Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV4559

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
13-03-2006
Zaaknummer
AWB 04/43
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/43 3 maart 2006

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

1. Knossos B.V.; en

2. V.O.F. Firma A, beiden te X, appellanten,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 16 januari 2004, welke diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 december 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen een besluit van 2 juni 1999, genomen op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.

Bij brief van 17 februari 2004 hebben appellanten het beroep van gronden voorzien.

Op 12 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 november 2005 heeft verweerder zijn eerdere besluit van 8 december 2003 herzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2005, waarbij appellanten bij monde van hun gemachtigde hun standpunt hebben toegelicht. Verweerder is, zoals voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Raadsverordening: Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90);

b. Commissieverordening: Verordening nr. 805/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1999 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van de Raadsverordening (PbEG L 102/64);

c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

(…)

Artikel 4

Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de Commissieverordening, speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Raadsverordening op (…)."

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde Raadsverordening is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "onderneming" verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.

(…)

Artikel 4

1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de "oud voor nieuw"-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip:

- ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde "verhouding" tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld;

- ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt.

2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: drogeladingschepen, tankschepen en duwboten.

De verhouding wordt geleidelijk verlaagd zodat zij zo spoedig mogelijk in gelijke etappes en uiterlijk op 29 april 2003 tot nul wordt teruggebracht.

Zodra de verhouding nul is geworden, wordt de regeling tot een waakmechanisme, dat alleen kan worden gereactiveerd bij ernstige verstoring van de markt, overeenkomstig artikel 6.

3. De eigenaar van het schip moet zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen:

- op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen twaalf maanden daarna in de vaart wordt genomen, of

- op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht.

Deze keuze van het moment moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd.

Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht.

(…)"

De in artikel 1 van de Wet bedoelde Commissieverordening luidde in mei 1999 onder meer als volgt:

"SPECIALE BIJDRAGEN

Artikel 2

1. De grootte van de speciale bijdragen voor de verschillende typen en categorieën schepen wordt op basis van 70 tot 115 % van onderstaande tarieven bepaald:

- Droge ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 120 EUR/ton,

- vrachtduwbakken: 60 EUR/ton,

- sleepvrachtschepen: 43 EUR/ton,

- Tankschepen:

- motortankschepen: 216 EUR/ton,

- tankduwbakken: 108 EUR/ton,

- sleeptankschepen: 39 EUR/ton.

- Duwboten:

180 EUR/kW, met een lineaire verhoging tot 240 EUR/kW voor een motorvermogen van 1000 kW of meer.

2. - Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de maximumtarieven van de in lid 1 bedoelde speciale bijdragen verlaagd met 30 %.

- Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder dan 650 ton bedraagt.

- Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen lineair verhoogd van 100 tot 115 %; voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen gehandhaafd op 115 %.

3. (…)

"OUD VOOR NIEUW"-VERHOUDINGEN

Artikel 4

Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 718/1999 vermelde voorwaarde:

1. Voor droge ladingschepen wordt de verhouding vastgesteld op 1:1 (verhouding tussen de oude en de nieuwe tonnage).

2. Voor tankschepen wordt de verhouding vastgesteld op 1,30:1.

3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op 0,75:1."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 1 december 1998 heeft Scheepvaartmaatschappij B B.V. te Y de eigendom van het reeds in aanbouw zijnde motorvrachtschip "Elunda" verkregen.

- Op 8 december 1998 is de eigendom van de in aanbouw zijnde "Elunda" overgegaan op Knossos B.V. (hierna ook: Knossos), destijds gevestigd te Rotterdam.

- Op 15 januari 1999 heeft V.O.F. Firma A te X (hierna ook: de Vof) de nog steeds in aanbouw zijnde "Elunda" van Knossos gekocht.

- Blijkens een meetbrief d.d. 25 mei 1999 (kenmerk: HN 7347) is het maximum laadvermogen (verplaatsing in m3) in tonnen in zoetwater (dichtheid van 1) van de "Elunda" 2.108,465 ton. De "Elunda" is ondergeijkt.

- De "Elunda" (brandmerk: 23957 BR 1998) is medio mei 1999 in de vaart gebracht.

- Bij besluit van 2 juni 1999 (kenmerk: RVI-MO-B/B0022) heeft verweerder Knossos een speciale bijdrage opgelegd voor het in de vaart brengen van de "Elunda". Na aftrek van een vanwege de sloop van de motorvrachtschepen "Eenhoorn, "Wittorf" en het motorschip "Arena" vastgestelde compensatiewaarde droge lading, is de hoogte van de te betalen speciale bijdrage berekend op f 28.296,00 (€ 12.840,00).

- Op 4 juni 1999 is de eigendom van de "Elunda" overgegaan op de Vof.

- Tegen het besluit van 2 juni 1999 hebben appellanten bij brief van 2 juli 1999, aangevuld bij brief van 9 november 1999, bezwaar gemaakt.

- Op 9 augustus 1999 heeft Knossos het bedrag van de opgelegde speciale bijdrage op rekening van verweerder gestort.

- Op 22 december 1999 zijn appellanten naar aanleiding van de ingediende bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Dit besluit is op naam van beide appellanten gesteld.

3. Het bestreden besluit en het nadere besluit van 24 november 2005

Bij het bestreden besluit heeft verweerder Knossos niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij het besluit van 2 juni 1999 aangemerkt en haar om die reden niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen dat besluit. Voorts heeft verweerder het bezwaar van de Vof ongegrond verklaard.

Bij het besluit van 24 november 2005 heeft verweerder de met het in de vaart nemen van de "Elunda" verschuldigde oud-voor-nieuw verplichtingen nader berekend in overeenstemming met de uitspraak van het College van 15 oktober 2003 (AWB 02/1763, www.rechtspraak.nl, LJN: AN8972). Anders dan in het bestreden besluit het geval was, heeft hij van de gesloopte schepen niet hun compensatiewaarde in aanmerking genomen en deze in aftrek gebracht van de te betalen bijdrage, maar heeft hij de gesloopte tonnen in aftrek gebracht van de in de vaart gebrachte tonnage. Het resultaat van de berekening is dat nog een tegoed aan compenserende tonnage (motorvrachtschepen) van 41,468 ton is vastgesteld.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben in beroep het volgende aangevoerd.

Het bezwaar van Knossos is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Knossos heeft de "Elunda" in de vaart gebracht en heeft de speciale bijdrage aan verweerder betaald. Zij is dus belanghebbende bij het besluit tot oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen.

De Vof is eveneens belanghebbende bij dat besluit, omdat zij zich bij de aankoop van de "Elunda" heeft verbonden de ten laste van Knossos op te leggen oud-voor-nieuw verplichtingen aan Knossos te vergoeden.

Appellanten handhaven, ook na kennisneming van het besluit van 24 november 2005, hun grief tegen de berekening van de oud-voor-nieuw verplichtingen. Verweerder heeft de hoeveelheid gesloopte tonnage van de motorvrachtschepen "Eenhoorn", "Wittorf" en het motorschip "Arena" aanvankelijk vastgesteld op 2.318 ton. Tegen deze vaststelling hebben appellanten geen bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 24 november 2005 is verweerder bij de berekening van de oud-voor-nieuw verplichtingen evenwel uitgegaan van een gesloopt tonnage van 2.149,933 ton. Deze handelwijze van verweerder is, volgens appellanten, in strijd met het verbod van reformatio in peius.

Ter zitting van het College hebben appellanten aangeven de grief ten aanzien van de gestelde strijdigheid van de oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsmede de grief ten aanzien van betwisting van verweerders bevoegdheid om een speciale bijdrage in een fonds te doen storten, niet langer te handhaven.

Voorts hebben appellanten tijdens de mondelinge behandeling het verzoek om verweerder bij deze uitspraak tot betaling van een schadevergoeding te veroordelen ingetrokken. Zij behouden zich echter wel uitdrukkelijk het recht voor zich na de uitspraak met een schadevordering tot verweerder te wenden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft het bezwaar van Knossos bij het bestreden besluit van 8 december 2003 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan verweerder beschouwt het College Knossos wel als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb bij het besluit van 2 juni 1999. Het besluit van 2 juni 1999 richt zich terecht tot Knossos, aangezien Knossos ten tijde van het in de vaart brengen eigenaar was van de "Elunda" en volgens artikel 4 van de Raadsverordening op de eigenaar de verplichting rust tot het voldoen van de oud-voor-nieuw verplichtingen. Het belang van Knossos is dan ook rechtstreeks bij het besluit van 2 juni 1999 betrokken. Dit betekent dat het beroep van Knossos gegrond moet worden verklaard en het besluit van 8 december 2003 moet worden vernietigd, voorzover Knossos niet-ontvankelijk is verklaard.

De Vof daarentegen is door verweerder ten onrechte in haar bezwaar tegen het besluit van 2 juni 1999 ontvangen. Het belang van de Vof is niet rechtstreeks maar indirect, via de contractuele relatie met Knossos, bij dit besluit betrokken. Dit leidt ertoe dat ook het beroep van de Vof gegrond moet worden verklaard, hetgeen meebrengt dat zowel het besluit van 8 december 2003 moet worden vernietigd als het nadere besluit van 24 november 2005, waartegen het beroep ingevolge artikel 6:19 Awb mede geacht wordt te zijn gericht. Het College zal de Vof met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar bezwaar.

5.2 Aangezien de grieven van Knossos dezelfde zijn als die welke de Vof tegen het bestreden en het nadere besluit van 24 november 2005 naar voren heeft gebracht en verweerder deze bezwaren inhoudelijk heeft beoordeeld, zal het College nagaan of er aanleiding is de rechtsgevolgen in stand te laten, zodat verweerder niet opnieuw op het bezwaar van Knossos zou hoeven te beslissen. Daartoe overweegt het College als volgt.

Uit het nadere besluit van 24 november 2005 volgt dat verweerder het besluit van 8 december 2003 ten aanzien van de berekening van de speciale bijdrage niet langer onverkort handhaaft. Ook om die reden dient het besluit van 8 december 2003 te worden vernietigd.

In het nadere besluit heeft verweerder niet anders gedaan dan de oud-voor-nieuw verplichtingen alsnog vast te stellen overeenkomstig de geldende communautaire regelgeving. Dat daardoor de hoeveelheid compenserende tonnage in verband met de sloop van de "Eenhoorn", de Wittorf' en de "Arena" lager is vastgesteld dan in het besluit van 2 juni 1999 is berekend, levert geen reformatio in peius op. Immers, blijkens het nadere besluit heeft Knossos teveel compenserende tonnage gesloopt en was, bij nader inzien, de oplegging van de speciale bijdrage niet terecht. Ten opzichte van het besluit van 2 juni 1999 (het startpunt van de onderhavige procedure) is Knossos derhalve in een gunstiger positie komen te verkeren. De enig overblijvende grief van Knossos kan derhalve niet slagen.

5.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het College zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het nadere besluit van 24 november 2005, te weten dat aan de eigenaar van het in de vaart gebrachte schip een bepaald tegoed aan compenserende tonnage (motorvrachtschepen) toekomt, in stand blijven. Dit betekent dat verweerder niet opnieuw op het bezwaar van Knossos hoeft te beslissen.

5.4 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellanten. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 in verband met een zaak met een gemiddeld gewicht, ad € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van Knossos B.V. tegen het besluit van 8 december 2003 gegrond;

- vernietigt dit besluit, voorzover het bezwaar van Knossos B.V. niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het beroep van V.O.F. Firma A tegen de besluiten van 8 december 2003 en 24 november 2005 gegrond en

vernietigt deze besluiten;

- verklaart het bezwaar van V.O.F. Firma A tegen het besluit van 2 juni 1999 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 december 2003;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 november 2005 in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten vergoedt het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal

€ 232,-- (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener