Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV1025

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 04/477
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Inschrijving

Wetsverwijzingen
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf 4
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf 8
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 04/477 19 januari 2006

22030 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Inschrijving

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. de Meij, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 2 juni 2004, bij het College binnengekomen op 4 juni 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 april 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen het besluit van 28 januari 2004 tot doorhaling van de inschrijving van appellant in het register van tussenpersonen op grond van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb).

Bij brief van 25 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 21 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, met bericht, niet is verschenen. Voor verweerder waren aanwezig zijn gemachtigde en J. van der Bij, werkzaam bij verweerder.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld nader onderzoek te doen naar de feitelijke leiding van de heer B in het assurantiebedrijf van appellant.

Verweerder heeft bij brief van 25 augustus 2005 een verslag van zijn onderzoek aan het College toegezonden.

Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 21 september 2005.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft het College bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wabb is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

"Artikel 3

1. Het is verboden als tussenpersoon op te treden zonder te zijn ingeschreven in het register van tussenpersonen dat door de Raad wordt gehouden.

(…)

Artikel 4

1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

a. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling A te stellen vakbekwaamheidseisen, of

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

(…)

4. Indien de aanvrager niet zelf de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van zijn assurantiebemiddelingsbedrijf zal uitoefenen, gelden te zijnen aanzien de vereisten van het tweede en derde lid. Als voorwaarde voor zijn inschrijving geldt voorts dat de natuurlijke personen die blijkens de opgave van de aanvrager met bedoelde feitelijke leiding zullen zijn belast, voldoen aan de vereisten van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid. Deze personen zullen niet tevens belast mogen zijn met de feitelijke leiding over het assurantiebemiddelingsbedrijf van een andere tussenpersoon, tenzij dit bedrijf deel uitmaakt van dezelfde groep waartoe ook het bedrijf van de aanvrager behoort.

5. De aanvrager dient ten genoegen van de Raad aannemelijk te maken dat hijzelf of de door hem opgegeven natuurlijke personen de feitelijke leiding zullen uitoefenen.

(…)

Artikel 8

(…)

2. In het register wordt voorts doorgehaald de inschrijving van de tussenpersoon die: (…)

b. de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van het assurantiebemiddelingsbedrijf laat uitoefenen door natuurlijke personen die niet voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 4, vierde lid, tweede en laatste volzin; (…)

3. De Raad is bevoegd op grond van bijzondere omstandigheden de doorhaling, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en d, op door hem te stellen voorwaarden, gedurende een door hem te bepalen tijd, op te schorten. De Raad kan de termijn van opschorting verlengen, zo hij gegronde redenen daartoe aanwezig acht. Van deze opschorting stelt de Raad aantekening in het register onder vermelding van de termijn van opschorting.

Artikel 36

De Raad geeft op een verzoek, gedaan binnen 4 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, een verklaring af dat aan de vakbekwaamheidseisen van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is voldaan aan degene die op het tijdstip waarop ingevolge artikel 34, eerste lid, het register C wordt opgeheven:

a. ten minste 50 jaren oud is;

b. onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van opheffing van het register C ten minste 10 jaren onafgebroken in het register C ingeschreven is geweest of de feitelijke leiding in de zin van artikel 5, vijfde lid, van de Wet Assurantiebemiddeling heeft uitgeoefend;

c. gedurende de onder b genoemde termijn het assurantiebemiddelingsbedrijf als hoofdactiviteit heeft uitgeoefend of als feitelijk leider heeft gefungeerd bij een rechtsvorm die als hoofdactiviteit de assurantiebemiddeling uitoefent;

d. ten minste 10 jaren voldoet aan de eisen ter waarborging van een vakkundige uitoefening van het assurantiebemiddelingsbedrijf, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet Assurantiebemiddeling; en

e. regelmatig aangelegenheden heeft behandeld betreffende:

1. levensverzekeringen, anders dan verzekeringen tot het doen van uitkeringen in natura in verband met het overlijden van de mens;

2. brandverzekeringen en verzekeringen ter zake van bedrijfsschade; en

3. variaverzekeringen."

De Wabb is op 1 april 1991 in werking getreden.

In de Wet assurantiebemiddeling (hierna: Wab) was het volgende bepaald.

"Artikel 5

(…)

4. Om ingeschreven te kunnen worden in Register C dient de aanvrager gedurende een tijdvak van ten hoogste een jaar, voorafgaande aan de aanvraag tot inschrijving, als aspirant verzekeringsagent zijn bemiddeling te hebben verleend bij de totstandkoming van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen en afhankelijk van de grootte te bepalen minimum aantal verzekeringen. Indien de naam van de aanvrager reeds in Register C ingeschreven is geweest zal voor een hernieuwde inschrijving in dit register moeten blijken dat de aanvrager heeft voldaan aan de in het eerste lid van artikel 10 bedoelde eisen ter waarborging van een vakkundige beoefening van het assurantiebemiddelingsbedrijf.

(…)

Artikel 10

1. Telkens nadat drie volle kalenderjaren sedert de opening van een jaarregister C zijn verstreken worden doorgehaald de namen (…) In elk geval worden doorgehaald de namen van hen, die niet hebben voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ter waarborging van een vakkundige uitoefening van het assurantiebemiddelingsbedrijf.

(…)"

In het Besluit van 23 augustus 1956 (Stb. 485) houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 5, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, van de Wet Assurantiebemiddeling, is bepaald welke vakinhoudelijke eisen voor Register C worden gesteld (artikel 1) en dat dit, onder meer, kan blijken uit het bezit van het diploma Verzekeringsagent (artikel 2).

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant is met ingang van 1 september 1995 als tussenpersoon in de zin van de Wabb ingeschreven onder opgave van B (hierna: B) als feitelijk leidinggevende binnen zijn onderneming met de handelsnaam "A.".

- Op 28 augustus 2003 heeft appellant bij daartoe bestemd formulier "Wabb/10: periodieke opgave gegevens registerinschrijving" zichzelf opgegeven als feitelijk leidinggevende.

- Bij brief van 5 september 2003 heeft verweerder om informatie over de vakbekwaamheid van appellant verzocht.

- Bij brief van 15 september 2003 heeft appellant verweerder meegedeeld dat hij per abuis de gegevens van B niet heeft bijgevoegd en een aanvullende opgave verstrekt. In de bijgevoegde overeenkomst tussen appellant en B van 2 januari 2003 is, onder meer, vermeld dat B twee dagen per week van 9.30 uur tot en met 17.30 uur in appellantes bedrijf aanwezig en op de overige werkdagen telefonisch bereikbaar zal zijn.

- Bij brief van 3 oktober 2003 heeft verweerder nadere vragen gesteld.

- Bij brief van 15 oktober 2003 heeft appellant verweerder verzocht hem met terugwerkende kracht vanaf 1995 alsnog een B-inschrijving te verstrekken.

- Bij brief van 21 november 2003 heeft verweerder appellant desgevraagd meegedeeld dat de doorhaling van de C-inschrijving van appellant op 15 mei 1985 heeft plaatsgevonden omdat appellant vragen over zijn inschrijving in het C-register niet heeft beantwoord.

- Bij brief van 30 december 2003 heeft appellant gereageerd op de brief van 3 oktober 2003.

- Bij besluit van 28 januari 2004 heeft verweerder appellant meegedeeld dat is beslist tot doorhaling van appellantes naam in het register van tussenpersonen op grond van de Wabb omdat appellant niet heeft aangetoond dat B daadwerkelijk optreedt als feitelijk leidinggevende in de zin van de Wabb.

Tevens heeft verweerder meegedeeld dat appellant voor een eventuele aanspraak op het overgangsrecht van artikel 36 Wabb vóór 1 april 1985 in het bezit van het diploma "verzekeringsagent (c)" van de Stichting examens assurantiebedrijf te Utrecht moet zijn geweest. Voor zover dat het geval zou zijn, heeft verweerder appellant verzocht een afschrift daarvan te overleggen.

- Bij brief van 23 februari 2004 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 1 april 2004 is het bezwaar behandeld bij de Commissie Bezwaarschriften, waarbij appellant, met bericht, niet is verschenen.

- Vervolgens heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van voormelde Commissie, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard, omdat appellant niet heeft aangetoond te voldoen aan de vereisten die de Wabb aan handhaving van een registerinschrijving stelt. B is slechts twee dagen per week beschikbaar om op appellantes kantoor te werken. Er is niet voldaan aan het vereiste van reële feitelijke leiding.

Bij brief van 25 augustus 2005 heeft verweerder daaraan toegevoegd dat van enige structuur in de samenwerking, waardoor een stelselmatige inbreng van vakkennis door B voor het beheer van de portefeuille en voor bemiddelingswerkzaamheden gewaarborgd kan worden geacht, niet is gebleken. De hand- en spandiensten die B voor appellant verricht kunnen niet worden gekwalificeerd als het uitoefenen van de feitelijke leiding in de zin van de Wabb.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep in de eerste plaats aangevoerd dat hij in 1985 of daarvoor geen vragenformulier van verweerder heeft ontvangen dat tot de doorhaling in 1985 heeft geleid. Hierdoor kon hij niet in aanmerking komen voor de versoepelde inschrijvingsmogelijkheid in het nieuwe register. Appellant stelt dat hij bezwaar zou hebben gemaakt tegen de doorhaling indien hem dit destijds was meegedeeld.

In de tweede plaats heeft appellant gesteld dat B de feitelijke leiding in het assurantiebemiddelingsbedrijf van appellant heeft en dat de situatie sinds 1 september 1995, de datum waarop appellant met B als feitelijk leidinggevende in het register B van de Wabb werd ingeschreven niet is veranderd. Afgesproken is dat B twee dagen op kantoor aanwezig is en op de andere dagen telefonisch bereikbaar. Dat appellant op 28 augustus 2003 op het formulier zichzelf heeft vermeld als feitelijk leidinggevende beruste op een vergissing.

In zijn brief van 21 september 2005 heeft appellant toegelicht dat assurantiebemiddeling niet zijn hoofdactiviteit is. Appellant heeft daarnaast een beleggingsmaatschappij. In dat kader verhuurd, koopt, verkoopt en bemiddelt appellant op de onroerend goedmarkt en heeft hij de mogelijkheid om in het sluiten van verzekeringen te bemiddelen. B verzorgt de boekhouding en administratie van beide ondernemingen van appellant.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft allereerst gesteld dat zijn oude inschrijving in het register C op 15 mei 1985 ten onrechte en zonder zijn weten werd doorgehaald met het gevolg dat hij geen beroep op de overgangsregeling van artikel 36 Wabb heeft kunnen doen. Het College begrijpt hieruit dat appellant meent dat hij daarom geacht zou moeten worden in bezit te zijn van de in artikel 36 Wabb bedoelde verklaring.

Dit betoog faalt omdat appellant geen succesvol beroep op artikel 36 Wabb had kunnen doen reeds omdat hij niet heeft gesteld in bezit te zijn van een diploma voor het register C en het College is daarvan ook niet gebleken. Zelfs als er derhalve aan voorbij zou worden gezien dat appellant ten tijde van de inwerkingtreding van de Waab reeds lang niet meer ingeschreven was en dus niet voldeed aan de eis dat hij direct voorafgaande aan 1 april 1995 ten minste tien jaren onafgebroken was ingeschreven, voldeed appellant niet aan de vakbekwaamheidseis van artikel 10, eerste lid Wab.

5.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder op goede gronden besloten tot doorhaling van de inschrijving van appellant in het register als tussenpersoon omdat niet is gebleken dat de functie van B voldoet aan de vereisten welke voor het uitoefenen van de feitelijke leiding in de zin van de Wabb voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, Wabb.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wabb (TK, 20925, nr. 3, blz. 17 e.v.) blijkt dat onder feitelijke leiding als bedoeld in artikel 4 Wabb wordt verstaan de leiding van de bemiddelingsactiviteiten (acquisitie, advisering, schaderegeling en dergelijke). Dit betekent dat van enige structuur in de samenwerking sprake moet zijn, waardoor een stelselmatige inbreng van vakkennis door de betrokkene voor het beheer van de portefeuille en voor bemiddelingswerkzaamheden gewaarborgd kan worden geacht.

Het College is met verweerder van oordeel dat hiervan niet voldoende is gebleken. Appellant heeft naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat de assurantiebemiddeling onder de verantwoordelijkheid van B wordt uitgeoefend.

Bij de opgave van 28 augustus 2003 heeft appellant zichzelf als feitelijk leidinggevende vermeld. Hoewel appellant later heeft gesteld dat dit een vergissing is geweest, kan deze opgave als een aanwijzing worden gezien dat de bevoegdheden van B binnen de onderneming en zijn feitelijke bemoeienis bij assurantiezaken in het bedrijf van appellant niet groot is geweest. Daar komt bij dat B ook de boekhouding en administratie van appellantes ondernemingen verzorgt. In het licht van het vorenstaande acht het College de aanwezigheid van B ten kantore gedurende twee dagen per week en de omstandigheid dat appellant hem procuratie heeft verleend, onvoldoende om hem als feitelijk leidinggevende op het kantoor van appellant aan te kunnen merken. Hiermee strookt dat B blijkens het verslag van verweerder van 23 augustus 2003 van de bespreking ten kantore van appellant heeft bevestigd dat zijn rol voor wat betreft de assurantiën meer die van een adviseur is die op verzoek van appellant behulpzaam is, bijvoorbeeld bij de schadeafwikkeling. Appellant heeft dit niet weersproken. Gelet op het voorgaande moet dan ook worden aangenomen dat niet is gebleken dat B optreedt als feitelijk leider in de zin van de Wabb.

Het argument van appellant dat de situatie in zijn bedrijf sinds de inschrijving in het register in 1995 met B als feitelijk leidinggevende tot op heden niet zou zijn veranderd, overtuigt het College niet. Bepalend is immers dat naar aanleiding van het onderzoek dat verweerder in 2003 naar de feitelijke leiding in appellantes bedrijf heeft ingesteld en dat is afgerond in 2005, niet aannemelijk is geworden dat de feitelijke leiding door B wordt uitgeoefend. Daar komt bij dat bepaalde omstandigheden wel zijn gewijzigd, aangezien de tussen appellant en B overeengekomen feitelijke aanwezigheid van B op appellantes kantoor terug is gegaan van drie werkdagen in 1995 naar twee werkdagen in 2003.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn besluit tot doorhaling van de inschrijving van appellant op goede gronden heeft gehandhaafd.

Derhalve dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Graefe