Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV2113

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
21-02-2006
Zaaknummer
AWB 04/418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants 40
Wet op de Registeraccountants 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/418 31 januari 2006

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A Algemeen Bouwbedrijf B.V., te X,

gemachtigde: mr. R.A.H. Post, advocaat te Breda,

appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te ’s-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 22 maart 2004.

1. De procedure

Bij brief van 23 maart 2004 heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van zijn beslissing van 22 maart 2004, gegeven op een klacht, op 4 juli 2002 ingediend door appellante tegen B RA, C RA en D RA (hierna: betrokkenen).

Bij brief van op 18 mei 2004, door het College ontvangen op 19 mei 2004, heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 2 juli 2004 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 3 september 2004 hebben betrokkenen hun reactie op het beroepschrift gegeven.

Op 29 november 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen de gemachtigde van appellante en H, directeur van appellante (hierna: H), alsmede C RA, D RA en mr. A.R. Sturhoofd, advocaat te Amsterdam, gemachtigde van betrokkenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ter zitting is uitgebreid als vermeld in 3.1 onder B van de bestreden tuchtbeslissing en voor het overige ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellante heeft in haar beroepschrift een overzicht opgenomen van hetgeen, naar de mening van appellante, in aanvulling op het door de raad van tucht als uitgangspunt genomen feitencomplex, als vaststaand tussen partijen dient te worden beschouwd. Tevens heeft appellante in beroep nieuwe stukken overgelegd, te weten de jaarrekeningen over 1998, 1999 en 2000 met de afgegeven accountantsverklaringen van B (1998 en 1999) en C en D (2000).

Het College stelt vast dat het door appellanten gegeven overzicht een herhaling en een nadere uitwerking inhoudt van de aan de bestreden tuchtbeslissing ten grondslag liggende feiten. De in beroep overgelegde stukken vormen een nadere onderbouwing van de feiten zoals die zijn weergegeven in de tuchtbeslissing. Het College gaat uit van de feiten zoals vastgesteld in de bestreden tuchtbeslissing en nader aangevuld zoals hiervoor bedoeld.

3.2 Appellante heeft zich in beroep gericht tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring door de raad van tucht. Appellante stelt in dit verband dat de Wet RA geen specifieke eisen stelt inzake de formulering van een klacht en de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring niet kent, terwijl overigens geen sprake was van een uitbreiding van de klacht, maar van een verduidelijking en kwalificatie van de inhoud van de klacht.

Het College overweegt dat de in § 3.1 onder B van de bestreden tuchtbeslissing opgenomen klachtonderdelen niet in het klaagschrift of in de repliek van 7 februari 2003 zijn opgenomen of daaruit kunnen worden afgeleid, zodat vastgesteld moet worden dat de betreffende klachtonderdelen eerst ter zitting van de raad van tucht naar voren zijn gebracht. Naar het oordeel van het College, heeft de raad van tucht zich terecht op het standpunt gesteld dat deze onderdelen dienen te worden beschouwd als uitbreidingen van de klacht, aangezien de onderdelen betrekking hebben op specifiek handelen en nalaten van betrokkenen, welk handelen en nalaten wezenlijk andere verwijten opleveren dan in het klaagschrift en de repliek gesteld en in § 3.1 onder A van de bestreden tuchtbeslissing opgenomen. Het College overweegt voorts dat uit zijn vaste jurisprudentie volgt dat de beginselen van een behoorlijke tuchtprocedure, waaronder het verdedigingsbeginsel, eraan in de weg staan dat een eerst ter zitting van de raad van tucht geformuleerd klachtonderdeel in de beoordeling wordt betrokken (zie onder meer de uitspraken van het College van 12 juni 2001, AWB 99/959, < www.rechtspraak.nl >, LJN AB2217 en 25 oktober 2001, AWB 00/61 en 00/72, < www.rechtspraak.nl >, LJN AD4959). Het College is dan ook van oordeel dat de raad van tucht op juiste gronden heeft geoordeeld dat de in § 3.1 onder B van de bestreden tuchtbeslissing weergegeven klachtonderdelen een uitbreiding van de klacht behelzen die in strijd is met een goede procesorde vanwege de omstandigheid dat betrokkenen niet in de gelegenheid zijn geweest zich tegen de uitbreiding teweer te stellen, zodat de raad deze buiten beschouwing kon laten.

Met betrekking tot hetgeen appellante in dit verband nog heeft gesteld, namelijk dat de Wet RA de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring niet kent, overweegt het College nog het volgende. De Wet RA voorziet niet met zoveel woorden in de mogelijkheid dat de raad van tucht een klacht of klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaart. Artikel 40, eerste lid, Wet RA bepaalt dat de raad van tucht een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar in behandeling neemt, hetzij op een bij de raad ingediende klacht, hetzij op verzoek van het bestuur van de Orde (het NIVRA), hetzij ambtshalve. Zoals volgt uit hetgeen het College reeds in eerdere uitspraken heeft overwogen, betekent zulks niet dat het de raad van tucht niet zou vrijstaan om in daarvoor in aanmerking komende gevallen (een aanvulling van) een klacht buiten behandeling te laten, bijvoorbeeld omdat algemene beginselen van zorgvuldig procederen zich tegen het in behandeling nemen verzetten. Naar algemeen juridisch taalgebruik leidt dit doorgaans tot de formulering dat de klacht of het klachtonderdeel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Zoals het College onder meer in de eerder aangehaalde uitspraak van 25 oktober 2001 heeft overwogen, verdient het aanbeveling ten aanzien van een klachtonderdeel waarvan blijkt dat deze buiten behandeling moet blijven, in het dictum te bepalen dat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. Dit, vanwege de omstandigheid dat de Wet RA, meer in het bijzonder artikel 52, eerste lid, van deze wet, niet spreekt over niet-ontvankelijkverklaring van een klacht, zodat misverstand over de beroepsmogelijkheid van een niet-ontvankelijk verklaard(e) klacht(onderdeel) kan ontstaan. Een tuchtbeslissing inhoudende het buiten behandeling laten of stellen van een bij de raad van tucht ingediend(e) klacht(onderdeel) is immers, gelet op de strekking van artikel 52 van de Wet RA, voor de toepassing van dat artikel gelijk te stellen met een ongegrondverklaring van het in de klacht besloten bezwaar en derhalve, volgens vaste jurisprudentie van het College, beroepbaar bij het College. Dat de raad van tucht in het voorliggende geschil deze aanbeveling niet heeft gevolgd, kan evenwel zonder gevolg blijven nu het bedoelde misverstand zich niet heeft voorgedaan, overigens ondanks het feit dat bij de brief waarmee de raad van tucht de beslissing aan appellante heeft toegestuurd, in weerwil van deze aanbeveling is opgemerkt dat appellante, voor zover de klacht ongegrond is verklaard, de mogelijkheid heeft hoger beroep in te stellen bij het College.

De grief faalt derhalve.

3.3 Appellante betoogt vervolgens dat de raad van tucht de klacht ten onrechte beperkt door daarin slechts te lezen het verzuim van betrokkenen om de verkeerde handelwijze van de administrateur van appellante te melden aan de directie. Naar stelling van appellante ligt aan de klacht ten grondslag de schending van het vertrouwen dat appellante heeft gemeend te kunnen stellen in de werkzaamheden van betrokkenen in die zin dat de jaarrekening een getrouw beeld dient te geven van de vermogenstoestand en dat aan de accountantsverklaring het vertrouwen kan worden ontleend dat de vennootschap, de directie en de administratieve organisatie in overeenstemming hebben gehandeld met de relevante wet- en regelgeving.

Het College stelt vast dat deze aspecten geen onderdeel waren van de klacht die appellante bij de raad van tucht heeft ingediend, zodat de bestreden tuchtbeslissing hierop terecht geen betrekking heeft. Hetgeen door appellant ter zake is gesteld kan dan ook geen grond vormen voor aantasting van die beslissing. Voor zover appellant heeft beoogd met deze argumenten (het resultaat van) de werkzaamheden van betrokkenen in verband met de jaarrekening(en) alsnog aan de orde te stellen, moet dat in deze beroepsprocedure buiten beschouwing blijven, aangezien in de procedure in beroep niet kan worden getreden buiten de grenzen van de klacht zoals die aan de raad van tucht is voorgelegd.

Ook deze grief faalt derhalve.

3.4 Het College stelt vast dat de grieven inhoudende de vermeende beperking door de raad van tucht van haar oordeel tot de boekjaren 1996 en 1997 en het vermeende voorbijzien door de raad van tucht aan de omstandigheid dat betrokkenen bij de samenstelling en controle van de jaarrekeningen moeten zijn gestuit op stelselmatige onregelmatigheden zonder daarvan melding te doen, berusten op een onjuiste lezing van § 5.2 van de bestreden tuchtbeslissing, aangezien de raad van tucht in deze paragraaf eveneens de jaren na 1997 betrekt. De raad verbindt aan het in latere jaren niet terugkomen op de problematiek echter geen consequenties. De grieven missen derhalve feitelijke grondslag, zodat zij falen.

