Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV5870

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
20-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/251 8 maart 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Fa. A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 april 2005, bij het College binnengekomen op 12 april 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 maart 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 9 december 2004 op de aanvraag akkerbouwsteun 2004 van appellante op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 9 juni 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 16 juni 2005 heeft hij vervolgens een verweerschrift ingediend.

Op 15 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellante E.N.J. A en N.A.J. A zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald.

“Artikel 12 – Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 13 – Te late indiening

1. Behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 wordt bij indiening van een steunaanvraag “oppervlakten” of een steunaanvraag “dieren” na de in de betrokken sectorspecifieke voorschriften bepaalde termijn het steunbedrag waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, verlaagd met 1% per werkdag vertraging.

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)”

Artikel 8 van de Regeling, zoals gewijzigd ingaande 31 maart 2004, luidt voorzover hier van belang:

“1. De aanvraagperiode voor de aanvraag oppervlakten loopt van 1 april tot en met 15 mei. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 13 mei 2004 heeft appellante, via internet, met het formulier “Gecombineerde Opgave 2004 Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten” in totaal 27.85 ha overige gewassen en 2 ha groene braak voor akkerbouwsteun in het kader van de Regeling opgegeven.

- Bij brief van 14 juli 2004 heeft appellante meegedeeld een uitdraai van de landbouwtelling 2004 te hebben ontvangen. Aan de hand hiervan heeft zij vastgesteld dat in de door haar gedane aanvraag oppervlakten fouten zitten. Zij heeft daarom verzocht de bijdragecode 999 (geen bijdrage) en de gewascode 252 ( pootaardappelen) van perceel 34 met een oppervlakte van 9.20 ha te wijzigen in 840 (akkerbouwbijdrage) en 233 (wintertarwe).

- Bij brief van 7 september 2004 heeft verweerder meegedeeld dat de voorgestelde wijziging tot toevoeging van een subsidiabel perceel zou leiden. Een dergelijk verzoek had uiterlijk op 11 juni 2004 bij verweerder ontvangen moeten zijn. Na die datum ontvangen verzoeken tot wijziging kunnen niet worden gehonoreerd.

- Bij besluit van 9 december 2004 heeft verweerder op de aanvraag beslist. Daarbij heeft hij meegedeeld dat voor perceel 34 met wintertarwe geen bijdrage is verleend.

- Bij brief van 11 januari 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder, onder vermelding dat het bezwaar kennelijk ongegrond is bevonden en dat om die reden geen hoorzitting is gehouden, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, het volgende overwogen.

De producent is verantwoordelijk voor het juist invullen van zijn aanvraag. Eventuele fouten dienen daarom in beginsel voor zijn rekening te blijven.

Het was mogelijk fouten in de aanvraag te wijzigen tot het einde van de indieningstermijn op 15 mei 2004. Vervolgens was het nog mogelijk te wijzigen gedurende de zogenoemde kortingsperiode die eindigde per 11 juni 2004. Daarna was wijziging bestaande uit de toevoeging van een steunwaardig perceel niet meer mogelijk, tenzij sprake zou zijn van een kennelijke fout. Het feit dat appellante in haar aanvraag perceel 34 heeft opgegeven met gewascode 252 (pootaardappelen) en bijdragecode 999 (geen bijdragecode) levert geen kennelijke fout op. Aan deze aanvraag is immers, objectief beschouwd, voor verweerder niet te zien dat appellante in werkelijkheid wintertarwe met steun had willen opgeven en dat de gedane opgave dus kennelijk fout was.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft haar aanvraag ingediend met gebruikmaking van internet. Het elektronisch invullen was een complexe en onoverzichtelijke bezigheid. Bij het aldus moeizaam invullen van de aanvraag is kennelijk bij perceel 34 per abuis de code voor pootaardappelen ingetikt. Op het elektronisch ingevulde formulier was het vervolgens nauwelijks meer mogelijk de ingevulde fout te ontdekken. De fout kwam pas aan het licht bij kennisneming van de van verweerder ontvangen uitdraai van de landbouwtelling Op het perceel 34 heeft overigens aantoonbaar wintertarwe gestaan.

Dat het elektronisch invullen geen succes was en door velen als lastig werd ervaren blijkt ook uit verweerders brief van 24 maart 2005, waarin wordt meegedeeld dat het in 2005 niet meer mogelijk zal zijn de opgave elektronisch in te dienen.

Ten onrechte heeft verweerder bij zijn weigering om de aanvraag te wijzigen niet in de overwegingen betrokken dat de fout in de hand is gewerkt door het gebrekkige elektronische invulsysteem dat verweerder de aanvragers van akkerbouwsteun ter beschikking heeft gesteld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan het bezwaar van appellante slechts tegemoet kan worden gekomen, als zij bij het invullen van de aanvraag oppervlakten een kennelijke fout heeft gemaakt. Uit artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 volgt immers dat in dat geval ook na afloop van de uiterste datum voor indiening van de aanvraag een wijziging daarvan mogelijk is.

Naar vaste jurisprudentie van het College kan verweerder het beleid voeren dat het begrip “kennelijke fout” wordt uitgelegd aan de hand van de door de Commissie gegeven richtsnoeren in het werkdocument nr. AGR 49533/2002. Kort gezegd komt dat er op neer dat eigenlijk uitsluitend wordt aangenomen dat sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, indien objectief kan worden vastgesteld dat de opgave kennelijk fout was, hetgeen het geval is wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

5.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het onderhavige geval kunnen oordelen dat geen sprake is van een kennelijke fout in voornoemde zin. Appellantes aanvraag is objectief bezien immers niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld, zodat bij verweerder geen twijfel behoefde te ontstaan over hetgeen appellante met haar aanvraag beoogde.

5.3 Appellantes betoog dat de fout veroorzaakt is door het in haar ogen gebrekkige systeem, dat verweerder aanbood voor het elektronisch invullen van de aanvraag, kan niet slagen. Reeds uit het feit dat het appellante gelukt is andere percelen met wintertarwe correct in te vullen en dat slechts twee van de opgegeven 36 percelen uiteindelijk niet juist waren ingevuld blijkt dat het zeer wel mogelijk is om met dit systeem een juiste opgave te doen. Bijgevolg moet het er voor worden gehouden dat de onjuiste invulling van codes bij perceel 34 berust op een voor verweerder niet kenbare vergissing van appellante.

Appellante had de aanvraag zelf kunnen uitprinten en controleren op dezelfde wijze als bij een handgeschreven aanvraag.

5.4 Dat verweerder bij brief van 24 maart 2005 de aanvragers er van op de hoogte heeft gesteld, dat in 2005 geen opgave via internet kan worden gedaan, omdat het werken met de elektronische geografische kaart problemen opleverde, kan geen grond opleveren verweerder verplicht te achten alsnog een wijziging van de aanvraag toe te staan.

Ook als de wettelijke bepalingen daarvoor ruimte zouden laten, zou toch geconcludeerd moeten worden dat appellantes onjuiste opgave niet het gevolg is van complicaties bij het werken met de elektronische geografische kaart, maar van een achteraf gemakkelijk te ontdekken onnauwkeurigheid.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas