Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0553

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
30-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/783 18 januari 2006

23510 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. A-B, te X, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Appellante is eigenares van het motorvrachtschip Aspali, dat in augustus 1999 na een segmentsgewijze vernieuwing, waarbij oude delen van het schip zijn gesloopt, opnieuw in de vaart is gebracht. Voor de vernieuwing bedroeg de tonnage van het schip 1517,401, na vernieuwing bedraagt de tonnage 1693,518.

Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft verweerder appellante een speciale bijdrage opgelegd van ƒ 57.121,00 (€ 25.920,00), gebaseerd op het verschil in de bovengenoemde tonnages, welke met toepassing van bepaalde coëfficiënten zijn verhoogd.

Bij besluit van 6 september 2002 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2003 (AWB 02/1763, www.rechtspraak.nl, LJN: AN8972) heeft het College het tegen dit besluit gerichte beroep, dat bij hem op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot was ingediend, gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en de speciale bijdrage nader vastgesteld op € 24.304,00.

Tegen dit besluit heeft appellante bij 20 september 2004, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 oktober 2004 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft verweerder het besluit van 10 augustus 2004 herzien en de speciale bijdrage nader vastgesteld op € 14.992,00.

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 3 februari 2005 een verweerschrift ingediend.

Op 7 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ter zitting heeft appellante gesteld dat met het besluit van 28 februari 2005 (het College neemt aan dat bedoeld is: het besluit van 31 januari 2005) aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Appellante maakt aanspraak op betaling van griffierechten en proceskosten en vordert voorts schadevergoeding, bestaande in de wettelijke rente over het teveel door haar aan verweerder betaalde bedrag van € 9.812,00. Verweerder heeft zich tegen toewijzing hiervan verzet en vordert van zijn kant veroordeling van appellante in de wettelijke rente over het bedrag aan speciale bijdrage dat zij te laat heeft betaald.

2.2 Aangezien met het nieuwe besluit van 31 januari 2005 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het beroep niet mede gericht geacht tegen dit nieuwe besluit.

2.3 Appelante heeft, gelet op haar vordering tot schadevergoeding, belang bij vernietiging van het besluit van 10 augustus 2004. Tegen het verzoek tot vernietiging heeft verweerder zich overigens niet verzet. Het College zal dat besluit dan ook vernietigen. Gelet op het besluit van 31 januari 2005 zal verweerder geen nieuw besluit hoeven nemen.

2.4 Op grond van artikel 8:73 Awb kan het College ingeval van gegrondverklaring van een beroep, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt, indien daarvoor gronden zijn. Beoordeeld moet derhalve worden of er gronden zijn om de Staat der Nederlanden tot schadevergoeding te veroordelen. De gevorderde schade bestaat uit renteschade. Vast staat dat appellante aanvankelijk een hoger bedrag aan de Staat heeft betaald dan zij uiteindelijk schuldig is gebleken. Daardoor heeft zij voor dat verschil ad € 9.812,00 over de periode van 9 september 2002 tot 11 april 2005 renteschade geleden. Echter, eveneens staat vast dat appellante gedurende de periode augustus 1999 tot 9 september 2002 het bedrag dat zij per augustus 1999 verschuldigd was – welk bedrag uiteindelijk € 14.992,00 blijkt te zijn – verzuimd heeft aan de Staat te betalen. De renteschade die de Staat hierdoor heeft geleden, is groter dan de door appellante geleden renteschade. Appellante heeft, door te laat te betalen, een rentevoordeel gehad. Bij deze stand van zaken acht het College geen gronden aanwezig om de Staat tot schadevergoeding te veroordelen, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

2.5 Overigens zijn er evenmin gronden om appellante te veroordelen in de schade die de Staat heeft geleden, aangezien de Awb de bestuursrechter niet een daartoe strekkende bevoegdheid heeft toegekend.

2.6 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellante tot het besluit van 31 januari 2005 heeft gemaakt. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,00 per punt).

3. De beslissing

Het College:

? verklaart het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2004 gegrond;

? vernietigt dit besluit;

? wijst het verzoek tot schadevergoeding af;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

? bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge:

tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener