Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV1539

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
13-02-2006
Zaaknummer
AWB 03/590en591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Compenserende heffing

Rozijnen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/590 en 03/591 27 januari 2006

5081 Compenserende heffing

Rozijnen

Uitspraak in de zaken van:

Catz International B.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: mr. A.C.M. Stoop, werkzaam bij PriceWaterhouseCoopers,

tegen

de Inspecteur van de Belastingdienst, Douane Kantoor Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Birkhof, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 mei 2003, bij het College binnengekomen op 26 mei 2003, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 14 april 2003.

Bij deze besluiten is beslist op bezwaarschriften van appellante tegen uitnodigingen tot betaling van compenserende landbouwheffingen (hierna: UTB’s) van 31 augustus 2000.

Appellante heeft bij brief van 30 juni 2003 de gronden van haar beroepen aangevuld.

Bij brief van 29 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 17 november 2003 gevraagd een conclusie van repliek te mogen indienen. Bij brief van 18 december 2003 heeft zij verklaard hiervan af te zien.

Bij brief van 22 juli 2004 heeft het College aan verweerder nadere stukken gevraagd. Bij brief van 18 augustus 2004 heeft verweerder deze ingediend.

Het College heeft verweerder bij brief van 31 januari 2005 een vraag voorgelegd, die bij brief van 14 februari 2005 is beantwoord.

Verweerder heeft bij brief van 1 maart 2005 door het College opgevraagde stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2005 en is vervolgens gesloten.

Bij beschikking ex artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van

10 juni 2005 heeft het College het vooronderzoek heropend en appellante om een toelichting gevraagd op de grootboekrekening 329800.

Appellante heeft bij schrijven van 5 juli 2005 de gevraagde toelichting gegeven en daartoe ook stukken overgelegd.

Verweerder heeft bij brief van 26 augustus 2005 gereageerd en nadere stukken overgelegd.

Op 16 december 2005 is het beroep opnieuw ter zitting behandeld, waarbij de gemachtigden de respectieve standpunten hebben toegelicht en voorts namens appellante P. Veltenaar en namens verweerder E. Lugthart het woord hebben gevoerd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, bepaalt onder meer het volgende:

" Artikel 9

1. Voor de in bijlage 1, deel b, genoemde produkten wordt voor ieder verkoopseizoen een minimumprijs bij invoer ingesteld.

2. De minimumprijs bij invoer wordt vastgesteld met inachtneming van met name:

- de prijs franco grens bij invoer in de gemeenschap,

- de wereldmarktprijzen,

- de situatie op de markt van de gemeenschap,

- de ontwikkeling van het handelsverkeer met derde landen.

3. Indien de minimumprijs bij invoer niet wordt nageleefd, wordt naast het douanerecht een compenserende heffing toegepast die wordt berekend op basis van de prijzen die door de voornaamste derde landen die deze produkten leveren, worden toegepast.

(…). "

Bijlage 1

Deel b

In artikel 9 bedoelde produkten

(…) 08.04 b rozijnen en krenten (…)"

Artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2089/85 van de Raad van 23 juli 1985 tot vaststelling van de algemene voorschriften met betrekking tot het stelsel van minimumprijzen bij invoer van krenten en rozijnen, luidt als volgt:

" De bij invoer in acht te nemen minimumprijs is de minimumprijs die van toepassing is op de dag van invoer. De eventueel toe te passen compenserende heffing is de heffing die op dezelfde dag van toepassing is."

Artikel 220 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb L 302, blz. 1, hierna: CDW) luidt als volgt:

"1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.

2. Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:

a) het oorspronkelijke besluit om de rechten niet te boeken of een lager bedrag te boeken dan het wettelijk verschuldigde bedrag is genomen op grond van algemene bepalingen die naderhand bij een rechterlijke uitspraak ongeldig zijn verklaard;

b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;

c) de volgens de procedure van het comité vastgestelde bepalingen de autoriteiten ontheffing verlenen van boeking achteraf van bedragen aan rechten die kleiner zijn dan een bepaald bedrag."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante houdt zich onder meer bezig met de import van rozijnen vanuit Turkije.

- In 1996 heeft een douane-expediteur een aantal aangiften ten invoer in het vrije verkeer gedaan voor zendingen rozijnen, waarbij appellante als geadresseerde is vermeld.

- In het kader van de communautair voorgeschreven nacontrole heeft het Landelijk Waardeteam (LWT) bij appellante een controle ingesteld, onder meer over de naleving van de vastgestelde minimuminvoerprijs voor krenten en rozijnen (hierna: MIP) in het jaar 1996.

- Tijdens deze controle is het vermoeden gerezen dat de MIP was ontdoken.

- Dit heeft geleid tot het afbreken van de controle en het instellen van een onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD).

- De externe accountant van appellante heeft in een working paper, daterend uit maart 1997, opgemerkt dat het resterende bedrag op grootboekrekening 329800 betrekking heeft op het nog te ontvangen bedrag inzake rozijnen. Daarnaast wordt verwezen naar een zogenoemde Issue. Deze Issue bevat onder meer de volgende passage:

" In 1996 vindt afloop plaats van een aantal contracten uit 1995. De vordering inzake de levering van rozijnen uit Turkije neemt daardoor toe van NLG 176 K uit 1995 tot NLG 486 K uit 1996. Catz garandeert ons dat in 1996 geen nieuwe dergelijke contracten zijn afgesloten en dat "dit verhaal" (meewerken aan het ontduiken van importheffingen) nu, conform de in het verleden gemaakte afspraken, echt afgelopen is. "

- Het naar aanleiding van het FIOD-onderzoek op 30 juni 2000 opgemaakte, zogenaamde Overzichtsprocesverbaal, bevat onder meer de volgende passages:

" 2.3. Boekingen op 329800 van Keren in 1996.

Uit onderzoek van de grootboekrekening 329800 Bonussen en provisie zuidvruchten over 1996 komt naar voren dat met als omschrijving Keren zeven bedragen met een totaalbedrag van f 151.786 als "ontvangen" provisie is geboekt. (…).

Gezien de verwerking van de IMEX facturen rijst het vermoeden dat de facturen van Keren op dezelfde wijze zijn verrekend met cheques als de IMEX facturen in 1994 en 1995. Vermoedelijk heeft Catz de van de Turkse leveranciers ontvangen cheques,- voor het verschil tussen de MIP en de marktprijs, zelf naar Keren gestuurd. Ook is het mogelijk dat Catz aan haar Turkse leveranciers de opdracht heeft gegeven de cheques, voor het verschil tussen de MIP en de marktprijs, direct naar Keren te- sturen.

2.4. Boekingen op 329800 van Keren in 1997.

Uit onderzoek van de grootboekrekening 329800 Bonussen en provisie zuidvruchten over 1997 komt onder andere naar voren dat diverse bedragen als ontvangen provisie zijn geboekt. Volgens de grootboekrekening is het merendeel van deze bedragen afkomstig van Keren.

Volgens de grootboekrekening heeft Keren in 5 stortingen een bedrag van f 495.000 per bank overgemaakt aan Catz. De stortingen betreffen 5 keer een bedrag van USD 50.000. Volgens de bankafschriften heeft Keren als omschrijving voor de betaling "repayment of loan" aangegeven.

Verder komt uit de grootboekrekening naar voren dat er 5 bedragen zijn geboekt met als omschrijving Keren voor een totaalbedrag van f 49.683,85 als "ontvangen" provisie. Deze bedragen hebben evenals de boekingen in 1996 betrekking op facturen van Keren die middels het boeken op de rekening bonussen en provisies door Catz worden verrekend. (…).

4.2 Kennis van het door Catz opzettelijk onjuist doen van aangiften invoer inzake turkse rozijnen.

Nadat J.T. Warnaar is medegedeeld dat Catz wordt verdacht van het (laten) doen van onjuiste aangiften ten invoer van rozijnen uit Turkije, waarbij de minimumprijs bij invoer is ontdoken en nadat J.T. Warnaar is gevraagd wat zijn reactie hierop is, verklaarde hij:

"Dat is mij bekend. Mij is bekend dat dat gebeurd is omdat Huitema en ik denk Penning hier bij mij thuis zijn geweest en het verhaal hebben verteld dat het gebeurd was. Ik meen dat het gesprek in de zomer van 1994 heeft plaatsgevonden (…). Catz had rozijnen ingevoerd officieel op de MIP en een deel van de prijs van haar leverancier terug ontvangen. Naar mijn mening was dat in strijd met de regels van Brussel. De MIP en de werking daarvan ken ik sinds dat moment."

4.5 Compensatie middels Keren d.m.v. cheques van Turkse leveranciers

Nadat K. Huitema is gevraagd wie namens Catz de factuur- en prijsafspraken met de Turkse leveranciers heeft gemaakt, verklaarde hij:

"(…). Wat betreft het maken van afspraken met Turkse leveranciers voor het door hen maken van verhoogde facturen en de verrekening middels cheques moet dit zijn gedaan door Joost. Gezien de memo's was ik ook gekend in de manier waarop met de cheques werd gewerkt om het verschil tussen de betalen prijs en de hoge factuurprijs voor de rozijnen te verrekenen."

Nadat K. Huitema is gevraagd welke afspraken er gemaakt zijn met de Turkse leveranciers in verband met de terugbetaling van het verschil van de te hoge gefactureerde en betaalde prijs en de werkelijke prijs van de Turkse rozijnen, verklaarde hij:

"Deze afspraken zijn door Joost gemaakt. Bij het afspreken van de werkelijke en de te factureren prijs moet de wijze van terugbetaling ook door Joost zijn besproken met de Turkse leveranciers. Ik werd daarin niet inhoudelijk gekend, dit was een soort automatisme. Het loopt daarna vanzelf. Ik ken dan ook geen details."

Nadat K. Huitema is gevraagd wat de reden is dat de cheques niet op de juiste wijze, in mindering op de inkopen Turkse rozijnen, in de administratie van Catz zijn verantwoord, verklaarde hij:

" Ik denk om niet de link te kunnen leggen tussen de MIP van de rozijnen en de cheques. Volgens mij is het besproken om dit zo te doen, anders zou een klein kind kunnen zien dat we geld terugontvingen van onze Turkse leveranciers en wij de MIP omzeilden."

Nadat K. Huitema het gedeelte uit de verklaring van Joost Penning is voorgelezen nadat deze was gevraagd wat hij verder over Keren in relatie tot de cheque, genummerd D/361-2 kon vertellen.

"We hadden dus uit die voorgaande periode nog zo links en recht nog wat geld te goed en omdat wij de zaken met Imex gestopt hadden. We hebben toen naar een alternatief moeten zoeken om die cheques, zeg maar geboekt te krijgen. Toen hebben die cheques gediend als betaling voor de door Keren geleverde diensten, zo is het mij althans verteld.

Dat is mij verteld door Huitema of ieder geval de tropische afdeling omdat die de contacten hadden met Keren."

Nadat aan K. Huitema de stortingsbewijzen D/148 t/m D/150 en D/156 waren getoond en nadat aan hem is gevraagd wat hij over deze stortingen door Keren kon vertellen, verklaarde hij:

"(…). Ook heeft hij een keer een bedrag geïnd wegens arbitrage middels het niet leveren van peper.

In de periode 1994, 1995 en 1996 heb ik vrij veel arbitrage gehad met peper leveranciers. (…). Het kan zijn dat Keren voor ons in Amerika bedragen heeft geïncasseerd en dat Catz gezegd heeft laat het nog maar even staan voor de rente. (…).

Nadat K. Huitema is gevraagd of boeking van het arbitrage bedrag een methode is om verliezen die op de rozijnen worden geboekt, af te dekken, verklaarde hij:

"Dat zou kunnen. Ik heb het op de rozijnen laten boeken om de afdeling zuidvruchten te steunen. Ik weet gewoon de diepere achtergrond niet meer."

Nadat K. Huitema is gevraagd waarom het nodig was om de afdeling zuidvruchten te steunen en of Catz rozijnen verkocht onder de aanschafprijs die gelijk is aan de Mip, verklaarde hij:

"Ja, Catz verkocht rozijnen onder de MIP. Hier hebben we het al over gehad namelijk het aflopende A contract."

Nadat aan J. Penning is gevraagd of indien een inkoopcontract door Catz wordt afgesloten de prijs van de goederen dan vast ligt, verklaarde hij:

"In een inkoopcontract van de inkoop van Turkse rozijnen van Catz staat de afgesproken prijs, indien die boven of in de buurt van de MIP lag. Als Catz met promotiekortingen werkte dan werd de prijs gesteld als MIP at time of shipment. Afhankelijk van de MIP en de dollarkoers kregen wij inkoopfacturen van de Turkse leverancier, die een prijs per ton aangaven die op of in de buurt van de MIP prijs lag. De werkelijk afgesproken prijs van de Turkse rozijnen tussen mij en de Turkse leverancier was bij mij bekend. Ik hield die prijzen bij op de lijstjes waarover ik gisteren reeds vertelde."

Nadat aan J. Penning is gevraagd of de Turkse leverancier bij hem informeerde naar de hoogte van de MIP-prijs om maar een juiste prijs op de inkoopfacturen aan Catz te vermelden, verklaarde hij:

"(…). Ik denk dat er niet 1 Turkse leverancier verwachtte een prijs onder de MIP te moeten factureren. Ik wil benadrukken dat dit enkel geldt in de gevallen waar wij met promotiegelden werkten.

Hiermee bedoel ik dat wij cheques van de Turkse leverancier ontvingen, voor het verschil tussen de werkelijk afgesproken-prijs en de gefactureerde en door ons betaalde hogere prijs. Die betreffende cheques zijn door ons in de administratie geboekt onder verkooppromotiekosten."

Nadat aan J. Penning is gevraagd of hij in het kort nog kan aangeven hoe de facturering verliep van de Turkse leverancier aan Catz in het geval van promotiekosten, verklaarde hij:

"De Turkse leverancier maakte een hoge factuur die op of boven de MIP lag. Die factuur kwam per bank bij ons binnen omdat het meestal documentenzendingen betrof. Afhankelijk van de contractafspraken werd de hoge factuur betaald. Van elke zending werd een dossier opgemaakt waarin de factuur ook wordt geborgen. De factuur wordt geboekt in de administratie."

Nadat aan J. Penning een kopie van een cheque (D/361-6) ten bedrage van $20.631,55 en een bericht van Nebelco aan Catz (D/361-16-1) dat de cheque door Jak Ner is geïncasseerd en overgemaakt aan Keren Trading is getoond en nadat J. Penning is gevraagd wat hij kan verklaren over het feit dat er blijkbaar ook cheques van de Turkse leveranciers gebruikt worden ter betaling aan Keren Trading, verklaarde hij:

"Kennelijk is er een cheque gebruikt ter betaling van Keren. Naar ik meen moest Catz betalen voor zijn diensten, ik weet dat niet zeker omdat ik geen contact heb met Keren.

Ik heb die storting daarom waarschijnlijk in overleg met Huitema laten doen."

Nadat J. Penning is gevraagd of Catz van de Nebelco constructie misschien is overgegaan op de Keren constructie, verklaarde hij:

"Ik kan niet uitsluiten dat er een cheque uit een oud contract naar Keren is gegaan. Ik kan niet kwantificeren of dat er meer geweest zijn.

Maar ik moet toegeven dat het me nu wel bekend voorkomt. (…)"

Nadat J. Penning is gevraagd wat hij kan vertellen wat er naar aanleiding van Keren bij hem boven komt drijven, verklaarde hij:

"We hadden dus uit die voorgaande periode nog zo links en rechts nog wat geld te goed en omdat wij de zaken met Imex gestopt hadden. We hebben toen naar een alternatief moeten zoeken om die cheques, zeg maar geboekt te krijgen. Toen hebben die cheques gediend als betaling voor de door Keren geleverde diensten; zo- is het mij althans verteld.-

(…).

Ik kan geen inschatting geven over de bedragen die per cheque naar Keren zijn gegaan.

Middels een interne boeking werden de per cheque betaalde bedragen aan Keren geboekt op het resultaat van mijn eigen afdeling, daar hadden de bedragen tenslotte betrekking op. Ik neem aan dat Veltenaar u kan vertellen hoe de boekingen in zijn werk zijn gegaan.

Nadat J. Penning is gevraagd hoe het mogelijk is dat nadat verboden was nog via de Nebelco constructie te werken er nu via een andere weg toch cheques zijn gebruikt ter betaling, verklaarde hij:

"Ja het was kiezen tussen 2 kwaden, we konden of de Turkse leverancier laten -flierefluiten met het geld of wij konden er nog iets mee doen."

Nadat J. Penning is gevraagd of we kunnen stellen dat Keren in de plaats van Imex is gekomen en dat de werkwijze hetzelfde is, verklaarde hij:

"Ja dat kan je wel zo stellen, voor deze aflopende contracten."

Nadat J. Penning is gevraagd waarom de stap werd gemaakt van Nebelco naar Keren voor wat betreft de cheques, verklaarde hij:

"We hadden Nebelco niet meer nodig en voor het gebruik van de cheques zijn die toen waarschijnlijk via Catz, naar Imex of Keren gestuurd."

5.0. OVERZICHT ONTDOKEN BELASTING

Door het LWT is over 1996 als ontdoken heffing een bedrag berekend van

f. 485.000,00."

- Ter voorkoming van strafvervolging in verband met een aantal in het onderzoek van de FIOD geconstateerde strafbare feiten, heeft appellante een schikkingaanbod van het Openbaar Ministerie aanvaard.

- Als gevolg van de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD heeft verweerder op 30 augustus 2000 twee UTB’s uitgereikt, in verband met door het onjuist aangeven van de douanewaarde van de zendingen te weinig afgedragen rechten over de periode september tot en met december 1996. In de UTB met kenmerk 0018.41.890/00.7.0001 heeft verweerder in verband met één aangifte een bedrag van f. 5.837,30 (€ 2.648,85) aan compenserende heffing opgelegd. De UTB met kenmerk 0018.41.890/00.7.0002 heeft betrekking op 22 aangiften, ten aanzien waarvan een compenserende heffing van f. 248.006,80 (€ 112.540,57) is opgelegd.

- Appellante heeft bij brieven van 8 september 2000 bezwaar gemaakt tegen voornoemde UTB’s.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe is – samengevat – het volgende overwogen.

Er zijn in 1996 door appellante partijen rozijnen ingevoerd. In een door het LWT ingesteld onderzoek is een aantal door appellante niet goed te verklaren waarnemingen gedaan. In een FIOD-onderzoek is komen vast te staan dat over het jaar 1996 met betrekking tot rozijnen door de leveranciers bonussen/provisies/kortingen aan appellante zijn betaald.

De UTB’s zijn ten naam gesteld van de Fiscale Eenheid Catz International B.V, een fiscale eenheid omzetbelasting. Bij de aangiften is gebruik gemaakt van de vergunning ex artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 van de fiscale eenheid. Ook op de aangiften heeft appellante zich als de fiscale eenheid gepresenteerd. De UTB’s hebben als kenmerk 0018.41.890/00.7.0001 en 0018.41.890/00.7.0002. Het nummer 0018.41.890 is het fiscale nummer van appellante, dus niet van de fiscale eenheid. Belanghebbende is voorts door de tenaamstelling niet in haar belangen geschaad. De tenaamstelling doet niet af aan de juistheid van de UTB’s.

Vastgesteld is dat de werkelijk betaalde prijs lager was dan aangegeven, waardoor de invoerprijs onder de MIP kwam en dat daarom een aanvullende heffing is verschuldigd.

Appellante heeft gesteld dat de UTB’s onvoldoende zijn gemotiveerd. Verwezen wordt naar de FIOD procesverbalen met kenmerken O/AH/01 en 02, waaruit blijkt dat door het verwerken van journaalpost 30 de inkopen Turkse rozijnen over 1996 met f. 437.001,00 zijn verminderd. Appellante is in de gelegenheid gesteld om haar stelling te onderbouwen dat dit bedrag niets te maken had met de inkoop van rozijnen, maar is daar niet in geslaagd. In de UTB’s wordt abusievelijk uitgegaan van een bedrag van f. 485.000,00. Uitgaan van het juiste, lagere, bedrag leidt echter niet tot een ander bedrag aan te betalen heffing.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft – samengevat – het volgende naar voren gebracht.

Primair is aangevoerd dat de tenaamstelling van de UTB’s onjuist is. Een fiscale eenheid bestaat uit twee of meer rechtspersonen, die ieder zelfstandig drager van rechten en plichten zijn. Zij zijn slechts hoofdelijk aansprakelijk voor fiscale verplichtingen van andere entiteiten van de fiscale eenheid, indien en voor zover specifieke wettelijke bepalingen daarin voorzien. De fiscale eenheid bestaat niet in het communautair douanerecht en kan dus niet worden aangemerkt als douaneschuldenaar in de zin van artikel 4, twaalfde lid, van het CDW.

Subsidiair wordt gesteld dat een draagkrachtige motivering ontbreekt. De UTB’s voldoen niet aan de eisen van het motiveringsbeginsel, althans verweerder heeft niet of onvoldoende blijk gegeven de zorgvuldigheid in acht te hebben genomen, althans heeft gehandeld in strijd met de rechtszekerheid en het verbod op willekeur. De UTB’s bevatten geen enkele aanwijzing over de hoogte en de samenstelling van de heffing en over de gehanteerde maatstaf.

De douaneschuld is in de UTB’s berekend op basis van een compensatiebedrag van f. 485.000,00. Op basis van dit bedrag is een herberekening van de gemiddelde invoerprijs gemaakt en het bedrag berekend waarvoor ten onrechte geen douanerechten zou zijn betaald. In de beslissing op bezwaar wordt echter uitgegaan van een bedrag van f. 437.001,00. Deze keuze voor een ander bedrag laat de indruk achter van eerdere onzorgvuldigheid van de procedure. Uit geen van de rapportages blijkt overigens dat in het onderhavige tijdvak bedragen zijn gecompenseerd. De in de rapportages genoemde bedragen hebben zonder twijfel betrekking op andere tijdvakken dan dat van de bestreden UTB’s. De f. 485.000,00 kan in de rapportages ook niet worden teruggevonden. De f. 437.001,00 is een samenstel van debet- en creditmutaties over geheel 1996. Het valt niet na te gaan of en in hoeverre deze bedragen betrekking hebben op de transacties in het in geding zijnde tijdvak. Verweerder heeft de bevindingen van het LWT zonder nader onderzoek overgenomen. Het onderzoek heeft zich kennelijk beperkt tot raadpleging van gegevensbronnen van derden. De juistheid van de gegevens is niet gecontroleerd. De onderbouwing van de UTB’s bestaat uit niet meer dan los zand. Voorts is herhaaldelijk gemotiveerd aangegeven dat de boekingen zien op andere transacties (onder meer omzetbonus SAD inzake Zuid-Afrikaanse rozijnen en uitgekeerde bedragen van Unity Food en Chin Huay, te Thailand, afwikkeling claims na arbitrage door bemiddeling van Keren Trading).

Daarnaast is niet gebleken van een voldoende grond om appellante als douane-schuldenaar (mede-)aansprakelijk te stellen. De aangiften zijn gedaan door een douane-expediteur. Het enkele feit dat appellante de benodigde gegevens heeft aangeleverd, betekent niet dat zij mede-aansprakelijk is op grond van artikel 201, derde lid, van het CDW en artikel 54 van het Douanebesluit. Verweerder heeft zijn stelling dat douanerechten ten onrechte tot een te laag bedrag zijn geheven, niet kunnen onderbouwen, evenmin als dat dit het gevolg zou zijn van door appellante verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze onjuist waren.

Meer subsidiair wordt ten slotte nog aangevoerd dat de verlaging van het gehanteerde bedrag tot f. 437.001 dient te leiden tot verlaging van de heffing.

5. De nadere reactie van appellante

Appellante heeft in haar nadere reactie van 5 juli 2005 het volgende naar voren gebracht.

De verwijzing in het aanvullend beroepschrift naar Zuid-Afrikaanse rozijnen en Unity Food en Chin Huay geeft een onjuist beeld van hetgeen is beoogd aan te geven. Ten aanzien van het bedrag van f. 437.001,00 op de grootboekrekening 329800 is van belang dat de boeking van dit bedrag het gevolg is van de voorafgaande journaalpost "dot. te ont. provisie per" die Veltenaar heeft opgesteld. Deze journaalpost is opgesteld om de balans en de winst- en verliesrekening per einde van het boekjaar te kunnen opmaken. Door deze boeking wordt het bedrag van f. 437.001,00 opgenomen als opbrengst in het jaar 1996. Het begin- en eindsaldo werden door Veltenaar vastgesteld op basis van een inschatting van de waarde van de voor het betreffende boekjaar nog te ontvangen en/of te betalen bedragen voor kortingen, provisies en bonussen. De bedragen van f. 176.360,12 respectievelijk f. 486.599,78 bestaan voornamelijk uit een provisie voor een te ontvangen vergoeding van Mauii en een voorziening Keren inzake Brazilië. De voorziening Keren is opgenomen in verband met een claim voor niet geleverde Braziliaanse peper die in 1989 inzet is geweest van een arbitragezaak, waarvan uiteindelijk is overeengekomen dat een schadevergoeding zou worden uitgekeerd van $ 350.000,00. Dit bedrag zou met tussenkomst van Keren worden geïncasseerd. Aangezien bij het opmaken van de balans per ultimo 1995 nog niet zeker was of het gehele bedrag zou worden ontvangen, is de voorzichtige inschatting gemaakt dat slechts een deel, $ 100.000,00 respectievelijk f. 175.000, zou worden ontvangen. Aan het einde van 1996 ontstond de overtuiging dat het gehele bedrag zou worden ontvangen. Omdat gedurende het boekjaar reeds bedragen waren verrekend voor een bedrag van $ 90.230,00, heeft Veltenaar voor het resterende bedrag, $ 259.770,00 een voorziening opgenomen van f. 454.600,00.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het College verwerpt de primaire grief. In de UTB’s is weliswaar in de adressering abusievelijk aansluiting gezocht bij de door appellante zelf in de verschillende aangiften gebruikte tenaamstelling, maar het in de aanhef van de besluiten vermelde fiscale nummer is dat van appellante. Daarmee is naar het oordeel van het College voldoende duidelijk dat appellante de geadresseerde van de UTB’s was.

6.2 De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de stelling dat appellante in 1996 niet voor al haar zendingen de voor rozijnen geldende MIP heeft nageleefd. Verweerder kent in dit verband grote betekenis toe aan de bedragen geboekt op grootboekrekening 329800, uit het boekjaar 1996, en de uitkomsten van het FIOD-onderzoek.

Appellante erkent zich in het verleden schuldig te hebben gemaakt aan het ontduiken van de MIP, maar stelt dat daar in ieder geval geen sprake van was bij de uit het laatste kwartaal van 1996 stammende 23 aangiften die ten grondslag liggen aan de UTB’s. De boekingen op grootboekrekening 329800 kunnen worden verklaard uit de gang van zaken rond een arbitragezaak inzake Braziliaanse pepers ui 1989.

Het College overweegt het volgende.

6.3 De hiervoor in rubriek 2.2 opgenomen citaten uit het Overzichtsprocesverbaal leiden het College tot de volgende gevolgtrekkingen inzake de feiten:

- appellante heeft zich in de jaren vóór 1997 schuldig gemaakt aan ontduiking van de MIP;

- dat gebeurde door het bij aangifte opgeven van een hogere prijs dan in werkelijkheid met de Turkse leveranciers van rozijnen was afgesproken;

- het verschil tussen de werkelijk verschuldigde en de gefactureerde bedragen werd verrekend door de uitgifte van cheques door de leveranciers aan appellante;

- deze cheques werden niet rechtstreeks in de boekhouding opgenomen, om te voorkomen dat een link zou worden gelegd met de aankoopprijs van rozijnen en de MIP;

- na abrupte beëindiging van de verrekening van de cheques via Imex en Nebelco, resteerden nog niet via deze constructie geïnde cheques;

- deze cheques zijn alsnog geïnd via verrekening van de door Keren geleverde diensten;

- voor de boekhoudkundige verwerking van deze transacties is gebruik gemaakt van grootboekrekening 329800.

Daarnaast wijst de eveneens in rubriek 2.2 weergegeven, uit maart 1997 stammende, Issue erop dat het proces van het innen van de resterende cheques in 1996 nog is doorgegaan.

Ten aanzien van de door appellante gegeven toelichting op de grootboekrekening 329800 concludeert het College dat appellante weliswaar heeft aangetoond in 1989 een arbitragezaak te hebben gewonnen inzake Braziliaanse pepers, maar dat zij op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat deze vordering in de loop van 1996 dusdanig actueel werd dat dit tot opname van een bedrag ad fl. 437.001,00 op grootboekrekening 329800 rechtvaardigde en dat de in geding zijnde mutaties op deze rekening op enige wijze samenhangen met deze arbitragezaak. Het College ziet teminder aanleiding om appellante op dit punt in haar betoog te volgen, nu de overgelegde accountantsverklaring geen enkele aanwijzing biedt voor een link met de aangevoerde arbitragezaak, maar veeleer lijkt aan te geven dat de wijzigingen op de rekening betrekking hebben op verrekening inzake rozijnen. Daarnaast is blijkens het Overzichtsproces-verbaal door een medewerker van appellante verklaard dat de arbitrages hebben plaatsgevonden in 1994, 1995 en 1996, terwijl door appellante in dit geschil steeds over een arbitrage uit 1989 is gesproken. Het College kan appellante derhalve niet volgen in haar betoog inzake de oorsprong van het bedrag van f. 437.001,00 op genoemde rekening.

Gelet op alle beschikbare gegevens kan genoemde f. 437.001,00 slechts worden verklaard in samenhang met de door appellante gehanteerde constructie ter ontduiking van de MIP.

6.4 Het College acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gezien met name de stelselmatige en over een aantal jaren gecontinueerde ontduiking door appellante van de regels inzake de MIP, de enkele stelling van appellante dat ontduiking van de MIP in ieder geval in het laatste kwartaal van 1996 niet heeft plaatsgevonden, onvoldoende. Ook anderszins bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de hiervoor beschreven praktijken in het laatste kwartaal van 1996 niet zijn voortgezet.

Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat ook bij de thans in geding zijnde aangiften sprake is geweest van onjuiste opgaven verband houdend met het niet op de juiste wijze nakomen van de regels inzake de MIP en dat aanleiding bestaat voor het opleggen van een compenserende heffing. Verweerder heeft zich hierbij met recht gebaseerd op de in het kader van het FIOD-onderzoek beschikbaar gekomen informatie, waaronder ambtsedig afgelegde verklaringen en processen-verbaal, en was niet gehouden om zelf nog aanvullend onderzoek te doen.

Omdat appellante in haar aangiften niet de juiste douanewaarde van de zendingen heeft vermeld, is onvermijdelijk en niet onrechtmatig dat de hoogte van de op te leggen heffingen wordt gebaseerd op bepaalde redelijke aannamen. Dat heroverweging in de beslissing op bezwaar heeft geleid tot verlaging van het bedrag op grond waarvan de heffingen zijn berekend is niet in strijd met het recht, omdat het een volledige heroverweging van de UTB’s betreft. Appellante komt voorts geen beroep toe op artikel 220 van het CDW, reeds op de grond dat zij, naar in het FIOD-onderzoek is vastgesteld, niet te goeder trouw heeft gehandeld. Appellante heeft immers met haar leveranciers afspraken gemaakt die het oogmerk hadden de regels inzake de MIP te ontduiken. Gelet op het bepaalde in artikel 201, derde lid, van het CDW, is appellante ook als schuldenaar aan te merken.

6.5 Uit hetgeen onder 6.3 en 6.4 is overwogen, volgt dat verweerder er bij de berekening van de hoogte van de op te leggen heffing van uit heeft mogen gaan dat de som van de bedragen waarvoor appellante bij een aantal van haar in 1996 gedane aangiften de MIP heeft ontdoken, de in grootboekrekening 329800 vermelde f. 437.001,00 bedraagt. Dat, zoals verweerder meent, dit gehele bedrag aan de in het laatste kwartaal van 1996 gedane aangiften zou kunnen en moeten worden toegerekend, is onvoldoende aannemelijk. Veeleer ligt voor de hand de door verweerder in zijn verweerschrift als alternatief geschetste benadering, waarbij voornoemd bedrag wordt toegerekend aan alle aangiften van zendingen rozijnen in 1996 waarbij een douanewaarde boven de MIP is opgegeven.

In zijn verweerschrift heeft verweerder gesteld dat deze benadering leidt tot een vermindering van de UTB met kenmerk 0018.41.890/00.7.0002 met f. 3.509,40 (€ 1.592,50). Het College ziet geen aanleiding om dit onjuist te achten. Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte bij het besluit met kenmerk 00/427/6264/143 de bij de UTB met voornoemd kenmerk opgelegde heffing heeft gehandhaafd. Derhalve dient het tegen genoemd besluit gerichte beroep, geregistreerd onder nummer AWB 03/590, gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Het College ziet evenwel aanleiding, doende wat verweerder had moeten doen, de in deze UTB opgelegde heffing vast te stellen op f. 244.497,40 (€ 111.948,37) en te bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van dat besluit.

De heffing in de UTB met kenmerk 0018.41.890/00.7.0001 is niet gebleken onjuist te zijn, zodat het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 03/591, en gericht tegen de handhaving in bezwaar van deze UTB, ongegrond is.

6.6 Tenslotte acht het College termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. De kosten van juridische bijstand worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,00 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, in totaal anderhalf punt voor het verschijnen op de twee zittingen en een half punt voor het geven van een nadere reactie, met een wegingsfactor 1, ad € 322 per punt.).

Beslist wordt als volgt.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 03/590 gegrond en vernietigt het in deze procedure bestreden

besluit (kenmerk 00/427/6264/143);

- stelt in plaats van deze heffing, een heffing vast van f. 244.497,40 (€ 110.948,08) en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer AWB 03/591, ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 996,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig

euro) en wijst de Staat aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in procedure AWB 03/590 betaalde griffierecht ten bedrage van €. 232,-- (zegge:

tweehonderdentweeëndertig euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.A.B. van Dorst–Tatomir en mr. M.J. Kuiper in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer