Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0360

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/920
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 05/920 11 januari 2006

5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen

behandelde dieren en producten

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. K.J. Oost, werkzaam op verweerders ministerie, mr. P.L.C.W. van Kimeney, werkzaam bij verweerders Algemene Inspectiedienst (AID) en drs. W.F. Niele, senior onderzoeker op het RIKILT.

1. De procedure

Bij besluit van 16 november 2005, gewijzigd op 22 november 2005, heeft verweerder alle op het bedrijf van verzoekster aanwezige runderen met toepassing van artikel 4 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten (hierna: Regeling) onder toezicht geplaatst (OTP).

Op 28 december 2005 heeft verweerder aan verzoekster mededeling gedaan van zijn besluit achttien op verzoeksters bedrijf aanwezige runderen waarvan haarmonsters na bemonstering door de AID besmet waren gebleken met verboden stoffen, ingevolge artikel 5a van de Regeling uit de handel te nemen en te vernietigen. Bij dit besluit heeft verweerder verzoekster tevens voor de keuze gesteld de overige op haar bedrijf aanwezige dieren op eigen kosten aan een nader onderzoek te onderwerpen dan wel zonder nader onderzoek te laten vernietigen.

Tegen voormelde besluiten heeft verzoekster bij brieven van 6 en 29 december 2005 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 december 2005 heeft verzoekster voorts aan de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage verzocht een voorlopige voorziening te treffen tot schorsing van verweerders besluit van 28 december 2005 de 18 OTP geplaatste runderen te vernietigen, dan wel tot niet tenuitvoerlegging van dit besluit zolang geen inzicht is verkregen in de aan die beslissing ten grondslag liggende stukken, althans zolang de rechtmatigheid van het besluit niet is komen vast te staan, alsmede tot onmiddellijke opheffing van de OTP. Dit verzoek is nog dezelfde dag doorgeleid naar het College.

Verweerder heeft bij verweerschrift van 3 januari 2006 gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld door de voorzieningenrechter ter zitting van 6 januari 2006, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1.1 De toepasselijke communautaire regelgeving.

Richtlijn 96/22/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2003/74/EG van het Europees parlement en de Raad van 22 september 2003 houdende wijziging van Richtlijn 96/22/EG van de Raad betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten (PB nr. L262) bevat, onder meer, de volgende bepalingen:

"Artikel 1

(…)

2. Voorts wordt verstaan onder:

a) "landbouwhuisdieren": als huisdier gehouden runderen, varkens (…)

d) "illegale behandeling": het gebruik van niet-toegestane stoffen of produkten (…)

"Artikel 2

De lidstaten zien erop toe dat het verboden wordt:

a) de in lijst A van bijlage II vermelde stoffen in de handel te brengen om deze aan dieren van ongeacht welke soort toe te dienen

b) de in lijst B van bijlage II vermelde stoffen in de handel te brengen om deze voor andere dan de in artikel 4, punt 2, en artikel 5 bis, genoemde doeleinden toe te dienen aan dieren waarvan het vlees en de producten voor menselijke consumptie bestemd zijn.

Artikel 3

De lidstaten zien erop toe dat voor de in bijlage II van deze Richtlijn genoemde stoffen een verbod en voor de in bijlage III genoemde stoffen een voorlopig verbod wordt ingesteld op:

a) het op enigerlei wijze toedienen van deze stoffen aan landbouwhuisdieren

(….)

b) - het houden, tenzij onder officieel toezicht, van de onder a) van dit artikel bedoelde dieren op een bedrijf

- en het in de handel brengen of slachten voor menselijke consumptie van landbouwhuisdieren waarin de in bijlage II en bijlage III genoemde stoffen aanwezig zijn of waarbij de aanwezigheid van deze stoffen is vastgesteld, behalve indien het bewijs kan worden geleverd dat de betrokken dieren overeenkomstig de voorschriften van artikel 4, 5 of 5 bis zijn behandeld

(….)

d) het in de handel brengen van vlees van onder b) bedoelde dieren

e) het verwerken van het onder d) bedoelde vlees.".

Artikel 8

De Lid-Staten zien erop toe dat:

(…)

3. de opsporing

a) van de aanwezigheid van de in punt 1 bedoelde stoffen in dieren en in het drinkwater voor dieren, alsmede op alle plaatsen waar dieren worden opgefokt of gehouden;

b) van de aanwezigheid van residuen van bovengenoemde stoffen in levende dieren, in de excreta en lichaamsvochten daarvan, alsmede in weefsel en dierlijke produkten,

wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen III en IV bij Richtlijn 96/23/EG;

4. wanneer bij de in punt 2 en 3 bedoelde controles blijkt dat:

a) er stoffen of produkten aanwezig zijn waarvan het gebruik of het houden verboden is of er residuen aanwezig zijn van stoffen die in het kader van een illegale behandeling zijn toegediend, beslag wordt gelegd op deze stoffen of produkten, terwijl de eventueel behandelde dieren of het vlees daarvan onder officiële controle moeten worden geplaatst totdat de nodige sancties zijn getroffen; (…)"

In de Bijlagen II en III bij deze Richtlijn zijn - onder meer - 17ß-oestradiol en esterachtige derivaten daarvan, alsmede andere stoffen met oestrogene werking dan 17ß-oestradiol en esterachtige derivaten daarvan, stoffen met androgene of gestagene werking als ingevolge artikel 3 van de Richtlijn verboden stoffen opgenomen.

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (Pb. 1996, L 125, blz. 10; hierna: Richtlijn 96/23/EG) bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

" Artikel 13

De bevoegde autoriteit

a) verzoekt, in geval van vermoedelijke illegale behandeling, de eigenaar, de houder van de dieren of de dierenarts die voor het bedrijf verantwoordelijk is, om bewijsstukken waarmee de aard van de behandeling gerechtvaardigd kan worden;

b) verricht, wanneer de illegale behandeling door dit onderzoek wordt bevestigd of wanneer niet-toegestane stoffen of produkten worden gebruikt, dan wel wanneer een gegronde verdenking betreffende het gebruik van dergelijke stoffen of produkten bestaat, de onderstaande controles of laat deze verrichten:

- steekproefcontroles bij de dieren in het bedrijf van herkomst, met name om het gebruik van die stoffen of produkten, en met name eventuele sporen van implantaten op te sporen; die controles kunnen een officiële monsterneming omvatten, (…)

Artikel 15

1. (….)

2. (….)

Voor alle stoffen geldt dat, indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, voor de betrokken stof of het betrokken residu is aangewezen; wanneer deze laatste bevestiging positief is, komen de kosten ten laste van de eiser.

3. Wanneer bij onderzoek van een officieel monster sprake is van een illegale behandeling, gelden de artikelen 16 tot en met 19, alsmede de in hoofdstuk V bedoelde maatregelen.

(…)

Artikel 17

In geval van aanwezigheid van niet-toegestane stoffen of produkten of illegale behandeling moet de bevoegde autoriteit zich ervan vergewissen dat de veehouderij(en) die bij de in artikel 13, onder b), bedoelde onderzoeken in het geding is (zijn) onverwijld onder officieel toezicht wordt (worden) geplaatst. De bevoegde autoriteit dient zich er tevens van te vergewissen dat alle betrokken dieren worden voorzien van een officieel merk- of identificatieteken en dat bij het nemen van officiële monsters in eerste instantie met statistisch representatieve aantallen op internationaal erkende wetenschappelijke basis wordt gewerkt.

(…)

Artikel 23

1. Tijdens de periode waarin de dieren zoals voorgeschreven in artikel 17 worden vastgehouden, mogen die dieren van het in het geding zijnd bedrijf slechts onder officieel toezicht het bedrijf van oorsprong verlaten of aan een andere persoon worden overgedragen. Afhankelijk van het soort geïdentificeerde stof(fen) neemt de bevoegde autoriteit de nodige conservatoire maatregelen.

2. Aansluitend op de monsterneming overeenkomstig artikel 17 worden de positief bevonden dieren, wanneer bevestigd wordt dat er sprake is van illegale behandeling, onmiddellijk ter plaatse gedood of, vergezeld van een officieel veterinair certificaat, rechtstreeks naar het aangewezen slachthuis of een destructiebedrijf gebracht om er te worden gedood. De gedode dieren worden vervolgens afgevoerd naar een bedrijf voor de verwerking van hoog-risicomateriaal als bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG (…).

Bovendien moeten, op kosten van het bedrijf, van alle partijen dieren die tot het gecontroleerde bedrijf behoren en mogelijk verdacht zijn, een monster genomen worden.

3. Indien echter de helft of meer dan de helft van de monsters die genomen zijn van een representatief percentage, overeenkomstig artikel 17, positief is, heeft de veehouder de keuze tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn en het laten doden van de betrokken dieren.(…)"

2.1.2 De toepasselijke nationale regelgeving.

Ingevolge artikel 19 van de Landbouwwet kan de minister van LNV onder meer ter uitvoering van Richtlijnen en beschikkingen van de Europese Economische Gemeenschap, voorzover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, regelen vaststellen met betrekking tot - onder meer - het voorhanden hebben, vervoederen, afleveren en vervreemden van producten. Ter uitvoering van Richtlijnen 96/22/EG en 96/23/EG is de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten vastgesteld (Stcrt. 1997, 130, hierna ook: Regeling). Blijkens artikel 3, eerste lid, van de Regeling is het verboden om landbouwhuisdieren of vlees van landbouwhuisdieren waaraan op enigerlei wijze stoffen met tyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking, alsmede ß-agonisten zijn toegediend in de handel te brengen, behalve wanneer de dieren zijn behandeld overeenkomstig bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet gestelde regels. Blijkens artikel 1, aanhef en onder g, van de Regeling wordt onder "in de handel brengen" - onder meer - verstaan het voorhanden of in voorraad hebben. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling wordt een bedrijf, waarop de aanwezigheid wordt geconstateerd van diergeneesmiddelen of substanties die ingevolge de communautaire regelgeving niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend alsmede indien in monsters residuen worden aangetroffen van dergelijke stoffen, onder officieel toezicht van verweerder geplaatst. Ingevolge artikel 5a, lid 1, van de Regeling kan verweerder indien blijkt dat aan - onder meer - landbouwhuisdieren diergeneesmiddelen of substanties zijn toegediend die ingevolge de communautaire regelgeving niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend, die dieren uit de handel nemen en vernietigen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de kosten voor het uit de handel nemen en vernietigen van dieren, overeenkomstig het eerste lid, door verweerder in rekening worden gebracht bij de eigenaar of houder van de dieren.

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekster exploiteert een rundveebedrijf.

- Op 28 oktober 2005 zijn in verband met verdenking van gebruik van hormo(o)n(en) in de slachtfase monsters genomen van een vrouwelijk mestrund afkomstig van het bedrijf van verzoekster. Op 31 oktober 2005 is door het RIKILT te Wageningen in die monsters de aanwezigheid van estradiol benzoaat en testosteron esters vastgesteld.

- Verweerder heeft verzoekster bedrijf vervolgens bij besluit van 16 november 2005, zoals gewijzigd op 22 november 2005, met toepassing van artikel 4 van de Regeling onder toezicht geplaatst.

- Op 17 november 2005 zijn op verzoeksters bedrijf door de AID haarmonsters genomen van de overige op het bedrijf aanwezige runderen. Van de genomen (ruim 300) monsters zijn er 21 geanalyseerd. In achttien monsters zijn de verboden stoffen testosterondecanonaat, testosteroncypionaat en estradiolbenzoaat aangetroffen.

Van elk monster is een afgesplitst tweede monster met het oog op eventuele contra-expertise beschikbaar.

- De testresultaten van de haarmonsters zijn door de AID op 22 december 2005 mondeling aan verzoekster meegedeeld. Verzoekster is op die datum in de gelegenheid gesteld de vastgestelde uitslagen per geïndentificeerd rund schriftelijk vast te leggen.

- Verweerder heeft vervolgens op 28 december 2005 besloten de achttien runderen die positief waren getest op verboden stoffen, op kosten van verzoekster uit de handel te nemen en te vernietigen. Voorts heeft hij verzoekster voor de keuze gesteld de overige op haar bedrijf aanwezige runderen op haar kosten te laten onderzoeken, dan wel die dieren zonder onderzoek te laten doden.

- Het verzoek om voorlopige voorziening is gericht op de (algehele) opheffing van de OTP van verzoeksters bedrijf en op de ongedaanmaking, althans opschorting van de uitvoering van verweerders besluit van 28 december 2005.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster meent dat de OTP moet worden opgeheven, mede omdat verweerder, indien al sprake is geweest van de aanwezigheid van een verboden stof in haar runderen, in het geheel geen aanstalten maakt de herkomst van de aangetroffen stoffen te onderzoeken. Daardoor is naar de opvatting van verzoekster de grondslag aan de maatregel van OTP komen te vervallen.

Verzoekster bestrijdt voorts dat haar dieren met verboden stoffen zijn behandeld. Tot de dag vóór de behandeling ter zitting beschikte zij niet over de stukken die aan de beslissing tot vernietiging van 18 runderen ten grondslag liggen. Zodra zij deze in handen heeft gekregen is op verzoeksters bedrijf in aanwezigheid van haar raadsman door de dierenarts een aantal monsters genomen, die zij in Frankrijk wil laten onderzoeken. Afgezien van het RIKILT is daar namelijk het enige andere op grond van de toepasselijke EU-normen erkende laboratorium. Verzoekster heeft over de door haar bestreden besmetting nog contact opgenomen met prof. Stephany, die verzekerd heeft dat de aanwezigheid van de verboden stoffen gezien de langzame haargroei bij runderen aan de hand van de recent genomen monsters nog steeds adequaat kan worden vastgesteld.

Indien onverwijld tot vernietiging van de positief op verboden stoffen geteste runderen wordt overgegaan, kan verzoekster civielrechtelijk in een moeilijke positie komen te verkeren tegenover de vorige eigenaar en de Belgische leverancier van de dieren. Indien uit de door verzoekster gewenste contra-onderzoeken zou blijken dat geen sprake is van gebruik van verboden stoffen, zijn verzoeksters dieren niet meer verdacht en is artikel 23 van Richtlijn 96/23/EG in het geheel niet meer van toepassing.

4. Het standpunt van verweerder

De onderzoeksresultaten, waaruit blijkt dat in de runderen van verzoekster residuen van op grond van de communautaire Richtlijnen verboden stoffen zijn aangetroffen, zijn het resultaat van eenduidig en deugdelijk onderzoek. Verzoeksters niet onderbouwde stelling dat de aangetroffen stoffen haaks staan op de constatering dat het bij het eerste positief op verboden stoffen geteste dier om een mestrund zou gaan, kan daar niets aan afdoen.

Anders dan verzoekster meent, maakt het tijdsverloop tussen het bekend worden van de analyseresultaten en de oplegging van de OTP, die maatregel niet onrechtmatig. Overigens is verweerder van mening dat hier geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop.

Op 28 oktober 2005 zijn in de slachtfase monsters van een mestrund van verzoekster genomen. Deze zijn vervolgens voor onderzoek aan het RIKILT aangeboden en daar op 31 oktober 2005 ontvangen. Op 7 november 2005 zijn de monsters door het RIKILT positief bevonden. Verweerder werd daarover vervolgens bericht. Op 16 november 2005 vond de OTP van verzoeksters bedrijf plaats. Bij brief van 22 november 2005 is in verband met een aantal tekortkomingen in het besluit van 16 november 2005 een nieuw besluit tot OTP genomen. Van een tijdsverloop van 3 weken tussen het onderzoek en het opleggen van de maatregel is derhalve geen sprake. Op 17 november 2005 zijn de overige (ruim 300) monsters genomen. Van deze monsters zijn er uiteindelijk 21 getest, waarvan er 18 positief zijn bevonden. Dit heeft geleid tot verweerders beslissing tot het uit de handel nemen en vernietigen van deze runderen.

Verweerder ziet niet in hoe verzoekster schade kan hebben geleden ten gevolge van het feit dat verweerder niet eerder tot OTP is overgegaan. Verzoekster heeft bovendien de door haar gestelde onrechtmatigheid van de OTP niet aannemelijk gemaakt. Verweerder is mede onder verwijzing naar de jurisprudentie van het College van mening dat hij in de gegeven omstandigheden ingevolge artikel 4 van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 3, juncto artikel 8, vierde lid, van de Richtlijn 96/23/EG gehouden was tot het opleggen van de OTP.

De bevoegdheid tot het uit de handel nemen en vernietigen van de 18 positief bevonden runderen ontleent verweerder aan artikel 5a van de Regeling. Met deze bepaling is uitvoerig gegeven aan artikel 23, tweede lid, van Richtlijn 96/23/EG dat onmiddellijke vernietiging voorschrijft. Gelet op de rechtmatigheid van de OTP en gezien de analyseresultaten met betrekking tot 18 van de bemonsterde runderen was verweerder bevoegd de beslissing van 28 december 2005 te nemen.

Het tweede deel van het besluit van 28 december 2005 ziet op de voor verzoekster ingevolge artikel 23, derde lid, van Richtlijn 96/23/EG bestaande keuzemogelijkheid om op eigen kosten alle dieren op haar bedrijf te laten controleren, dan wel het zonder onderzoek laten doden van alle dieren. Die keuzemogelijkheid is in dit geval voorgeschreven omdat de helft of meer dan de helft van de monsters van een representatief percentage positief is bevonden.

5. De beoordeling van het verzoek

Ten aanzien van de vraag of de OTP rechtmatig is opgelegd overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van het College is verweerder, wanneer de aanwezigheid van ingevolge de communautaire Richtlijnen verboden stoffen in op een bedrijf aanwezige dieren is vastgesteld op grond van artikel 4 van de Regeling, gelezen in samenhang met (thans) de artikelen 2 en 3 en 8, vierde lid, van Richtlijn 96/22/EG gehouden tot ondertoezichtplaatsing van dat bedrijf. Hiervan is in het onderhavige geval sprake.

Aan het vorenstaande doet niet af dat enig tijdsverloop is gelegen tussen het moment waarop het RIKILT een positieve uitslag op haar monsterneming vaststelde en het moment waarop verweerder tot het opleggen van de OTP is overgegaan (onderscheidenlijk 7 en 16 november 2005). Daargelaten dat niet valt in te zien dat verzoekster door het in haar ogen late tijdstip van de OTP in haar belang is geschaad, onderschrijft de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop.

Op 17 november, de dag nadat de OTP in eerste instantie is opgelegd, zijn haarmonsters genomen van alle op het bedrijf van verzoekster aanwezige dieren. Ter zitting is vastgesteld dat verzoekster op 22 december 2005 in kennis is gesteld van de onderzoeksuitslag van 21 hieruit geselecteerde monsters, zij het dat deze uitslag nog niet schriftelijk voor haar beschikbaar was. Van de zijde van het RIKILT is desgevraagd verklaard dat de analyse van een haarmonster een tijdrovende aangelegenheid is.

Verzoekster heeft ter zitting erkend dat zij op 22 december 2005 op de hoogte is gebracht van de specifieke testuitslagen. Dat brengt mee dat zij vanaf die datum in de gelegenheid was verweerder om een contra-expertise te vragen. Bij een dergelijke contra-expertise moet het - vanzelfsprekend - gaan om onderzoek van de op 17 november 2005 door de AID voor dat doel afgescheiden tweede monsters en niet, zoals verzoekster kennelijk meent, om onderzoek van de op 5 januari 2006 op haar bedrijf genomen monsters. Ter zitting is gebleken dat door verzoekster (nog) geen verzoek om contra-expertise is gedaan, zodat van de beschikbare testresultaten moet worden uitgegaan. Aangezien zijdens verweerder onweersproken is gesteld dat (een combinatie van) de in de runderen van verzoekster aangetroffen stoffen ingevolge Richtlijn 96/22/EG en de Regeling diergeneeskundig niet zijn (is) toegestaan, staat de rechtmatigheid van de opgelegde OTP vast en bestond voor verweerder geen aanleiding de op verzoeksters bedrijf aanwezige dieren niet langer als verdacht te beschouwen.

Zolang de positief bevonden dieren niet zijn afgevoerd en geen nadere controle op verboden stoffen van de overige op het bedrijf aanwezige dieren heeft plaatsgevonden, blijft de verdachte status van het bedrijf gehandhaafd. Voor handhaving van een rechtmatig opgelegde OTP hoeft, anders dan verzoekster kennelijk meent, niet gelijktijdig een opsporingsonderzoek naar de herkomst van de verboden stoffen te lopen. Opsporing van de herkomst van de verboden stoffen is ingevolge de toepasselijke regelgeving geen taak van verweerder, maar een aangelegenheid van het Openbaar Ministerie. Overigens is in dit geval zijdens verweerder toegelicht dat de herkomst van de positief bevonden dieren reeds vaststaat.

Omdat in de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestaat de dieren op verzoeksters bedrijf niet langer als verdacht aan te merken, komt het verzoek om opheffing van de OTP niet voor toewijzing in aanmerking.

De beslissing van verweerder om tot spoedige vernietiging van de 18 positief bevonden runderen over te gaan is, naar verweerder terecht heeft gesteld, gebaseerd op artikel 5a van de Regeling, dat uitvoering geeft aan artikel 23, tweede lid, van Richtlijn 96/23/EG en in een situatie als de onderhavige onmiddellijke vernietiging dwingend voorschrijft. Het enigszins late tijdstip waarop verzoekster kennis heeft genomen van de testresultaten kan geen aanleiding zijn tot opschorting van de uitvoering dan wel ongedaanmaking van dat besluit. Verzoekster heeft vanaf 22 december 2005 de gelegenheid gehad een contra-analyse te vragen, hetgeen zij om haar moverende redenen heeft nagelaten. Ook om die reden komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

Tenslotte wijst de voorzieningenrechter er, mede gelet op hetgeen zijdens verweerder met betrekking tot de representativiteit van het percentage onderzochte (haar)monsters ter zitting naar voren is gebracht, op dat de in de beslissing van 28 december 2005 aan verzoekster geboden keuzemogelijkheid in overeenstemming is met artikel 23, derde lid, van Richtlijn 96/23/EG. Van de onderzochte 21 monsters zijn er 18, derhalve ruimschoots meer dan de helft, positief bevonden, zodat verzoekster ingevolge voormeld artikellid voor de keuze moet worden gesteld de overige runderen op haar kosten te laten onderzoeken, dan wel alle op haar bedrijf aanwezige dieren zonder nader onderzoek te laten vernietigen.

Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening in al zijn onderdelen moet worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75a Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining