Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV4872

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
AWB 06/208
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken)

AWB 06/208 3 maart 2006

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, h.o.d.n. B, te X, verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem, verweerder,

gemachtigde: C, werkzaam voor de gemeente.

1. De procedure

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft verweerder een aanvraag om ontheffing van verzoekster op grond van artikel 7 van de Winkeltijdenverordening gemeente Doetinchem 2005 (hierna: de Verordening) voor het houden van een tuindag op zondag 5 maart 2006, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 maart 2006 bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft tevens op 1 maart 2006 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen. Dit verzoek is op 2 maart 2006 doorgeleid naar het College.

Verweerder heeft bij brief van 2 maart 2006 gereageerd op het verzoek.

De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld ter zitting van 3 maart 2006. Aldaar hebben verzoekster en verweerder, bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Winkeltijdenwet, voorzover van belang, bepaalt:

“ Artikel 2

1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

(…)

2. Het is voorts verboden op de in het eerste lid bedoelde dagen en tijden in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren.

Artikel 4

1. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, (…) verlenen op grond van plotseling opkomende bijzondere omstandigheden.

2. Zij kunnen in door de gemeenteraad bij verordening aangewezen gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verboden ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard en ten behoeve van het uitstallen van goederen.”

De Verordening, voorzover van belang, bepaalt:

“Artikel 7

1. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de wet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, (…) ten behoeve van:

a. bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard;

b. het uitstallen van goederen.

2. De in het eerste lid genoemde ontheffing kan worden verleend in geval van feestelijkheden, bijeenkomsten, veilingen en beurzen.”

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekster drijft op het adres D te X in de vorm van een eenmanszaak een hoveniersbedrijf, ontwerpbureau en adviesbureau.

- Mede namens verzoekster heeft Tuinbranche Doetinchem aan verweerder zondag 12 maart 2006 als voorkeursdatum opgegeven voor een koopzondag in 2006 in X. Verweerder heeft bij brief van 15 december 2005 aan Tuinbranche Doetinchem onder meer medegedeeld dat zondag 12 maart 2006 is aangewezen als koopzondag voor X.

- Verzoekster heeft bij brief van 8 februari 2006 op grond van de Verordening een verzoek om ontheffing ingediend voor het houden van een tuindag op zondag 5 maart 2006.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster meent dat zij in aanmerking komt voor een ontheffing voor zondag 5 maart 2006, omdat er sprake is van een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de Verordening. De tuindagen (behalve de zondag ook de zaterdag ervoor) vinden één keer per jaar plaats. De tuindagen zijn bijzonder, omdat het gaat om een samenwerking tussen diverse bedrijven. Het publiek kan voor gratis tuinontwerpen terecht bij verzoekster en voor advies bij diverse stands. Daarnaast zijn de tuindagen bijzonder omdat verzoekster normaliter niet is geopend voor publiek. De tuindagen vinden dit jaar voor de vijfde keer plaats.

De tuindagen zijn van groot belang omdat hierdoor na de stille winterperiode de aandacht weer wordt gevestigd op de bedrijfsactiviteiten. Als de tuindag op zondag 5 maart niet doorgaat, leidt dit niet alleen tot flinke schade aan het imago van het bedrijf, maar ook zijn al diverse kosten gemaakt (onder andere advertentiekosten, kosten inhuren bedrijven, kosten springkussen voor kinderen, catering). Er is al veel bekendheid gegeven aan de tuindagen en bezoekers kunnen niet op zo’n korte termijn op de hoogte worden gebracht van het eventueel niet doorgaan van de dag.

4. Het standpunt van verweerder

Samenvattend weergegeven, komt het standpunt van verweerder op het volgende neer. Er is geen sprake van een bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de Verordening. Er is in dit geval geen sprake van een feestelijkheid. Een feestelijkheid moet te maken hebben met de bedrijfsvoering. De te organiseren activiteiten moeten een aanvulling zijn op de bedrijfsvoering, maar zich niet richten op de productverkoop of presentatie van een nieuw product. Voorbeelden van een feestelijkheid zijn het 25- of 50-jarig bestaan van een bedrijf.

Het voor de vijfde keer organiseren van de tuindagen is geen bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard. Het gaat om een jaarlijks terugkerende activiteit die ook op een aangewezen koopzondag kan worden gehouden, mede omdat 12 maart 2006 door verweerder (mede op verzoek van de tuinbranche) is aangewezen als koopzondag. De Winkeltijdenwet biedt voldoende mogelijkheden om de tuindagen op andere dagen te organiseren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in samenhang gelezen met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2 Wat betreft de spoedeisendheid, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster onweersproken heeft gesteld dat voor verzoekster onomkeerbare nadelige gevolgen zijn verbonden aan het niet laten doorgaan van de tuindag op zondag. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt.

5.3 De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens allereerst voor de vraag gesteld of op zondag 5 maart 2006 sprake zal zijn van goederen te koop aanbieden in de zin van artikel 2, tweede lid, Winkeltijdenwet. Blijkens de wetgeschiedenis doelt deze wetsbepaling op detailhandel. Naar voorlopig oordeel vallen hier niet onder de diensten die verzoeksters hoveniersbedrijf/ontwerpbureau/adviesbureau aanbiedt. Op de tuindagen zijn echter ook andere ondernemers vertegenwoordigd, die het verkopen van goederen als primaire taak hebben (onder meer een zonweringenfabrikant, een tuincentrum dat palmen en olijfbomen laat zien en een buitenplantenbedrijf). Ter zitting is door verzoekster verklaard dat op 5 maart 2006 medewerkers van deze bedrijven aanwezig zullen zijn en, desgevraagd, aan bezoekers prijzen van hun producten zullen noemen en zullen aangeven waar de goederen kunnen worden gekocht. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat op de tuindagen sprake is van het te koop aanbieden van goederen in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet. Voor de tuindag op zondag is onder deze omstandigheden een ontheffing nodig.

5.4 Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Verordening kan ontheffing worden verleend ingeval van feestelijkheden. Niet in geding is dat de tuindagen niet vallen onder hetgeen verweerder als een feestelijkheid aanmerkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft verweerder een niet ontoelaatbare uitleg aan het begrip “feestelijkheid”. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat geen sprake is van een feestelijkheid die is gebonden aan de datum van 5 maart, zoals het geval kan zijn bij een jubileum, maar dat veeleer sprake is van het creëren van de feestelijkheid door het verlenen van de ontheffing.

5.5 Ontheffing is ingevolge artikel 7, tweede lid, ook mogelijk, voorzover hier relevant, ingeval van een beurs. Het ligt in de rede dat verweerder bij het vaststellen of sprake is van een geval waarin ontheffing zou kunnen worden verleend, zich in een situatie als de onderhavige gemotiveerd uitspreekt over de vraag of sprake is van een beurs. Verweerder heeft dit tot op heden niet gedaan.

Echter, ook als sprake zou zijn van een als beurs aan te merken activiteit, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het treffen van een voorziening. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder, blijkens zijn besluit van 1 maart 2006 en ook blijkens hetgeen in het kader van dit verzoek om een voorlopige voorziening naar voren is gebracht, het voor het al dan niet verlenen van ontheffing van belang acht of er alternatieven zijn voor de openstelling op de bewuste zondag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden artikel 4 van de Winkeltijdenwet en artikel 7 van de Verordening verweerder de ruimte om op dit punt, ook indien sprake is van een bijzondere gelegenheid, beleid te voeren. Een beleid dat er in zijn toepassing in voorziet, dat geen ontheffing wordt verleend als juist ten behoeve van deze activiteit, op verzoek van de ondernemer zelf, een andere, slechts een week later gelegen, koopzondag is aangewezen, lijkt naar voorlopig oordeel een rechterlijke toetsing te kunnen doorstaan.

5.6 Gelet op het voorgaande dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. J.M.W. van de Sande