het vertrouwen is ontstaan dat het om een steunwaardig perceel ging. Nu het gaat om beelden uit de jaren 1987 tot en met 1991 kan verweerder moeilijk staande houden dat deze beelden pas 16 of 17 jaar later tot zijn beschikking kwamen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat appellanten geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 30 maart 2004 betreffende de steunaanvraag 2003. Dat ontneemt appellanten niet het recht om, als verweerder aan zijn bevindingen vervolgens de conclusie verbindt dat de toegekende premies over eerdere jaren moeten worden teruggevorderd, alsnog deze bevindingen ter discussie te stellen. In dit opzicht staat ieder besluit op zich. Derhalve komt appellanten de vrijheid toe om te bewijzen, dat de percelen 3 uit de aanvragen 2001 en 2002 aan de voorwaarden voor toekenning van akkerbouwsteun voldoen.

5.2 Voorzover appellanten menen dat satellietbeelden niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de besluitvorming door verweerder, volgt het College appellanten daarin niet. Zoals het College onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN: AU4088) heeft overwogen, vergt interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.3 Het College is van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de satellietbeelden verkeerd zijn geïnterpreteerd door GeoRas.

Met betrekking tot het standpunt van appellanten dat de beelden van 25 april en 2 oktober 1987 geen inzicht bieden in de situatie tijdens het groeiseizoen van 1987 merkt het College op dat GeoRas ter zitting voldoende overtuigend heeft uiteengezet dat er op het zuidelijk gedeelte van perceel 9 geen maïs heeft gestaan. Indien de maïs nog niet geoogst was had een bruine kleur zichtbaar moeten zijn en indien de maïs wel was geoogst was had op het beeld van 2 oktober een blauwige kleur te zien moeten zijn. Te zien is echter een groen- geel gevlekte kleur die duidt op gras. Op het beeld van 25 april is op het noordelijk deel blauw hetgeen wijst op bewerkte grond. Het zuidelijk deel is daarentegen rood, hetgeen wijst op gras.

De namens GeoRas ter zitting gegeven toelichting bij de satellietbeelden geeft het College geen aanleiding te veronderstellen dat GeoRas bij de interpretatie van de beelden onjuiste conclusies zou hebben getrokken.

5.4 In de onderhavige zaak hebben appellanten aangevoerd dat het perceel 9 uit de aanvraag 2003 in de jaren 1987 tot en met 1991 door toenmalig eigenaar D met toepassing van wisselteelt werd gebruikt. Dit zou betekenen dat er tenminste in enig referentiejaar maïs werd geteeld.

Uit de handgeschreven stukken afkomstig van loonwerker E, waarin de door hem voor D uitgevoerde werkzaamheden worden beschreven, zou volgens appellanten blijken dat het toenmalige achter het huis gelegen perceel 2, dat overeenkomt met het genoemde perceel 9 in 1991, met maïs was ingezaaid.

Namens GeoRas is ter zitting verklaard dat, nu het stuk van E aangeeft dat in 1991 op de door hem genoemde maïspercelen op 15 oktober 1991 werd geoogst, in dat geval op het satellietbeeld van 2 september 1991 de voor maïs karakteristieke bruine kleur had moeten worden waargenomen. Daarvan is echter geen sprake.

Uit het van E afkomstige stuk zou verder volgens appellanten moeten blijken dat er in 1989 maïs is gezaaid op perceel 9. Ook op dit punt biedt het stuk van E echter onvoldoende tegenbewijs om de conclusies van GeoRas te weerleggen. Het stuk vermeldt immers dat de inzaai plaats vond op 8 mei 1989. Het College heeft geen twijfel over de ter zitting afgelegde verklaring van GeoRas dat in dat geval het zuidelijk gedeelte van perceel 9 op het beeld van 23 mei 1989 een blauwachtige kleur, die kenmerkend is voor pas ingezaaid land, had moeten worden waargenomen. Waarneembaar is echter een rode kleur die wijst op gras.

Ook de zogenaamde graskaart van D uit het jaar 1989 biedt onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van GeoRas te weerleggen. Niet ten onrechte signaleert verweerder dat uit dit stuk niet blijkt dat conform deze tekening is ingezaaid, terwijl er daarnaast gerede twijfel is ten aanzien van de herkomst, de datering en de authenticiteit van deze tekening.

Het College is daarom van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat op het zuidelijk gedeelte van perceel 9 in enig referentiejaar maïs heeft gestaan.

5.5 Het betoog van appellanten, dat zij er vanwege de eerdere toekenning van akkerbouwpremie voor het litigieuze perceel, op mocht vertrouwen dat het volledig steunwaardig was, wijst het College van de hand. Aan toekenning van akkerbouwsteun ligt immers niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5 % van alle in een jaar ingediende aanvragen moest ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 18 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan een fysieke controle worden onderworpen. Daarvan maakte bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Aan het enkele feit dat premie is toegekend, kon appellante dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat deze percelen bij een latere meer gedetailleerde controle toch niet steunwaardig zouden worden bevonden. Ingevolge de toepasselijke Europese regelgeving is verweerder in dat geval gehouden de ten onrechte reeds uitbetaalde steun terug te vorderen.

5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006.

w.g. F.Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas