Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0338

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/64
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/64 6 januari 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: G. Ferwerda, werkzaam bij de Noordelijke Accountantsunie te Leek,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.M. Kouwets, werkzaam bij verweerder Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 januari 2005, bij het College binnengekomen op 26 januari 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen een drietal besluiten van 7 september 2004, waarbij eerdere besluiten tot toekenning aan appellant van akkerbouwsteun op grond van de regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen over de jaren 2000, 2001 en 2002 zijn herzien en reeds uitbetaalde steunbedragen zijn teruggevorderd.

Op 8 februari 2005 heeft het College van verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen en op 23 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2005, waar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht. De gemachtigde van verweerder werd bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen" en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities.”

In bedoelde bijlage staat:

“Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- (…)

- 5 % van de steunaanvragen "oppervlakten".

(…)

Artikel 9

(…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(...)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht tot terugbetaling van deze bedragen (...).”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 18 - Controlepercentages

1. De controles ter plaatse betreffen jaarlijks ten minste:

a) 5 % van alle bedrijfshoofden die een steunaanvraag "oppervlakten" indienen;

(…)

3. Wanneer is bepaald dat onderdelen van een controle ter plaatse door middel van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet deze steekproef een betrouwbaar en representatief controleniveau waarborgen. De lidstaten bepalen de criteria voor de samenstelling van de steekproef. Komen bij de steekproeven onregelmatigheden aan het licht, dan wordt de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 23 - Teledetectie

1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kunnen de lidstaten voor de in artikel 18, lid 1, onder a), bedoelde steekproef teledetectie gebruiken in plaats van traditionele middelen voor een controle ter plaatse. (…)

(…)

Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

2. (…)

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, (…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij zijn aanvraag oppervlakten 2003 onder meer de maïspercelen 12 (2.80 ha), 13 (1.50 ha) en 17 (1.67 ha) voor akkerbouwsteun opgegeven.

- Op basis van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, op 15 oktober 2003 aan verweerder gerapporteerd dat deze drie percelen in hun geheel niet voldoen aan de voorwaarden voor subsidiëring. Aan deze rapportage lag ten grondslag dat gebleken is dat deze percelen in de jaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik zijn geweest.

- Verweerder heeft appellant bij brief van 14 november 2003 de gelegenheid geboden om op deze bevindingen van GeoRas te reageren. Appellant heeft daarop gereageerd bij brief van 24 november 2003. Hij vroeg daarbij om verlenging van de hem gestelde termijn om te reageren.

- Bij besluit van 29 december 2003 heeft verweerder, zonder op appellants verzoek te reageren, in een en ander aanleiding gevonden de door appellant voor 2003 aangevraagde akkerbouwsteun geheel geweigerd en appellant ook nog een uitsluiting ad € 2593.- opgelegd. Appellant heeft tegen dit besluit bij brief van 23 januari 2004 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 7 mei 2004 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep bij het College ingesteld.

- Aangezien genoemde percelen ook in de aanvragen akkerbouwsteun voor 2000 (perceel 17), voor 2001 (de percelen 12 en 17) en voor 2002 (de percelen 12 en 17) voor akkerbouwsteun waren opgegeven, heeft verweerder bij drie besluiten van

7 september 2004 zijn eerdere besluiten op de aanvragen akkerbouwsteun voor de jaren 2000, 2001 en 2002 herzien.

- Bij het herziene besluit betreffende de aanvraag 2000 heeft verweerder vastgesteld dat door het alsnog niet aanvaarden van perceel 17 een verschil ontstaat tussen de aangevraagde oppervlakte maïs en de geconstateerde oppervlakte maïs, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 16,77% bedraagt. Met toepassing van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 dient dan op de geconstateerde oppervlakte maïs een korting te worden toegepast die gelijk is aan twee maal het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte. Daarom heeft verweerder van het reeds op de aanvraag 2000 toegekende steunbedrag een bedrag ad € 1957,61 teruggevorderd.

- Bij het herziene besluit betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder vastgesteld dat door het alsnog niet aanvaarden van de percelen 12 en 17 een verschil ontstaat tussen de aangevraagde oppervlakte maïs en de geconstateerde oppervlakte maïs, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 65,98 % bedraagt. Met toepassing van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kan dan voor de gewasgroep maïs geen steun worden toegekend. Daarom heeft verweerder het reeds voor deze gewasgroep toegekende steunbedrag ad € 4671,90 teruggevorderd.

- Bij het herziene besluit betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder vastgesteld dat door het alsnog niet aanvaarden van de percelen 12 en 17 een verschil ontstaat tussen de totale voor steun aangevraagde oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in een percentage van de totale geconstateerde oppervlakte, 49,50 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan dan voor de gehele aangevraagde oppervlakte geen steun worden toegekend. Daarom heeft verweerder het reeds voor de aanvraag 2002 toegekende steunbedrag ad € 5095,04 teruggevorderd.

- Tegen deze drie besluiten heeft appellant bij brief van 4 oktober 2004, aangevuld bij brieven van 14 oktober 2004, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, zonder appellant voor een hoorzitting uit te nodigen, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is het volgende overwogen.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie daarvan door GeoRas is gebleken dat de percelen 17 uit de aanvraag 2000 en de percelen 12 en 17 uit de aanvragen 2001 en 2002 gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet met een akkerbouwgewas beteeld zijn geweest en dus niet voldoen aan de voorwaarden voor het toekennen van akkerbouwsteun.

Op grond van het bepaalde in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 (voor de jaren 2000 en 2001) en artikel 49 van verordening (EG) nr. 2419/2001 is verweerder verplicht de ten onrechte uitbetaalde steunbedragen terug te vorderen. Hiervan kan slechts worden afgeweken als de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Van een dergelijke fout is geen sprake. Verweerder beschikte immers pas in oktober 2003 over de door GeoRas gebruikte satellietbeelden.

Het opgeven van percelen die niet aan de voorwaarden voldoen, komt voor risico van appellant, ondanks het feit dat de betaling al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden.

Het beroep op opgewekt vertrouwen door het eerder goedkeuren van de aanvragen 2000, 2001 en 2002 kan niet slagen. Naar vaste rechtspraak staat de omstandigheid dat verweerder in voorgaande jaren aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd er niet aan in de weg dat een latere aanvraag wordt getoetst aan meer gedetailleerde controlegegevens, zoals satellietopnamen. Aan de hand daarvan kan verweerder terugkomen op zijn in eerdere jaren getrokken conclusie dat een perceel voldoet aan de definitie akkerland.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Door over de jaren 2000, 2001 en 2002, na controle, eerst wel steun toe te kennen voor de percelen 12 en 17 heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat de percelen steunwaardig waren.

Het gaat niet aan dat deze besluiten thans worden teruggedraaid omdat er in 2003 satellietbeelden beschikbaar zijn gekomen. Deze beelden moeten er ook reeds geweest in de jaren 2000, 2001 en 2002. Verweerder had dus veel eerder op basis van deze beelden kunnen controleren, waardoor appellant eerder op deze bevindingen had kunnen inspelen.

Daarenboven waren de bewuste percelen over de jaren 1987 tot en met 1991 zeker niet permanent in gebruik als grasland. Nota’s voor de op deze percelen verrichte grondbewerkingen zijn beschikbaar. Dat deze nota’s niet perceelsgebonden zijn is gebruikelijk in de agrarische sector. Ten onrechte hanteert verweerder daarom de eis van perceelsgebondenheid.

Verder is het feit dat de aanvragen eerst positief werden beoordeeld aan te merken als een fout die voor appellant, die steeds te goeder trouw heeft gehandeld, redelijkerwijs niet kenbaar was.

Ter zitting heeft appellant hier nog het volgende aan toegevoegd.

Ten onrechte heeft verweerder aanvragers van akkerbouwsteun er bij eerdere beslissingen nooit op gewezen dat het in feite om voorwaardelijke beslissingen ging die, als bevindingen op basis van latere fijnmaziger controles daartoe aanleiding zouden geven, ook weer ingetrokken konden worden. Door dit na te laten heeft verweerder onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid gehandeld. Reeds uitbetaalde steunbedragen kunnen om die reden niet meer worden teruggevorderd.

De door Georas voor het jaar 1990 gebruikte satellietbeelden van 3 mei en 26 oktober laten de mogelijkheid open dat in de tussenliggende periode maïs is gezaaid en geoogst zonder dat dit op de beelden te zien is. Georas heeft dus op basis van deze beelden niet kunnen vaststellen dat er sprake was van permanent grasland.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Voorzover appellant meent dat satellietbeelden te onnauwkeurig zijn om als basis te dienen voor besluitvorming door verweerder, volgt het College appellant hierin niet.

Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN AU4088), vergt de interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.2 Appellant heeft de premiewaardigheid van de betreffende percelen niet aannemelijk gemaakt.

Van een verkeerde interpretatie van de satellietbeelden uit 1990 is niet gebleken. Verweerders betoog dat de satellietbeelden van 3 mei 1990 en 26 oktober 1990 geen definitief uitsluitsel bieden omtrent het al dan niet voorkomen van een akkerbouwgewas op het betreffende perceel, omdat van die jaren een beeld uit het groeiseizoen ontbreekt, kan appellant niet baten.

Namens GeoRas is ter zitting immers uiteengezet dat op het beeld van 26 oktober een volle grasmat is waar te nemen. Indien er vóór die datum maïs zou hebben gestaan is het uitgesloten dat op die datum een volle grasmat te zien zou zijn. Daarenboven is er op omliggende percelen op dezelfde datum wel maïs te zien. Het College ziet geen reden om te twijfelen aan dit oordeel van GeoRas.

In de bezwaarprocedure met betrekking het besluit omtrent de aanvraag 2003 heeft appellant rekeningen uit 1989 en 1990 van loonwerker C uit B overgelegd, waaruit blijkt dat in die jaren voor appellant 6 respectievelijk 5 ha maïs werd gezaaid. Uit deze rekeningen blijkt niet dat het zaaien betrekking had op de percelen 12 en 17. Met deze rekeningen heeft appellant derhalve niet aangetoond dat de percelen 12 en 17 - in afwijking van de bevindingen van GeoRas - als akkerland in gebruik waren in de jaren 1989 en/of 1990.

5.3 Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat hij ingevolge de artikelen 14 van verordening (EEG) nr. 3887/92 en 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht is de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen.

Dezelfde verplichting geldt voor het toepassen van de ingevolge de Verordeningen (EEG) nr. 3887/92 en (EG) nr. 2419/2001 op te leggen sancties.

Die verplichting tot terugvordering lijdt, gelet op artikel 14, vierde lid van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, slechts uitzondering als er sprake is van een fout van verweerder die voor appellanten redelijkerwijs niet als zodanig herkenbaar was.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen in onder meer zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633, www. rechtspraak.nl, LJN : AT 8929) is hiervan in een situatie als hier aan de orde geen sprake. De aanvrager is immers zelf verantwoordelijk voor het indienen van een juiste aanvraag. Als verweerder op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens tot een toekenning en uitbetaling is gekomen, kan dit geen reden vormen om van terugvordering af te zien, indien bij latere controle blijkt dat het perceel niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet.

5.4 Het betoog van appellant dat de eerdere goedkeuringen tot stand zijn gekomen na een controle en dat hij er dus op mocht vertrouwen dat de percelen steunwaardig waren, kan evenmin slagen.

Aan toekenning van akkerbouwsubsidie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 18 eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas op de hoogte geraakt van het feit dat het betrokken perceel niet voldeed, nadat GeoRas in oktober 2003 een teledetectiecontrole had uitgevoerd. Aan het enkele feit dat in de jaren 2000, 2001 en 2002 steun werd toegekend voor de bewuste percelen kan appellant niet het vertrouwen ontlenen dat deze percelen voldeden aan de voorwaarden voor steunverlening.

5.5 Voorzover appellant een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat ook van toepassing is op jaren vóór 2002, waarin onder andere bepaald is dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft, overweegt het College als volgt.

Het College acht het denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden verkregen heeft, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van deze bepaling aan oplegging van een sanctie kan ontkomen.

Deze situatie doet zich hier niet voor nu appellant de betreffende percelen in de referentieperiode zelf in gebruik had en dus bij zichzelf, alvorens hij de percelen 12 en 17 voor steun aanmeldde, had moeten nagaan of aan de voorwaarden voor steunverlening werd voldaan.

Dat appellant daarbij te goeder trouw heeft gehandeld is door verweerder overigens niet in twijfel getrokken gelet op het gegeven dat hij bij opzettelijke onjuiste opgave zwaardere sancties zou hebben moeten toepassen dan hij thans heeft toegepast.

5.6 Gelet op al het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas