Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0516

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/1040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/1040 13 januari 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: ing. A.A.J. Albers, werkzaam bij Area Adviseurs te Horst,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 december 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 27 oktober 2004.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen een drietal besluiten van 17 mei 2004, waarbij eerdere besluiten tot toekenning aan appellante van akkerbouwsteun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen over de jaren 2000, 2001 en 2002 zijn herzien en de uitbetaalde subsidies zijn teruggevorderd.

Verweerder heeft bij brief van 22 december 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en heeft bij brief van 27 december 2004 een verweerschrift ingediend.

Op 9 november 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de twee maten van appellante zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die werd bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was."

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen" en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies gewaarborgd.

(…)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- (…)

- 5 % van de steunaanvragen "oppervlakten".

(…)

Artikel 9

(…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(...)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht tot terugbetaling van deze bedragen (...).

(…)"

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 18 - Controlepercentages

1. De controles ter plaatse betreffen jaarlijks ten minste:

a) 5 % van alle bedrijfshoofden die een steunaanvraag "oppervlakten" indienen;

(…)

3. Wanneer is bepaald dat onderdelen van een controle ter plaatse door middel van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet deze steekproef een betrouwbaar en representatief controleniveau waarborgen. De lidstaten bepalen de criteria voor de samenstelling van de steekproef. Komen bij de steekproeven onregelmatigheden aan het licht, dan wordt de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 23 - Teledetectie

1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kunnen de lidstaten voor de in artikel 18, lid 1, onder a), bedoelde steekproef teledetectie gebruiken in plaats van traditionele middelen voor een controle ter plaatse. (…)

(…)

Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, (…).

(…)"

5.0 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft bij haar aanvraag oppervlakten voor het jaar 2003 onder meer voor de maïspercelen 15 (3.00 ha) en 16 (1.23 ha) akkerbouwsubsidie aangevraagd.

- Op basis van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, in oktober 2003 aan verweerder gerapporteerd, dat genoemde percelen niet aan de voorwaarden voor subsidiëring voldoen. Aan deze rapportage lag de bevinding ten grondslag dat de percelen in de jaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik geweest waren. De conclusies van deze rapportage heeft verweerder bij brief van 14 november 2003 aan appellante toegezonden.

- Bij besluit van 15 januari 2004 heeft verweerder de door appellante voor 2003 aangevraagde akkerbouwsteun geheel geweigerd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit van 19 augustus 2004 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen beroep bij het College ingesteld.

- Aangezien eerdergenoemde percelen 15 en 16 ook in de aanvragen om akkerbouwsubsidie voor 2000 (als respectievelijk de percelen 14 en 15), 2001 (eveneens als de percelen 14 en 15) en 2002 (als de percelen 15 en 16) waren opgegeven, heeft verweerder bij drie afzonderlijke besluiten van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, ook zijn besluiten tot toekenning van subsidie voor respectievelijk de jaren 2000, 2001 en 2002 voor de gewasgroep maïs herzien.

Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte binnen de gewasgroep maïs in de jaren 2000 en 2001 groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte (44,28% in 2000 en 44,99% in 2001), heeft verweerder voor die jaren op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 de gevraagde steun alsnog geheel geweigerd en de reeds uitbetaalde steun, zijnde € 5.321,89 (2000) en € 5.627,62 (2001), op grond van artikel 14 van die verordening teruggevorderd.

Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte in het jaar 2002 groter was dan 30% van de geconstateerde oppervlakte (45,68%), heeft verweerder voor dat jaar op grond van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de gevraagde steun alsnog geweigerd en de voor dat jaar reeds uitbetaalde steun, zijnde € 5.102,59, op grond van artikel 49 van die verordening teruggevorderd.

- Tegen deze besluiten heeft appellante bij afzonderlijke brieven van 16 juli 2004 bezwaar gemaakt.

- Op 28 september 2004 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe is het volgende overwogen.

Op grond van artikel 9, tweede lid, juncto artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 voor de aanvragen voor 2000 en 2001, en op grond van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor de aanvraag voor 2002, was verweerder verplicht de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen.

Aan artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kan geen toepassing worden gegeven, omdat de betaling niet is verricht als gevolg van een fout van verweerder of van een andere instantie. Op het moment van de beoordeling was namelijk nog niet bekend dat de percelen niet aan de voorwaarden voldeed. Dit is verweerder pas gebleken, nadat GeoRas voor verweerder door middel van de interpretatie van satellietbeelden een controle had uitgevoerd. Bovendien had appellante zich ervan behoren te vergewissen dat de percelen geheel voldeden alvorens deze op te geven. Hiernaast heeft zij door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van percelen die niet volledig aan de voorwaarden voldoen, komt derhalve geheel voor rekening en risico van appellante.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie van GeoRas is gebleken dat de percelen in de referentieperiode met gras beteeld zijn geweest. Om satellietbeelden te weerleggen is bewijs op perceelsniveau vereist. Omdat appellante tegen het besluit over de aanvraag voor 2003 niet binnen de gestelde termijn bezwaar heeft gemaakt, is in rechte komen vast te staan dat de percelen niet voldoen aan de definitie akkerland. Maar ook thans heeft appellante geen bewijsmateriaal overgelegd, waaruit overtuigend blijkt dat deze percelen wel geheel voldoen.

Nergens blijkt dat verweerder op enig moment toezeggingen heeft gedaan of de indruk heeft gewekt dat indien een perceel niet blijkt te voldoen aan de definitie akkerland, er niet zou worden teruggevorderd.

Voorzover appellante zich beroept op het ontstaan van vertrouwen omdat verweerder in het verleden de aanvragen van appellante minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft aangemerkt, faalt dit beroep. Deze omstandigheden staan er niet aan de in de weg dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden om terug te komen van eerdere besluiten. Dat appellante er eerder op had kunnen anticiperen als de controle eerder had plaatsgevonden, miskent haar eigen verantwoordelijkheid.

Appellante wordt geen opzet verweten. De toegepaste sanctie geldt voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld.

Met de constatering dat verweerder fouten heeft gemaakt en dat zelf erkent in andere gevallen, treedt appellante buiten de reikwijdte van het besluit en bovendien blijkt hieruit niet dat jegens appellante onzorgvuldig is gehandeld.

Dat een aanvrager pas in bezwaar de satellietbeelden te zien krijgt, is onjuist. Vanaf het moment dat een aanvrager wordt geconfronteerd met de bevindingen van GeoRas, kan een verzoek worden ingediend om de satellietbeelden in te zien.

Aan de stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat verweerder in meerdere gevallen is afgeweken van de bevindingen van GeoRas, kan, zo de stelling al zou kloppen, geen algemene conclusie worden verbonden. Bij twijfel of onduidelijkheid over de bruikbaarheid van een bepaald satellietbeeld wordt steeds in het voordeel van de aanvrager beslist.

De terugvordering is niet in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Nu appellante niet zeker was van de premiewaardigheid van de percelen en die toch heeft opgegeven, is zij zelf verantwoordelijk voor de mogelijke gevolgen.

Met het beroep op artikel 4:49 Awb miskent appellante dat de terugvordering is gebaseerd op de rechtstreeks werkende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3887/92.

Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake, nu de evenredigheid al is ingebouwd in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. De eventuele gevolgen van het besluit in verband met toekomstige regelgeving, zijn in de onderhavige procedure niet aan de orde.

De door appellante genoemde ruilverkaveling kan haar niet baten, aangezien deze heeft plaatsgevonden in 1987, terwijl 31 december 1991 het beoordeelmoment inzake de bepaling van akkerland is.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Verweerder heeft de afgelopen jaren beleid verkondigd dat, indien in een bepaald jaar een perceel niet aan de definitie akkerland bleek te voldoen, niet ook voorgaande jaren zouden worden gecontroleerd. Door dit nu toch te doen, heeft verweerder in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gehandeld.

Zolang door verweerder niet is vastgesteld dat een perceel niet aan de definitie akkerland voldoet en het niet voldoen van een perceel niet aan de aanvrager heeft kenbaar gemaakt, handelt de aanvrager te goeder trouw. Indien in een bepaald jaar subsidie is verleend, mag een aanvrager ervan uit gaan dat de grond voldeed, zeker indien in de toekenningsbeschikking expliciet staat opgenomen dat er een administratieve en fysieke controle heeft plaatsgevonden.

Een aanvrager vult zijn aanvraag niet met opzet verkeerd in. Indien een aanvraag in een voorgaand jaar is goedgekeurd en in de beschikking is vermeld dat een controle heeft plaatsgevonden, is het niet gerechtvaardigd indien verweerder in een later stadium met terugwerkende kracht beschikkingen intrekt en premie terugvordert. Nu verweerder niet eerder heeft geconstateerd dat de percelen niet aan de definitie akkerland voldoen, moet de schuld bij verweerder worden gelegd.

Een aanvrager kan om financiële redenen ervoor hebben gekozen geen bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit waarin wordt vastgesteld dat één of meerdere percelen niet voldoen aan de definitie akkerland. Nu echter ook voorgaande jaren worden teruggevorderd en de over 2000 tot en met 2002 verleende subsidie bepalend is voor de in de toekomst uit te betalen subsidie, zijn de gevolgen veel groter. Een aanvrager moet in alle gevallen opnieuw worden toegestaan om de premiewaardigheid van een perceel aan te tonen.

Een aanvrager kan vooraf niet informeren of de satellietbeelden uitwijzen dat een perceel wel of niet voldoet, terwijl de aanvrager achteraf op grond van dezelfde satellietbeelden wel wordt gestraft als het perceel niet aan de definitie akkerland voldoet. Bovendien zijn satellietbeelden niet altijd even duidelijk. Het is dan ook niet redelijk de bewijslast dat een perceel premiewaardig is, in alle gevallen bij de aanvrager neer te leggen. In het bestreden besluit is ten onrechte gesteld dat verweerder niet in staat was appellante eerder te informeren. De historische gegevens waren immers bij GeoRas beschikbaar. De bewuste keuze om aanvragers niet vooraf te informeren, maar achteraf steekproefsgewijs te controleren en hen dan met afwijkingen te confronteren, is onbegrijpelijk en valt verweerder aan te rekenen.

Na vaststelling van de subsidie, kan de verleende subsidie slechts in beperkte gevallen worden teruggevorderd. Nu er geen feiten of omstandigheden aan het licht zijn gekomen die bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet bekend konden zijn en de subsidieontvanger wist noch behoorde te weten dat de subsidievaststelling onjuist was, heeft verweerder in strijd met artikel 4:49 Awb gehandeld.

Met ingang van het jaar 2006 wordt subsidie toegekend op basis van de referentiejaren 2000 tot en met 2002. De opgelegde boetes in de periode 2000-2002 zijn hierdoor buitenproportioneel en aldus in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

In het onderhavige geval moet worden aangenomen dat verweerder een fout heeft gemaakt die redelijkerwijs niet door de aanvrager kon worden ontdekt. Artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 staat aan terugvordering in de weg, omdat de subsidie langer dan een jaar na uitbetaling wordt teruggevorderd.

Appellante heeft voorts gewezen op enkele bedrijfsspecifieke zaken. Het bedrijf is in 1993 overgenomen van de ouders. Voorheen heeft in 1987 een ruilverkaveling plaatsgevonden, op grond waarvan het destijds mogelijk was de hectares definitie akkerland te verplaatsen naar de in het kader van de ruilverkaveling toebedeelde gronden. Hier is echter onvoldoende voorlichting over gegeven. Appellante verkeerde in de veronderstelling dat de betreffende percelen aan alle voorwaarden voor steun voldeden. In deze veronderstelling is zij ondersteund door de jarenlange toekenning van steun voor de percelen.

Ter zitting heeft appellante naar voren gebracht dat zij het onwaarschijnlijk acht dat GeoRas voor de periode 1987-1991 een betrouwbare analyse heeft kunnen maken zonder een enkel beeld tijdens het groeiseizoen, terwijl de EU bijvoorbeeld in het jaar 2003 aanraadt dat er ten minste drie satellietbeelden nodig zijn, waaronder in elk geval een beeld uit juli/augustus.

Wat betreft het jaar 1991 acht appellant het zeer wel mogelijk dat op de satellietbeelden van 2 september een dichte groene mat waarneembaar is, maar volgens haar is dat geen grasmat, maar een aaneengesloten oppervlakte van onkruid dat op het betreffende perceel is achtergebleven na het oogsten van maïs.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2004 over het jaar 2003. Dat ontneemt appellante niet het recht om, als verweerder aan zijn bevindingen vervolgens de conclusie verbindt dat de toegekende premies over eerdere jaren moeten worden teruggevorderd, alsnog deze bevindingen ter discussie te stellen. In dit opzicht staat ieder besluit op zich. Derhalve komt appellante de vrijheid toe om te bewijzen, dat de percelen uit de aanvragen voor 2000, 2001 en 2002 aan de voorwaarden voor toekenning van akkerbouwsteun voldoen. Verweerder is van mening dat appellante hierin niet is geslaagd.

5.2 Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN AU4088), vergt de interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.3 Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de satellietbeelden van de in geding zijnde percelen verkeerd zijn geïnterpreteerd en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als grasland. Appellante heeft geen stuk kunnen overleggen dat er in de referentiejaren, zoals zij heeft gesteld, maïs is geteeld.

Het beroep van appellante op de bedrijfsspecifieke omstandigheden faalt. Zoals verweerder terecht heeft overwogen, is de toestand op 31 december 1991 beslissend. Een eerdere ruilverkaveling heeft daar geen invloed op.

5.4 Het College overweegt voorts dat appellante weliswaar aanvoert dat stukken afkomstig van de EU de noodzaak bevestigen om ten minste drie beelden per jaar te gebruiken, waaronder een van juli/augustus voor de bepaling van het geteelde gewas, maar daarbij gaat zij voorbij aan het feit, dat de controle van de referentieperiode er niet op gericht is om de in de jaren 1987 tot en met 1991 geteelde gewassen te bepalen, doch slechts om vast te stellen of aan het uit artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 voortvloeiende vereiste voldaan wordt.

5.5 In reactie op de stelling van appellante dat het septemberbeeld van 1991 onvoldoende is om tot een grasmat te concluderen, heeft de heer Honig ter zitting naar voren gebracht dat 2 september juist een ideaal moment is om maïs te zien, aangezien de oogst van maïs in de referentieperiode meestal pas in de maand oktober was, terwijl op andere percelen van appellante de maïs ook nog op 2 september 1991 op het land stond. Bovendien heeft Honig gesteld dat de kleur van het beeld duidt op vrij kort gras en dat een perceel net na de oogst er meer blauw uitziet, ook als er onkruid groeit. Appellante heeft deze oordelen van de deskundige niet steekhoudend kunnen bestrijden. Gelet hierop acht het College de stelling van appellante onvoldoende onderbouwd.

5.6 Het College concludeert dan ook dat op basis van de vaststaande feiten niet geoordeeld kan worden dat de onderhavige percelen in de jaren 1987 tot en met 1991 anders dan als grasland in gebruik zijn geweest.

5.7 Nu aan appellante voor de jaren 2000, 2001 en 2002 premie is verstrekt, terwijl achteraf is komen vast te staan dat zij hierop geen aanspraak kon maken, was verweerder ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehouden de premietoekenningen ongedaan te maken en de op basis van die toekenningen uitbetaalde bedragen terug te vorderen.

Het gaat hier, zoals het College ook in zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633; www.rechtspraak.nl, LJN AT8929) heeft overwogen, om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt. Nationale administratiefrechtelijke regelgeving, zoals het door appellante ingeroepen artikel 4:49 Awb, kan, gelet op de voorrang van het Europese recht, de omvang van een dergelijke verplichting niet beperken.

Het beroep van appellante op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan reeds niet slagen omdat appellante geen stuk heeft overgelegd en het College ook overigens niet over een stuk beschikt, waaruit blijkt dat verweerder de toezegging heeft gedaan dat niet tot terugvordering wordt overgegaan, indien op basis van teledetectieonderzoek niet kan worden vastgesteld dat een perceel premiewaardig is.

5.8 Ingevolge artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is de terugbetalingsplicht niet van toepassing, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Het betoog van appellante dat de toekenning van akkerbouwpremie over de jaren 2000, 2001 en 2002 een fout als hiervoor bedoeld oplevert, wijst het College van de hand. Aan toekenning van akkerbouwpremie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas op de hoogte geraakt van het feit dat de betrokken percelen niet voldeden, nadat GeoRas op 15 oktober 2003 een teledetectiecontrole had uitgevoerd.

5.9 Verweerder was voorts verplicht de sanctie van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 toe te passen. Het College verwijst ter zake naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 2002, C-304/00, Jur. I-10737, inzake W.H. Strawson (Farms) Ltd en J.A. Gagg & Sons (a firm). Daaruit blijkt dat, indien een aanvrager gedurende enkele jaren achtereen een grotere oppervlakte aanvraagt dan geconstateerd wordt, als zulks eenmaal is vastgesteld en op basis daarvan de toekenning van steun herzien wordt, voor ieder van die jaren de uit Verordening (EEG) nr. 3887/92 dan wel Verordening (EG) nr. 2419/2001 voortvloeiende sancties opgelegd dienen te worden, onverminderd de verjaringstermijn bepaald in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95. Dit betekent dat ter zake van een gelijke overtreding in meerdere jaren achteraf over ieder jaar een sanctie moet worden opgelegd. Naar het Hof heeft vastgesteld, is zulks niet in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

Indien een aanvrager een aanvraag indient voor percelen waarvan hij niet aannemelijk kan maken dat deze aan de voorwaarden voldoen, komt dat voor zijn rekening en risico. Dat appellante haar aanvraag niet met opzet verkeerd heeft ingevuld, maakt dit niet anders.

5.10 Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2006.

w.g. J.A. Hagen w.g. R.P.H. Rozenbrand