3.5 Ten aanzien van hetgeen appellante heeft gesteld met betrekking tot de omstandigheid dat de raad van tucht ten onrechte als onbetwist heeft aangemerkt dat de totale verplichting van appellante voor omzetbelasting telkens correct in de jaarrekening is opgenomen, overweegt het College dat uit de aan die stelling van de raad van tucht voorafgaande overwegingen valt af te leiden dat de raad van tucht kennelijk heeft bedoeld te stellen dat niet in geschil is dat de betreffende verplichting van appellante volledig in de jaarrekening is opgenomen. Het College stelt vast dat deze kennelijke verschrijving niet dragend is voor het oordeel van de raad van tucht en is derhalve van oordeel dat de verschrijving zonder gevolg kan blijven. Hetgeen appellante heeft gesteld ten aanzien van de vraag of de betreffende verplichting al dan niet correct was, kan, gezien het bovenstaande, buiten beschouwing blijven, zodat ook deze grief faalt.

3.6 Ten slotte bestrijdt appellante het uitgangspunt van de raad van tucht dat betrokkene B in de jaren 1996 en 1997 “bij herhaling de kwestie van de onjuiste BTW-aangiften aan de orde heeft gesteld”. Appellante meent dat van betrokkenen verwacht had mogen worden dat zij in de periode c.q. de jaren na de meldingen van betrokkene B op 14 mei 1996 en 16 mei 1997, in hun controle zouden hebben toegezien op de juiste verzorging van de aangiften en afdrachten en dat zij de directie, commissarissen en aandeelhouders uitdrukkelijk en aanstonds op de hoogte zouden stellen indien de eerder gesignaleerde onjuiste handelwijze onverminderd zou worden voortgezet.

Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht terecht geoordeeld dat, ook al was het zorgvuldiger geweest in latere jaren terug te komen op de BTW-problematiek, betrokkene B heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen in het kader van de aan hem verleende opdracht tot controle van de jaarrekening, onder meer gelet op de Richtlijnen voor de Accountantscontrole (met name RAC 250), verwacht mocht worden ter zake van het informeren van appellante over onregelmatigheden die hem in de uitvoering van de opdracht ter kennis kwamen. Het College acht in dit verband mede van belang de verantwoordelijkheid van de leiding van de onderneming voor de kwaliteit van de administratie in samenhang met de omstandigheid dat een commissaris na de melding op 16 mei 1997 uitdrukkelijk heeft toegezegd overleg te zullen plegen met de administratie over de verzorging van de BTW-aangiften. Ter zitting van het College heeft directeur van appellante, H, benadrukt dat de klacht met name is ingegeven door de omstandigheid dat hij na de overname van appellante verrast werd door een FIOD-onderzoek en de daarbij geconstateerde structurele fouten in de BTW-afdracht. Dit heeft zijn vertrouwen in betrokkenen geschonden, met name omdat hij er vanuit meent te mogen gaan dat een accountant blijft waarschuwen voor onregelmatigheden in de administratie. Hoewel te begrijpen valt dat H door de door hem geschetste gang van zaken bijzonder onaangenaam werd verrast, ziet het College, gelet op het hiervoor overwogene, en met name gelet op hetgeen door de mededelingen ter zake van betrokkene B bij de leiding van de onderneming over de BTW-administratie reeds bekend verondersteld mocht worden, geen plaats voor het oordeel dat betrokkenen zozeer een eigen verantwoordelijkheid voor het onder de aandacht brengen van deze BTW-problematiek hadden, dat zij door het achterwege laten van verdere waarschuwingen in strijd met artikel 5 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants zouden hebben gehandeld.

Deze grief kan derhalve evenmin slagen.

3.7 De hierna de vermelden beslissing berust op titel II, artikelen 40 en 52 van de Wet RA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Graefe

984/02.31

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A Algemeen Bouwbedrijf B.V.,

gevestigd te X,

klaagster;

C O N T R A:

1. B RA,

voorheen kantoorhoudende te Y,

2. C RA,

kantoorhoudende te Z,

3. D RA,

kantoorhoudende te Y,

verweerders,

gemachtigde: mr. A.R.S. Sturhoofd, advocaat te Amsterdam.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken te weten de klacht van 4 juli 2002, het verweer van 8 november 2002, de repliek van 7 februari 2003, de dupliek van 11 juni 2003 en de door de partijen voorafgaande aan de zitting overgelegde stukken.

1.2 De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 8 december 2003, alwaar zijn verschenen H namens klaagster, bijgestaan door mr. L.J.D. Smits, advocaat te Breda, alsmede verweerders, bijgestaan door hun gemachtigde. Beide raadslieden hebben pleitnotities overgelegd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Verweerders worden hierna respectievelijk aangeduid als B, C en D.

2.2 Vanaf boekjaar 1994 tot en met boekjaar 1999 heeft B van klaagster opdracht gehad tot controle van haar jaarrekening.

2.3 B voerde de opdracht van 1994 tot 1997 uit vanuit zijn kantoor B Accountants te Y. Dat kantoor is in 1997 overgenomen door I Accountants- Belastingadviseurs -Juristen, hierna te noemen: I.

2.4 De controle van de jaarrekening 2000 van klaagster is uitgevoerd door C en D, beiden werkzaam ten kantore van I.

2.5 Klaagster heeft de opdracht in september 2001 ingetrokken.

2.6 Begin 2002 heeft de FIOD een onderzoek ingesteld naar de administratie van klaagster.

2.7 Uit dit onderzoek is gebleken dat de administrateur van klaagster vanaf 1996 onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft voorbereid, welke door de directie van klaagster zijn ondertekend. In die aangiften waren vooruitbetaalde termijnen van opdrachtgevers van klaagster niet correct verwerkt. De betreffende termijnen werden telkenjare in een suppletie aangifte verwerkt.

2.8 B heeft bij brief van 14 mei 1996, houdende de bevindingen inzake de jaarrekening 1995, aan de directie en commissarissen van klaagster ondermeer gerapporteerd betreffende het niet correct verwerkt zijn van vooruitbetaalde termijnen van opdrachtgevers.

2.9 In de vergadering van aandeelhouders, gehouden op 16 mei 1997, waarin de jaarstukken 1996 zijn besproken en vastgesteld, is door B een toelichting gegeven ondermeer ten aanzien van de suppletieaangifte BTW.

2.10 De jaarlijks door klaagster af te dragen omzetbelasting voor de jaren 1994 tot en met 2000 is steeds volledig in de jaarrekening verantwoord.

3. KLACHT

3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:

A. Klaagster verwijt verweerders een misslag in de beroepsuitoefening te hebben gemaakt door na te laten de verkeerde handelwijze van de administrateur te melden aan de directie. Volgens klaagster hebben verweerders daardoor onzorgvuldig gehandeld en niet conform de algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten.

B. Ter zitting heeft klaagster aangevoerd dat zij ook klaagt over:

- het jaar in jaar uit niet overeenstemmen van de door de vennootschap

verrichte BTW- afdrachten en suppletieaangiften met de financiële admi-

nistratie ( en het mitsdien sanctioneren van onjuiste BTW-afdrachten);

- het geven in de jaarrekeningen van een misleidende voorstelling van zaken;

- het jaar in jaar uit achterwege laten van een adequate afloopcontrole;

- het niet naleven van de controlerichtlijnen voor accountants;

- het scheppen van een situatie, waarin de vennootschap en haar directie het risico liepen van financiële en strafrechtelijke sancties.

4. VERWEER

Verweerders hebben tot hun verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1 Voorop staat dat de leiding van de huishouding de verantwoordelijkheid draagt dat de activiteiten van de huishouding worden verricht in overeenstemming met wet en regelgeving. De jaarlijks door klaagster af te dragen omzetbelasting is voor de jaren 1994 tot en met 2000 steeds correct en volledig in de jaarrekening verantwoord. De klacht heeft dan daarop terecht geen betrekking.

4.2 De constructie met betrekking tot de afdracht van vooruitbetaalde BTW is afkomstig van de voormalige directeur van klaagster.

4.3 B heeft in 1995 aan die voormalige directeur aangegeven dat de constructie in strijd was met de fiscale regelgeving omtrent het tijdstip waarop BTW dient te worden afgedragen.

Over de kwestie is destijds advies ingewonnen bij Loyens & Volkmaars omdat de voormalige directeur het niet eens was met de zienswijze van B. Het advies kwam overeen met dat van B.

4.4 B heeft zowel mondeling als schriftelijk, te weten in zijn brief van 14 mei 1996 inzake de jaarrekening 1995 en in de gecombineerde RvC/AvA/directievergadering van 16 mei 1997, melding gemaakt van de onjuiste handelwijze. De huidige algemeen directeur van klaagster was bij de vergadering aanwezig.

Volgens de notulen van die vergadering zou de ter vergadering aanwezige commissaris zelf actie ondernemen. Klaagster heeft echter de gehanteerde systematiek voortgezet.

4.5 C en D zijn uitsluitend betrokken geweest bij de controle van de jaarstukken 2000. Zij hebben bij hun controle een afwijking met betrekking tot de suppletieaangiften omzetbelasting ten opzichte van de in werkelijkheid verschuldigde omzetbelasting geconstateerd. Op grond van een door hun verrichte risicoanalyse bestond er geen aanleiding om hiervan in het voorjaar 2001 melding te maken aan de directie van klaagster.

Daar de opdracht aan I in september 2001 door klaagster is beëindigd zijn C en D niet meer in de gelegenheid geweest om het punt van te weinig afgedragen omzetbelasting tijdens een interim-controle mee te nemen.

4.6 Ter zitting hebben verweerders de Raad verzocht om de toevoegingen aan de klacht, gemaakt in het pleidooi van klaagsters raadsman, niet-ontvankelijk te verklaren.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 De Raad zal de klacht beoordelen zoals deze door klaagster bij het inleidend klaagschrift is geformuleerd en zoals deze hierboven als klacht A is weergegeven. De Raad acht de uitbreidingen van de klacht, welke klaagster ter zitting heeft geformuleerd, in strijd met de eisen van een goede procesorde, daar klaagster deze niet eerder dan ter zitting heeft geformuleerd. Anders dan klaagster ter zitting heeft betoogd is de Raad van oordeel dat de uitbreidingen van de klacht niet reeds in de repliek zijn te lezen. Klaagster heeft bij repliek wel gereageerd op de inhoud van het verweerschrift van verweerders, maar heeft daarbij geen nieuwe klachten geformuleerd.

De Raad zal klaagster dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betreft de uitbreidingen van de klacht ter zitting, hierboven weergegeven als klacht B.

5.2 Gebleken is dat B in de jaren 1996 en 1997 bij herhaling de kwestie van de onjuiste BTW aangiften aan de orde heeft gesteld bij de directie, aandeelhouders en commissarissen van klaagster. In de bij de feiten aangehaalde brief van 14 mei 1996 heeft B erop gewezen dat de suppletie omzetbelasting over het jaar 1995 het gevolg was van vooruitbetaalde termijnen van opdrachtgevers die niet correct verwerkt waren. Uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 16 mei 1997, waarbij onder meer aanwezig waren de commissarissen van klaagster, de voormalige directeur/aandeelhouder en de huidige directeur/aandeelhouder van klaagster, blijkt dat verweerder de suppletieaangifte BTW aan de orde heeft gesteld en dat één van de aanwezige commissarissen heeft toegezegd daarover overleg te zullen plegen met de administrateur.

In aanmerking wordt genomen dat het de opdracht van verweerder was de jaarrekening te controleren en daarbij een verklaring af te geven. Daarnaast mocht klaagster, als opdrachtgeefster, van verweerder verwachten dat hij rapporteerde over onregelmatigheden die hem in de uitvoering van zijn opdracht ter kennis kwamen, ook als die niet in de weg stonden aan de afgifte van de accountantsverklaring. De Raad is van oordeel dat verweerder dienovereenkomstig gehandeld heeft door de BTW problematiek bij herhaling aan de orde te stellen, ook al was het zorgvuldiger geweest indien verweerder er in latere jaren op was teruggekomen.

Daar het de verantwoordelijkheid van de leiding van de onderneming is zorg te dragen dat de administratie van de onderneming, daaronder begrepen het verzorgen van BTW aangiften, naar behoren wordt gevoerd, kan gelet op het vorenstaande aan verweerder geen verwijt worden gemaakt van het voortduren van de gesignaleerde situatie, zeker gelet op de uitdrukkelijke toezegging van een commissaris om over een en ander overleg te zullen plegen met de administrateur. Als onbetwist staat vast dat de totale verplichting van klaagster voor de omzetbelasting telkens correct in de jaarrekening is opgenomen, zodat de klacht zich terecht niet daartegen richt.

5.3 Nu de Raad blijkens het voorgaande van oordeel is dat de directie van klaagster voldoende op de hoogte is gesteld van de BTW problematiek, acht de Raad geen grond aanwezig om ten aanzien van C en D anders te oordelen dan ten aanzien van B.

De Raad acht de klacht jegens elk van verweerders ongegrond.

5.4 De hierna vermelde uitspraak berust op artikel 33 Wet op de Registeraccountants.

6. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht voor zover deze ter zitting is uitgebreid als hiervoor vermeld onder 3.1 B;

- Verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, plv. voorzitter, drs. H. den Boer RA en W. de Bruijn RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, adj. secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2004 door mr. E.M.H. Pieters, voorzitter.

adj. secretaris plv. voorzitter