Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0517

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/960
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/960 13 januari 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. G. de Hoogd, advocaat te Purmerend,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 22 november 2004, bij het College binnengekomen op 23 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen twee besluiten van 17 mei 2004, waarbij eerdere besluiten tot toekenning aan appellante van akkerbouwsteun over de jaren 2000 en 2001 zijn herzien en de uitbetaalde subsidies zijn teruggevorderd.

Op 23 februari 2005 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Op 8 maart 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, op 29 maart 2005 gevolgd door het verweerschrift.

Op 16 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar voor appellante A en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas. Ter zitting is op verzoek van appellante als getuige gehoord de heer D.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was."

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

" TITEL IV CONTROLES

Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- (…)

- 5 % van de steunaanvragen “oppervlakten”.

(…)

Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(...)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht tot terugbetaling van deze bedragen (...)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft bij haar aanvraag oppervlakten voor 2002 voor 8.03 ha maïs akkerbouwsteun aangevraagd.

- Op basis van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, in november 2002 aan verweerder gerapporteerd dat perceel 7 uit deze aanvraag oppervlakten, door appellante opgegeven als groot 4.73 ha en door GeoRas opgemeten als groot 4.62 ha, niet aan de voorwaarden voor subsidiëring voldoet. Aan deze rapportage lag de bevinding ten grondslag dat het perceel in de jaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik geweest is.

- Geconfronteerd met de bevindingen van GeoRas heeft appellante bij brief van 2 december 2002 aan verweerder medegedeeld dat in 1987 op perceel 7 snijmaïs is verbouwd en dat vervolgens gedurende drie jaar bieten op dat perceel zijn geteeld. Bij deze brief heeft appellante een nota, gedateerd 1 juni 1989, van het bedrijf E en F overgelegd betreffende het zaaien van bieten.

- Bij besluit van 15 december 2002 heeft verweerder in de bevindingen van GeoRas aanleiding gevonden de door appellante gevraagde akkerbouwsteun voor 2002 te weigeren.

- Bij brief van 24 januari 2003 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift staat vermeld dat er in 1989 op het perceel 7 bieten zijn verbouwd en dat er in 1991 maïs op perceel 7 heeft gestaan. Bij het bezwaarschrift heeft appellante een factuur, gedateerd september 1991, van Loon-, Grond- en Kraanverhuur G B.V. overgelegd, betreffende het zaaien van 5.50 ha maïs, alsmede een nota, gedateerd november 1991, van hetzelfde bedrijf betreffende het hakselen van maïs.

- Op 17 september 2003 heeft appellante dit bezwaar mondeling toegelicht.

- Bij besluit van 17 februari 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift van 24 januari 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

- Aangezien het perceel 7 ook in de aanvraag voor 2000 was opgegeven – het betrof toen ook perceel 7 – heeft verweerder bij besluit van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, ook zijn besluit van 15 november 2000 tot toekenning van subsidie voor het jaar 2000 voor de gewasgroep maïs herzien. Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, heeft verweerder voor dat jaar op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 de gevraagde steun alsnog geweigerd en op grond van artikel 14 van die Verordening van appellante een bedrag van € 3.098,57 teruggevorderd.

- Aangezien het perceel 7 ook in de aanvraag voor 2001 was opgegeven – het betrof toen ook perceel 7 – heeft verweerder bij besluit van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, ook zijn besluit van 14 november 2001 tot toekenning van subsidie voor het jaar 2001 voor de gewasgroep maïs herzien. Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, heeft verweerder voor dat jaar op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 de gevraagde steun alsnog geweigerd en op grond van artikel 14 van die Verordening van appellante een bedrag van € 3.301,97 teruggevorderd.

- Tegen deze besluiten heeft appellante bij brief van 7 juli 2004 bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift is door appellante aangevoerd dat uit de satellietbeelden blijkt dat perceel 7 in de jaren 1987 tot en met 1991 niet is gebruikt voor blijvend grasland of blijvende teelten. Omdat appellante vroegrijpe maïssoorten heeft ingezaaid, de grond heeft bewerkt met een messenfrees en zij een ondervrucht (een éénjarig raaigras genaamd Green Spirit) heeft ingezaaid, kunnen haar percelen op de satellietbeelden niet worden vergeleken met de naastgelegen percelen van andere boeren, die hun grond op de normale wijze omploegen. Appellante maakte gebruik van een ondervrucht om op de zachte veengrond een goed berijdbare bodem tijdens de maïsoogst te verkrijgen. Aangezien deze ondervrucht overwintert komt de maïs pas halverwege juni boven het gras uit en is het daarom slecht zichtbaar op de satellietfoto’s.

- Vervolgens heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Het perceel met volgnummer 7 voldoet voor 4.62 ha niet aan de definitie akkerland. Dit is reeds uitvoerig besproken tijdens een hoorzitting op 17 september 2003 naar aanleiding van een door appellante ingediend bezwaarschrift tegen de premieweigering voor het jaar 2002. Tijdens deze hoorzitting heeft de daarbij aanwezige medewerker van GeoRas aan de hand van satellietbeelden laten zien dat er geen akkerbouwgewas op het perceel met volgnummer 7 heeft gestaan gedurende de referentieperiode 1987 tot en met 1991. Volgens de medewerker van GeoRas zijn in die jaren op andere percelen in de omgeving van perceel met volgnummer 7 op enig moment waarschijnlijk wel maïs en bieten verbouwd en dit betekent dat er andere percelen zijn dan het perceel met volgnummer 7 waar de door appellante overgelegde nota's en facturen betrekking op kunnen hebben.

Het betoog van appellante met betrekking tot de door haar gebruikte bijzondere maïsrassen, de afwijkende wijze van bewerking en het gebruik van een gewas als ondervrucht, kan niet leiden tot het oordeel dat het perceel premiewaardig geacht moet worden. De verklaringen van appellante zijn daartoe te vaag nu appellante nadrukkelijk in het midden laat in welk jaar van de referentieperiode en op welk perceel er maïs zou hebben gestaan.

Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat uit de satellietbeelden kan worden afgeleid dat het perceel met volgnummer 7 aan de voorwaarde definitie akkerbouw voldoet. Appellante mist voor een zodanige interpretatie de deskundigheid die GeoRas wel bezit.

Appellante heeft derhalve geen (aanvullend) bewijs overgelegd ten aanzien van het perceel met volgnummer 7 waaruit zou blijken dat het perceel aan de definitie akkerland voldoet.

Verweerder is op grond van de hier in rubriek 2.1 aangehaalde bepalingen uit Europese verordeningen verplicht om ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen. Dit is slechts anders indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd. Daarvan is hier geen sprake.

Het opgeven van een perceel dat niet voldoet aan de voorwaarden, komt voor rekening en risico van appellante, ondanks het feit dat de betaling al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden.

Dat aan appellante eerder wel subsidie is toegekend, staat er niet aan in de weg dat een latere aanvraag wordt getoetst aan gedetailleerde controlegegevens zoals satellietopnames, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin zijn deze omstandigheden een beletsel om op conclusies uit voorgaande jaren terug te komen.

Het feit dat er geen sprake is van opzet, betekent niet dat er sprake is van overmacht.

In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.

Om satellietfoto's te weerleggen kan slechts concreet en overtuigend bewijsmateriaal ertoe leiden dat hieraan voorbij wordt gegaan. Daarbij zal de aannemelijkheid van de uit de satellietopnamen getrokken conclusies moeten worden afgewogen tegen de kracht van het door de aanvrager ter beschikking gestelde bewijsmateriaal, waarbij geen vorm van bewijsmateriaal op voorhand kan worden uitgesloten. Hierbij is ook uw College van oordeel, dat het bewijs van een ander gebruik van een perceel dan uit de satellietopnamen wordt afgeleid, in beginsel alleen per perceel geleverd kan worden.

Ter zitting is door drs. M. Honig aangevoerd dat de teelt van voederbieten op perceel 7 in 1991 niet waarschijnlijk is omdat het voorjaarbeeld wijst op grasland en niet op kale grond. Het is niet aannemelijk dat het een met onkruid vervuild perceel kale grond betreft, omdat onkruidvervuiling een significant andere kleur geeft dan gras.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning in haar beroepschrift, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellante is van oordeel dat uit de door verweerder overgelegde satellietbeelden blijkt dat perceel 7 in de jaren 1987 tot en met 1991 niet in gebruik is geweest als blijvend grasland en/of blijvende teelten. De interpretatie van dergelijke beelden is niet slechts voorbehouden aan de deskundigen van GeoRas. Voorts is het onjuist en onnauwkeurig deze interpretatie slechts te baseren op een vergelijking met de percelen uit de omgeving van het te controleren perceel. Appellante heeft in de jaren 1987 tot en met 1991 gebruik gemaakt van bijzondere maïsrassen die een vroege oogst opleverden. Verder heeft appellante in die jaren een ongebruikelijke vorm van grondbewerking gehanteerd, te weten het gebruik van een messenfrees. In combinatie met het gebruik van een ondervrucht, levert deze wijze van grondbewerking andere satellietbeelden op dan bij andere landbouwers te doen gebruikelijk is. Om deze reden kunnen de satellietbeelden met betrekking tot perceel 7 niet zonder meer met de standaardsituaties worden vergeleken.

Anders dan door verweerder gesteld heeft appellante in bezwaar niet in het midden gelaten welk gewas in welk jaar is geteeld. Door appellante is voldoende materiaal aangedragen voor de conclusie dat het perceel voldoet. De toekenning van de steun in 2002 berust daarom in het geheel niet op een fout van verweerder, doch was correct. Verweerder is dan ook niet bevoegd tot terugbetaling omdat niet onverschuldigd is betaald.

Ter zitting van het College is door appellante het volgende aangevoerd.

Op perceel 7 is in de jaren 1987 tot en met 1991 geen maïs verbouwd. Op het perceel zijn in 1991 wel voederbieten verbouwd. Hier bestaan geen nota’s van. De opbrengst van dit perceel was echter gering, vergelijkbaar met een proefteelt, en in combinatie met het ingezaaide raaigras is dit gewas minder zichtbaar op de satellietbeelden. Appellante acht denkbaar dat het door GeoRas waargenomen gras op het voorjaarsbeeld uit 1991 in feite onkruid op een kaal perceel betreft.

De op verzoek van appellante gehoorde getuige D heeft ter zitting van het College desgevraagd verklaard dat hij sinds 1979 een zakelijke relatie met appellante heeft, bestaande uit de levering en het onderhoud van landbouwmachines. Hij heeft in die hoedanigheid regelmatig het bedrijf van appellante bezocht, zo ook in de jaren 1987 tot en met 1991. Tijdens zijn bezoeken in deze periode heeft hij geconstateerd dat appellante gedurende drie jaren voederbieten op perceel 7 heeft verbouwd. In welke jaren dit precies was, weet hij niet meer. Hij meent zich deze bezoeken kunnen herinneren omdat perceel 7 in die jaren een ongebruikelijk perceel was om een akkerbouwgewas op te verbouwen en daarom is hem dit bijgebleven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Voorzover appellante zich ter zitting van het College op het standpunt heeft gesteld dat de door verweerder overgelegde satellietbeelden te onnauwkeurig zijn om als basis te dienen voor besluitvorming door verweerder, volgt het College appellante hierin niet.

Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN AU4088), vergt de interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht overwogen dat appellante, in tegenstelling tot GeoRas, de specifieke deskundigheid mist om aan de hand van de onderhavige satellietbeelden tot betrouwbare uitspraken omtrent het grondgebruik van het betrokken perceel te kunnen komen. Appellantes grief dat zij uit de satellietbeelden zonder meer kan afleiden dat het perceel voldoet, faalt derhalve.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.2 In het onderhavige geval heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat perceel 7 van de aanvraag voor 2000 en 2001 premiewaardig is. Aan de door appellante overgelegde nota’s met betrekking tot de teelt van bieten in 1989 en maïs in 1991 komt niet de betekenis toe die appellante daaraan toegekend wil zien. Deze nota’s stroken immers niet met de door appellante laatstelijk afgelegde verklaring dat in de jaren 1987 tot en met 1991 slechts in 1991 bieten op perceel 7 zijn verbouwd en nimmer een maïsgewas. Zoals in het bestreden besluit is overwogen, moet dan ook worden aangenomen dat deze nota’s zeer waarschijnlijk betrekking hebben op andere percelen van appellante dan het in geding zijnde perceel 7.

Ter zitting van het College heeft de heer D het betoog van appellante met betrekking tot de premiewaardigheid van perceel 7 onderschreven en daartoe een verklaring afgelegd. Anders dan appellante heeft de heer D evenwel gesteld dat op perceel 7 in de jaren 1987 tot en met 1991 gedurende drie jaar bieten zijn verbouwd, waarbij de heer D niet heeft kunnen aangeven in welke jaren dat precies het geval is geweest. Gelet op deze discrepantie en in aanmerking genomen dat de getuige D slechts in algemene bewoordingen heeft verklaard, overtuigt dit bewijs niet.

Aan de verklaringen van appellante zelf kan evenmin doorslaggevende betekenis worden toegekend. Hiertoe wordt overwogen dat appellante in de loop van de onderhavige procedure, van haar brief van 2 december 2002 tot aan de verklaringen ter zitting van het College, steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot het grondgebruik van perceel 7 in de jaren 1987 tot en met 1991.

5.3 Nu aan appellante voor het betrokken perceel voor de jaren 2000 en 2001 premie is verstrekt, terwijl achteraf is komen vast te staan dat zij hierop geen aanspraak kon maken, was verweerder ingevolge artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 gehouden de premietoekenning ongedaan te maken en het op basis van die toekenning uitbetaalde bedrag terug te vorderen.

Het gaat hier om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt.

5.4 Ingevolge artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is de terugbetalingsplicht niet van toepassing, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Voorzover appellante heeft willen betogen dat de toekenning van akkerbouwpremie over de eerdere jaren 2000 en 2001 een fout als hierbovenbedoeld zou opleveren, wijst het College dit betoog van de hand. Aan toekenning van akkerbouwpremie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas op de hoogte geraakt van het feit dat het betrokken perceel niet voldeed, nadat GeoRas in november 2002 een teledetectiecontrole had uitgevoerd.

5.5 Verweerder was voorts verplicht de sanctie van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 toe te passen. Het College verwijst ter zake naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 2002, C-304/00, Jur. I-10737, inzake W.H. Strawson (Farms) Ltd en J.A. Gagg & Sons (a firm). Daaruit blijkt dat, indien een aanvrager gedurende enkele jaren achtereen een grotere oppervlakte aanvraagt dan geconstateerd wordt, als zulks eenmaal is vastgesteld en op basis daarvan de toekenning van steun herzien wordt, voor ieder van die jaren de uit Verordening (EEG) nr. 3887/92 dan wel Verordening (EG) nr. 2419/2001 voortvloeiende sancties opgelegd dienen te worden, onverminderd de verjaringstermijn bepaald in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95. Dit betekent dat ter zake van een gelijke overtreding in meerdere jaren achteraf over ieder jaar een sanctie moet worden opgelegd. Naar het Hof heeft vastgesteld, is zulks niet in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

Indien een aanvrager een aanvraag indient voor percelen waarvan hij niet aannemelijk kan maken dat deze aan de voorwaarden voldoen, komt dat voor zijn rekening en risico. Dat geen bewijsmiddelen meer beschikbaar zijn op grond waarvan kan worden aangetoond dat het perceel aan de voorwaarden voldoet, levert geen overmacht op.

5.6 Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. R.P.H. Rozenbrand