Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV1022

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 04/1065
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 04/1065 18 januari 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, de vader van appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Slor, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Op 7 december 2004 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar tegen zijn besluit van 24 januari 2003, waarbij het eerdere besluit tot toekenning aan appellant van akkerbouwsteun over het jaar 2001 is herzien en de uitbetaalde subsidie is teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Op 18 februari 2005 heeft het College van verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen, op 23 februari 2005 gevolgd door het verweerschrift.

Op 6 december 2005 heeft het College nog enige stukken van appellant ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2005, bij welke gelegenheid partijen hun standpunt, bij monde van hun gemachtigde, nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is, ten tijde hier van belang, het navolgende bepaald:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j. producent: individuele landbouwondernemer in de Europese Gemeenschap, natuurlijke of rechtspersoon of samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de bedoeling deze gewassen te oogsten;

k. bedrijf: geheel van productie-eenheden dat door de producent wordt beheerd en dat zich bevindt op het Nederlandse grondgebied;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het jaar 2001 was op het adres X te B een kalvermesterij gevestigd. Deze vestiging staat bij verweerder geregistreerd onder relatienummer 201230852. Onder dit relatienummer wordt jaarlijks voor enkele hectaren akkerbouwsteun (maïs) aangevraagd.

- Op het adres Y te B was in 2001 een varkenshouderij gevestigd. Deze vestiging staat bij verweerder geregistreerd onder relatienummer 060336529. Onder dit relatienummer wordt jaarlijks voor 0.85 ha maïs akkerbouwsteun aangevraagd.

- Op het adres Z te B was in 2001 eveneens een varkenshouderij gevestigd. Deze vestiging is bij verweerder bekend onder relatienummer 60228856.

- De eigen grond, de inventaris en de meeste gebouwen die tot deze vestigingen behoren zijn ondergebracht in de maatschap Cen D de vader en moeder van appellant. Die maatschap heeft deze voorzieningen weer (deels) beschikbaar gesteld aan de maatschap C, D, E, A, F en G. Deze zespersoonsmaatschap wordt naast de vader en moeder van appellant gevormd door appellant zelf en twee broers en een zuster van appellant. Deze maatschap is gevestigd op het adres X te B.

- Appellant heeft, onder relatienummer 200039227 en onder opgaaf van het adres Z te B, op 15 mei 2001 bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om akkerbouwsteun ingediend voor een perceel van 4.06 ha maïs. Ten behoeve van de uitbetaling van de aangevraagde akkerbouwsteun heeft appellant op deze aanvraag het bankrekeningnummer ***** vermeld.

- Bij besluit van 3 december 2001 heeft verweerder appellant de gevraagde akkerbouwsteun toegekend.

- C heeft, onder relatienummer 60228856 en onder opgaaf van het adres Z te B, op 15 mei 2001 bij verweerder op grond van de Regeling een aanvraag om akkerbouwsteun ingediend voor een oppervlakte van 10.21 ha maïs. Ten behoeve van de uitbetaling van de aangevraagde akkerbouwsteun heeft C op deze aanvraag het bankrekeningnummer ***** vermeld.

- Bij besluit van 18 januari 2002 heeft verweerder C voor 10.08 ha maïs akkerbouwsteun toegekend.

- Bij besluiten van 24 januari 2003 heeft verweerder voornoemde besluiten van 3 december 2001 en 18 januari 2002 herzien, de aanvragen om akkerbouwsteun afgewezen en de reeds uitbetaalde steunbedragen teruggevorderd. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat hij heeft geconstateerd dat op het bij de aanvragen opgegeven adres meerdere economische eenheden zijn gevestigd en dat met de aangeleverde informatie niet vastgesteld kan worden dat sprake is van afzonderlijke bedrijven.

- Bij brief 26 februari 2003 hebben appellant en C tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 22 juni 2004 heeft C, mede namens appellant, dit bezwaar mondeling telefonisch toegelicht. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“ De voorzitter vraagt of de heer C en zijn vrouw tezamen de werkzaamheden binnen de maatschap uitvoeren. De heer C geeft aan dat de zoons ook meehelpen. Desgevraagd geeft de heer C aan dat de 4,0 hectare van de heer A door verschillende mensen voor eigen rekening en risico wordt bewerkt. "Het ligt eraan wie hiervoor staat." (…) Het gehele bedrijf wordt gerund door de 6-persoonmaatschap.”

- Bij brief 26 juni 2004 heeft appellant verweerder desgevraagd nog enkele stukken doen toekomen.

- Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar van C gegrond verklaard en zijn besluit van 24 januari 2003 ten aanzien van C herroepen.

- Bij besluit van eveneens 29 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder samengevat onder meer het volgende overwogen.

Het bedrijf van appellant is geen afzonderlijke economische eenheid en appellant kan dus niet als producent in de zin van de Regeling worden aangemerkt.

Appellant heeft zijn gepachte grond puur om administratieve redenen en vanwege het behoud van varkensrechten buiten de maatschap gehouden. Binnen het bedrijf van appellant is geen sprake van het beheer van een geheel van productie-eenheden. De vader van appellant, die mede namens appellant een telefonische toelichting op de bezwaren heeft gegeven, heeft tijdens deze toelichting aangegeven dat er in totaal drie bedrijven zijn. Het bedrijf van appellant, een maatschap van de heer C en zijn vrouw en nog een 6-persoonsmaatschap van de heer C, zijn vrouw en vier kinderen (waaronder appellant). De grond die appellant heeft opgegeven moet voor het behoud van de varkensrechten ten minste één keer per drie jaar door appellant worden opgegeven. Appellant geeft de grond dan ook niet vaker dan één keer in de drie jaar op. De andere twee jaar heeft één van beide maatschappen deze grond door middel van een grondgebruiksverklaring in gebruik.

Daarnaast is tijdens deze telefonische toelichting duidelijk geworden dat er niet echt sprake is van een beheer voor eigen rekening en risico van de bedrijven. Zo maken de verschillende bedrijven allemaal gebruik van één bankrekeningnummer en is ook de administratie niet gescheiden. Aan het einde van ieder jaar worden de winsten en verliezen onderling verdeeld.

Het feit dat de grond middels een erkende gebruikstitel (pacht) in gebruik is gegeven en gekregen, sluit niet uit dat de exploitatie hiervan in een groter geheel (een samenwerkingsverband met anderen) blijft gebeuren en niet als afzonderlijk bedrijf door appellant alleen. Het feitelijk gebruik van het betreffende perceel door appellant is zodanig dat niet gesteld kan worden dat er sprake is van afzonderlijke bedrijven. Er is derhalve sprake van een zeer sterke onderlinge verwevenheid, waarbij de beide maatschappen beduidend meer zelfstandigheid genieten dan het bedrijf van appellant.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant beschikt over een eigen mest- en relatienummer. Appellant pacht het in geding zijnde perceel van 4.06 ha van een derde, op basis van welke pachtovereenkomst het hem niet is toegestaan dit perceel in te brengen in een maatschap. Hij beschikt verder over een aantal grondgebonden varkensrechten. Om deze rechten te behouden dient hij het betrokken perceel tenminste één keer in de drie jaar zelf in gebruik te nemen. In de andere jaren wordt het perceel op basis van een grondgebruiksverklaring door één van de andere vestigingen voor akkerbouwsteun in aanmerking gebracht.

Appellant staat niet onwelwillend tegenover de mogelijkheid om samen met één van de andere vestigingen een gecombineerde aanvraag om akkerbouwsteun in te dienen, doch de bepalingen van de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel laten dit niet toe, waarbij hij dan verder zijn varkensrechten zou verliezen. Voorzover de meststoffenwetgeving in de weg staat aan de blijvende inbreng van het perceel in één van de andere vestigingen, is het niet billijk appellant uit te sluiten van akkerbouwsteun omdat voor appellant geen andere handelwijze mogelijk is dan het perceel op eigen naam voor steun in aanmerking te brengen.

De bedrijfsopzet door de familie A heeft tot doel om op termijn ieder van de kinderen uiteindelijk een eigen bedrijf(slocatie) toe te delen, waarbij inmiddels ook al (nagenoeg) een vierde vestiging is gerealiseerd. De verschillende onderdelen zullen daartoe in toenemende mate worden ontvlochten. Naast de problemen die daarmee voortvloeien uit onder meer de meststoffenwetgeving, heeft de familie ook te maken met de fiscale aspecten van bedrijfsopvolging en –overdracht. De familie tracht voor deze problemen op creatieve wijze, doch steeds binnen de grenzen van de regelgeving, een oplossing te vinden, waarbij zij evenwel niet zelden aanloopt tegen met elkaar strijdige voorschriften. Van enig oogmerk om bepaalde maxima te ontlopen en meer steun te ontvangen dan waar recht op bestaat, is in het geheel geen sprake.

De feitelijke bedrijfsvoering op de betrokken vestigingen kenmerkt zich, in de periode hier van belang maar ook thans nog, door een grote mate van harmonie en saamhorigheid binnen de familie. Naar buiten toe wordt, bijvoorbeeld door het gebruik van een gemeenschappelijke bankrekening, als één eenheid opgetreden en zonodig wordt op basis van de gemeenschappelijke boekhouding achteraf intern verrekend. Verder worden de feitelijke werkzaamheden op de diverse vestigingen door de leden van de familie A gezamenlijk uitgevoerd.

Verweerder heeft tot terugvordering van de uitbetaalde steun besloten omdat op één adres meerdere economische eenheden zouden zijn gevestigd waarbij niet duidelijk zou zijn of dit afzonderlijke bedrijven zou betreffen. Nu verweerder het bedrijf van C als afzonderlijk bedrijf heeft erkend, volgt daaruit dat ook het bedrijf van appellant, immers de andere economische eenheid, als afzonderlijk bedrijf moet worden beschouwd.

5. De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellant niet als producent in de zin van artikel 1 van de Regeling kan worden aangemerkt

Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich ter beantwoording van deze vraag terecht op het standpunt dat de feitelijke situatie in de bedrijfsvoering bepalend is.

Niet in geschil is dat het betrokken perceel slechts één keer in de drie jaar door appellant in aanmerking wordt gebracht voor akkerbouwsteun en de overige jaren door C of de zes-persoonsmaatschap. Voorts is niet in geschil dat voor wat betreft de exploitatie van dit perceel geen sprake is van een afzonderlijke boekhouding door appellant, doch van een gemeenschappelijke boekhouding voor alle vestigingen, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke bankrekening.

Appellant heeft bovendien erkend dat de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het onderhavige perceel niet uitsluitend en alleen aan appellant zijn voorbehouden, doch ook door andere leden van de familie A worden verricht.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden heeft verweerder op goede gronden tot het oordeel kunnen komen dat de activiteiten van appellant met betrekking tot de exploitatie van het betrokken perceel zodanig met de overige activiteiten binnen de vestigingen van de familie A zijn verweven, dat appellant op grond van de enkel en alleen door hem verrichte activiteiten met betrekking tot dit perceel niet als producent in de zin van artikel 1 van de Regeling kan worden aangemerkt. Hierbij neemt het College in aanmerking dat niet valt in te zien wat de door appellant gestelde bedrijfsuitoefening ten aanzien van het onderhavige perceel in feitelijke zin heeft toegevoegd aan de gang van zaken ten opzichte van de jaren dat het perceel door C of de zes-persoonsmaatschap voor steun in aanmerking is gebracht en in welke jaren appellant zich niet als zelfstandig producent profileert. De door appellant overgelegde stukken en diens verklaringen bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de feitelijke inbreng van appellant voor wat betreft dat perceel in die jaren anders is dan in het jaar dat hij het perceel zelf voor premie in aanmerking heeft gebracht. Voorzover dan ook sprake is van feitelijke betrokkenheid van appellant bij exploitatie van het betrokken perceel, bestaat deze daaruit dat appellant met zijn overige familieleden in een samenwerkingsverband opereert.

Het College merkt op dat appellant dit in beroep in feite ook niet ontkent. Voorzover appellant geen gebruik wenst te maken van een aanvraag namens een samenwerkingsverband omdat dit tot gevolg zou hebben dat hij zijn varkensrechten zou verliezen, betreft dit uiteindelijk echter de keuze van appellant zelf. Indien uit het geheel van toepasselijke regelgeving op grond van de individuele keuzes van een landbouwondernemer beperkingen voortvloeien ten aanzien van de door deze ondernemer nagestreefde bedrijfsopzet, die gericht is op de optimalisering van fiscale voordelen en productie- en premierechten, kan niet gesteld worden dat dit streven dient te prevaleren boven handhaving van deze regelgeving en aanleiding zou moeten vormen om één of meerdere wettelijke voorschriften buiten toepassing te laten.

Uit de omstandigheid dat verweerder zijn besluit tot terugvordering ten aanzien van C heeft herroepen volgt evenmin dat appellant dan als zelfstandig producent dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft in het licht van de geldende wettelijke bepalingen terecht geconcludeerd dat appellant niet zelfstandig als producent in de zin van artikel 1 van de Regeling kan worden aangemerkt, terwijl de beoordeling van het besluit ten aanzien van C niet ter beoordeling aan het College is voorgelegd.

Het beroep is gelet op al het vorenoverwogene ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. R.P.H. Rozenbrand