Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AV0326

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
AWB 02/1268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Melkequivalent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1268 13 januari 2006

10810 Melkequivalent

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

het Productschap Zuivel, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: mr. F.G.P. Diermanse en A.P. Van Houten, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 20 juni 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 mei 2002.

Bij brief van 12 juli 2002 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Op 6 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 april 2003 heeft een eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens B verschenen.

Bij beschikking van 27 augustus 2003 heeft het College het onderzoek heropend en appellante om nadere informatie gevraagd.

Bij brief van 24 september 2003 heeft appellante het College geantwoord.

Bij brief van 28 juli 2004 heeft verweerder gereageerd op het antwoord van appellante.

Op 15 december 2004 heeft een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen werden opnieuw vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Namens appellante zijn tevens B en C verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst, in afwachting van nader bericht van appellante.

Appellante heeft het College nader bericht bij brief van 22 februari 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft verweerder een reactie aan het College gestuurd.

Bij brief van 13 september 2005 heeft appellante haar standpunt gehandhaafd.

Vervolgens hebben is het onderzoek gesloten, nadat beide partijen toestemming hadden gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (Pb. 1992, L 405) bepaalt, voorzover hier van belang:

"1. De heffing is verschuldigd over alle hoeveelheden melk of melkequivalent die in het betrokken tijdvak van twaalf maanden op de markt worden gebracht en een van de in artikel 3 bedoelde hoeveelheden overschrijden. De heffing wordt verdeeld over de producenten die tot de overschrijding hebben bijgedragen.

(…)

2. Wat de leveringen betreft, betaalt de heffingsplichtige koper aan de bevoegde instantie van de Lid-Staat (…) het verschuldigde bedrag, dat hij inhoudt op de prijs die hij voor de melk verschuldigd is aan de producent die de uiteindelijke schuldenaar van de heffing is of op een andere wijze met passende middelen int.

(…)

3. Wat rechtstreekse verkoop betreft, betaalt de producent (…) de verschuldigde heffing aan de bevoegde instantie van de Lid-Staat."

Artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (Pb. 1993, L 57) luidt, voor zover hier van belang:

" 1. De Lid-Staten nemen alle nodige controlemaatregelen om te waarborgen dat de heffing wordt geïnd op de hoeveelheden melk en melkequivalent die boven een van de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde hoeveelheden op de markt zijn gebracht. Daartoe geldt het volgende:

(…)

f) De producenten die over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop beschikken, houden gedurende ten minste drie jaaar de volgende bescheiden ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat:

(…) een produktboekhouding per tijdvak van twaalf maanden waarin de hoeveelheid, per maand en per produkt, van de rechtstreeks aan de consument (…) verkochte melk en/of zuivelprodukten wordt vermeld (…)."

De Regeling superheffing 1993 (Stcrt. 1993, 60) bepaalt, voor zover hier van belang:

" Artikel 4

1. De producent is ter zake van rechtstreekse verkoop voor consumptie van een hoeveelheid melk, of het equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop overschrijdt, een heffing verschuldigd.

(…)

Artikel 31

1. De (…) producent, die ingevolge de artikelen (…) 4 een heffing verschuldigd is of kan worden, is verplicht conform het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform de door het productschap gestelde regelen een administratie te voeren.

2. Het productschap kan ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vaststellen, indien de verplichtingen uit het eerste lid (…) niet of, naar het oordeel van het productschap, onvoldoende worden nagekomen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een melkveehouderijbedrijf te X.

- Blijkens een bedrijfsaansluitingscertificaat van de Stichting Skal van 20 juli 1998, voldoet de bij de uitoefening van de melkveehouderij door appellante gevolgde productiemethode, volgens een op 18 juni 1998 plaatsgevonden controle, aan hoofdstuk 2 van de Skal-normen en de artikelen 5 en 6 van het Controlereglement Skal Controle.

- Bij rapport van 22 februari 1999 heeft een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van - toen - het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verslag gedaan van bevindingen op het bedrijf van appellante met betrekking tot de heffingsperiode 1997/1998.

- Appellante beschikte voor de heffingsperiode 1998/1999 over een consumenten-quotum van 23.012 kg. Daarnaast had zij een fabrieksquotum van 355.291 kg (4,41% vet), waarvan 88.891 was toegedeeld aan DOC Hoogeveen; de rest was verhuurd.

- Bij een op 21 april 1999 ondertekend formulier heeft appellante aangifte gedaan van de ontvangst als koper in de heffingsperiode 1998/1999 van 256.078 kg melk van de producenten D en E. Na toepassing van vetcorrecties wordt deze hoeveelheid gesteld op 266.132 kg. Als totale hoeveelheid vet van de ontvangen melk is 10.958,74 kg opgegeven.

- Appellante heeft bij een op 11 mei 1999 ondertekend formulier aan verweerder gespecificeerd opgave gedaan van door haar als producent in de heffingsperiode 1998/1999 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheden melk en andere zuivelproducten, steeds onder vermelding van het bij de onderscheiden producten behorende vetgehalte. Hierbij is aangegeven dat 23.905 kg room is vernietigd of vervoederd. Bovendien wordt vermeld dat appellante voor de bereiding van de opgegeven producten 264.124 kg melk, met een vetgehalte van 4,06%, afkomstig van D en 5.040 kg melk, met een vetgehalte van 4,01%, afkomstig van E, heeft gebruikt.

- Bij brief van 14 juni 1999 heeft verweerder appellante bericht, dat - ondanks een verzoek tot toezending hiervan - een administratie omtrent vervoedering van 23.905 kg melk door verweerder niet is ontvangen. Verzocht wordt om de administratie die is gevoerd over de vrijgekomen room/boter die is vervoederd of vernietigd binnen twee weken toe te zenden.

- Bij brief van 5 juli 1999 heeft verweerder appellante bericht omtrent de verwerking van de opgave. Verweerder heeft berekend dat, om de productie van de opgegeven zuivelproducten te realiseren, 469.390 kg melk is gebruikt. Hiervan bestaat 256.078 kg uit melk die aan appellante is geleverd door andere producenten. Als aftrek voor de bijkoop van deze melk neemt verweerder bij de bepaling van het gerealiseerde melkequivalent een evenredig gedeelte van 256.078/469.390 in aanmerking, hetgeen leidt tot een vermindering van de hoeveelheid melkequivalent met 0.545 x 256.078 = 139.563 kg.

- Verweerder heeft de door appellant opgegeven hoeveelheden melk(producten) overgenomen en, na omrekening, uitgedrukt in hoeveelheden melkequivalent. Deze hoeveelheden zijn weergegeven in het bericht "registratie consumentenleveringen heffingsperiode 1998/1999", gedateerd 9 juli 1999 en bedragen in totaal 280.111 kg melkequivalent. In bedoeld registratiebericht is - gevolg gevend aan verweerders brief van 5 juli 1999 - op deze hoeveelheid 139.563 kg in mindering gebracht in verband met aangekochte melk, onder aangeven dat de eventueel verschuldigde superheffing zal worden berekend op basis van de aldus berekende hoeveelheid van 140.548 kg melkequivalent.

- Bij nota van 27 juli 1999 heeft verweerder over de periode 1998/1999 superheffing in rekening gebracht ten bedrage van

fl. 87.772,01, in verband met een overschrijding van de inningvrije hoeveelheid van 28.765 kg met 111.783 kg.

- Bij brief van 12 augustus 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de omvang de vermindering van de hoeveelheid melkequivalent in verband met bijkoop van melk. Hem is de berekening van de totale hoeveelheid uitgangsmelk niet duidelijk. Voorts is de berekening van de aftrek volgens de door verweerder gehanteerde formule volgens hem onjuist.

- Op 20 november 2001 is het bezwaarschrift namens appellante toegelicht ten overstaan van een hoorcommissie van verweerder.

- Bij brief van 18 december 2001 heeft verweerder appellante toegelicht hoe de totale hoeveelheid uitgangsmelk is berekend. Voorts is aangegeven dat bij de berekening van de volgens de evenredigheidsmethode toe te passen aftrek in verband met bijkoop een fout is gemaakt. De af te trekken hoeveelheid dient 256.078/469.390 maal 280.111 kg = 152.660 kg te bedragen.

- Bij brief van 23 januari 2002 heeft appellante haar bezwaar nader gemotiveerd. Zij geeft aan dat de door verweerder gehanteerde evenredigheidsmethode ervan uitgaat dat van de totale hoeveelheid - onder bezwarende titel - verworven melk 103.418 kg niet gebruikt zou zijn voor de opgegeven melkproducten. Indien dit juist zou zijn, zou appellante een dief van haar eigen portemonnee zijn. In reactie op de door verweerder gememoreerde uitspraak van het College van 9 augustus 2000, AWB 00/116, vermeldt appellante:

" De uitspraak van het CBB laat ruimte voor de conclusie dat de evenredigheidsmethode onaanvaardbaar is wanneer de bekende gegevens duidelijke uitgangspunten bieden voor dit oordeel. Zoals ik (…) heb aangegeven produceert A zuivelproducten op biologisch-dynamische basis (SKAL). Gedurende de heffingsperiode 1998/1999 voldeed het melkvee-bedrijf van A nog niet aan alle voorwaarden om als biologisch-dynamisch melkveebedrijf gekwalificeerd te kunnen worden. De melk geproduceerd door het melkvee aanwezig op het bedrijf kon dan ook niet gebruikt worden voor de productie van zuivelproducten met het predikaat biologisch-dynamisch. De door A van derden aangekochte hoeveelheid melk bestaat uit biologisch-dynamisch geproduceerde melk. Met het oog hierop heeft A op haar bedrijf gescheiden opslagtanks waarin enerzijds de aangekochte melk en anderzijds de op haar bedrijf geproduceerde melk wordt opgeslagen. De aangekochte melk is vanuit deze opslagtanks geheel aangewend voor de productie van zuivelproducten met het predikaat biologisch-dynamisch. De vernietigde hoeveelheden zuivelproducten zijn geproduceerd op basis van de op het melkveebedrijf van A geproduceerde melk. Vergelijking van het overzicht neergelegd op pagina 2 van uw brief d.d. 18 december 2001 met het overzicht van het melkequivalent leert dat het verschil tussen deze cijfers grotendeels wordt veroorzaakt door de halfvolle consumptiemelk: 245.320 kilogram melk tegenover 846.35 kilogram melkequivalent. A levert dit product aan DOC Hoogeveen. Het bij de vervaardiging van deze melk vrijkomend restproduct (vet/room) wordt gevoerd aan het vee op het bedrijf of vernietigd. Toepassing van de evenredigheidsmethode is gebaseerd op het onlogische uitgangspunt dat A deze melk van derden aankoopt om na verwerking tot halfvolle melk te leveren aan DOC voor een lage prijs.

A beklaagt er zich in dit verband tot slot over dat het Productschap voor Zuivel haar voor de heffingsperiode 1998/1999 nooit gewezen heeft op de verplichting om te administreren welke hoeveelheid producten is gemaakt op basis van aangekochte melk en welke hoeveelheid producten is gemaakt op basis van andere melk. Dit hoewel de AID het bedrijf van A in het verleden regelmatig heeft onderzocht. In dit verband wijs ik u onder meer op het bij de stukken aanwezige controlerapport d.d. 26 november 1996 waarin neergelegd een door de AID gegeven advies met betrekking tot de productieadministratie.

In dit advies wordt geen gewag gemaakt om in de administratie een onderscheid aan te leggen tussen enerzijds de verwerkte hoeveelheid aangekochte melk en anderzijds de zelf geproduceerde hoeveelheid verwerkte melk."

- Op 23 april 2002 is het bezwaarschrift nader toegelicht ten overstaan van verweerders hoorcommissie. Het verslag van deze zitting vermeldt:

" De heer B zegt dat na de certificering door de SKAL - omstreeks juni 1998 - de op het eigen bedrijf geproduceerde melk tezamen met de aangekochte biologische melk is verwerkt in de biologische zuivelproducten. Vóór die tijd is in 1998/1999 alle eigen melk afgeroomd en als ondermelk aan DOC geleverd. De room is in de put weggelopen."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij zijn brief van 18 december 2001 reeds gesignaleerde onjuistheid rechtgezet. De op het melkequivalent toe te passen vermindering wordt bepaald op 152.660 kg. De heffing wordt op grond hiervan verlaagd tot NLG 77.488,25 (€ 35.162,63).

Behoudens voormelde correctie wordt het bezwaar niet gehonoreerd. Hiertoe wordt overwogen:

" De regeling kent geen bepaling over de gevolgen voor het melkequivalent, dat in aanmerking wordt genomen voor vaststelling van de ingevolge artikel 4 Regeling superheffing 1993 verschuldigde superheffing, indien de producent voor de zuivelbereiding ook gebruik maakt van melk welke niet op zijn bedrijf is geproduceerd.

Er wordt vanuit gegaan dat de door de B.V. (als producent) aangekochte melk door de B.V., als koper van melk, is verantwoord voor de superheffing. Daarom is het redelijk dat, voorzover de aangekochte melk is gebruikt voor de bereiding van de door de producent geleverde zuivelproducten, daarmee rekening wordt gehouden bij de bepaling van het melkequivalent.

(…)

Ingevolge artikel 31, lid 1 Regeling superheffing 1993 rust op de B.V., als producent van zuivelproducten, de verplichting om een administratie te voeren conform artikel 7 Verordening (EEG) nr. 536/93 en de door het productschap gestelde regelen, welke zijn neergelegd in artikel 11 van de productschaps-verordening.

Voor de onderhavige situatie brengt dit met zich dat uit de administratie ook moet zijn af te leiden in hoeverre de geleverde producten bereid zijn uit de aangekochte melk.

Voldoet de administratie op dit onderdeel niet aan de eisen, dan is de COS, ingevolge artikel 31, lid 2 Regeling superheffing 1993, bevoegd om over te gaan tot ambtshalve vaststelling van het melkequivalent dat mogelijk in de super-heffing dient te worden betrokken.

De B.V. beschikt niet over een administratie die inzicht geeft in het gebruik van de eigen melk enerzijds en de aangekochte melk anderzijds. Ook de feiten bieden geen duidelijke aanknopingspunten voor uw stelling dat de hoeveelheid aangekochte melk, met inbegrip van de vetbestanddelen, volledig is aangewend voor de productie van de geleverde zuivelproducten en dat het vet dat vernietigd is afkomstig is van de eigen koeien.

(…)

Gezien het vorenstaande heeft de COS in het bestreden besluit gekozen voor een benadering waarbij voor de aangekochte melk uitsluitend een evenredig deel van de (geschatte) totale hoeveelheid melk die gebruikt is voor de bereiding van de, door uw cliënt geproduceerde producten - inclusief de vernietigde producten - in mindering wordt gebracht.

Het gaat hierbij om een ambtshalve vaststelling van het melkequivalent, bij gebreke van een adequate administratie van het gebruik van de aangekochte melk voor de bereiding van de geleverde producten."

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante heeft in haar nader beroepschrift van 12 juli 2002 - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante exploiteert een melkveebedrijf en een zuivelbedrijf. Het zuivelbedrijf produceert sinds april 1997 op biologische basis. Omdat het melkveebedrijf in 1998/1999 nog niet aan alle Skal-voorwaarden voldeed, was appellante gedwongen om de melk voor de biologisch geproduceerde zuivelproducten van derden te betrekken. De melkvee-bedrijven van D en E voldeden destijds reeds aan deze voorwaarden. De van hen betrokken melk werd op het bedrijf van appellante gescheiden van de eigen melk opgeslagen in aparte tanks.

Artikel 7, eerste lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 536/93 verplicht er niet toe in de administratie vast te leggen in hoeverre van derden gekochte melk enerzijds en op het eigen bedrijf geproduceerde melk anderzijds is aangewend voor de productie van aan de consument verkochte producten. Het ontbreken van een dergelijk onderscheid in de administratie van appellante kan dan ook geen reden zijn om toepassing te geven aan artikel 31, tweede lid, van de Regeling superheffing 1993.

Evenmin bevat artikel 7, eerste lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 536/93 de verplichting een administratie bij te houden van niet verkochte hoeveelheden melk en zuivelproducten. In dit verband wordt opgemerkt dat dezelfde vraag aan de orde is, die het College bij uitspraak van 12 juni 2002, AWB 00/392, heeft voorgelegd aan het Hof van Justitie. Appellante verzoekt dan ook om aanhouding in afwachting van beantwoording door het Hof.

Noch verweerder, noch de AID heeft op enig moment vóór dan wel in de heffingsperiode 1998/1999 aangegeven dat in de administratie een duidelijk onderscheid diende te worden aangelegd tussen gekochte en zelf geproduceerde melk. Zulks terwijl de administratie regelmatig per heffingsperiode door de AID is onderzocht. In dit verband wordt een afschrift overgelegd van het AID-rapport van 22 februari 1999.

De evenredigheidsmethode is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Regeling superheffing 1993 en artikel 2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 3950/92. Ingevolge deze bepalingen dient de heffing te worden gerelateerd aan de rechtstreeks verkochte hoeveelheid melkequivalent. Verweerder miskent dit door de bijdrage van de gekochte melk niet te relateren aan het melkequivalent, maar aan de hoeveelheid verwerkte melk.

Ter zitting heeft appellante nog eens aangegeven waar het in het bijzonder om gaat: de handelwijze van verweerder leidt ertoe, dat heffing betaald gaat worden over melk die al op de markt is gebracht. Hiermee wordt getornd aan het beginsel, zoals dit tot uitdrukking komt in artikel 2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 3950/92. In een dergelijke situatie past het niet om op de betrokken producent een bewijslast te leggen zoals verweerder doet.

Met betrekking tot de geleverde hoeveelheden wordt in het nader beroepschrift vermeld:

“ A produceert grotendeels magere zuivelproducten, waaronder met name magere melk die wordt geleverd aan de fabriek (koper) DOC te Hoogeveen. Over de periode 1998/1999 beschikte A over een consumentenquotum ter grootte van 23.012 kilogram en over een fabrieksquotum van 355.291 kilogram (4,41% vet) waarvan 88.891 kilogram was toegedeeld aan DOC Hoogeveen. Het overige gedeelte van het fabrieksquotum was verhuurd aan derden.”

en

“ A heeft van zijn fabrieksquotum (…) 88.891 kilogram toebedeeld aan DOC Hoogeveen. A levert echter een grotere hoeveelheid melk aan DOC Hoogeveen echter met dien verstande dat deze melk sterk is afgeroomd waardoor met de totale geleverde hoeveelheid een substantieel lager melkequivalent correspondeert. Blijkens het overzicht neergelegd op pagina 2 van de brief van het Productschap Zuivel d.d. 18 december 2001 (…) heeft A 245.320 kilogram halfvolle consumptiemelk geleverd waarmee een melkequivalent correspondeert van 84.635 kilogram. Het product dat vrijkomt met het afromen van deze melk (vet/room) wordt op het bedrijf van A hetzij vervoederd hetzij vernietigd.”

4.2 Na heropening van het onderzoek bij beschikking van 27 augustus 2003 heeft appellante bij brief van 24 september 2003 een afschrift overgelegd van een overzicht van DOC Hoogeveen van 16 september 2003, waarin is aangegeven dat onder bedrijfsnummer 517608 door appellante in de periode 1998/1999 40.268 kg melk is geleverd, met een vetpercentage van 3, welke leverantie op nul is gesteld. Tevens is aangegeven dat onder bedrijfsnummer 517518 175.050 kg melk is geleverd, met een vetpercentage van 0,68. Appellante geeft aan dat eerstvermeld bedrijfsnummer de tank betreft waarin van derden afkomstige melk werd opgeslagen.

Appellante geeft voorts aan dat de in het opgaveformulier vermelde 245.320 kg halfvolle melk rechtstreeks voor consumptie is geleverd.

4.3 Ter zitting van 15 december 2004 heeft appellante verklaard dat de 245.320 kg halfvolle melk geen melk betreft die aan DOC Hoogeveen is geleverd. Verder heeft appellante onder meer verklaard dat van de ingekochte melk ook boter wordt gemaakt, die door de onderneming wordt verkocht. Deze boter is niet vermeld op het opgaveformulier van 11 mei 1999. De op dit formulier opgegeven 2.125 kg boter betreft enkel boter die is vervaardigd uit melk van de eigen boerderij van appellante.

4.4 Na schorsing van het onderzoek ter zitting van 15 december 2004 heeft appellante een overzicht in geding gebracht van in de periode 1998/1999 geproduceerde zuivelproducten. Dit overzicht komt overeen met de opgave van 11 mei 1999 en de omrekening hiervan in melkequivalenten, zoals verweerder deze in de registratie van 5 juli 1999 maakte. Appellante vermeldt in haar overzicht tevens welk gewicht aan vet de diverse categorieën producten bevatten. In totaal bevat de hoeveelheid melkequivalent van 280.110 kg volgens dit overzicht 11.808 kg vet.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 is een producent superheffing verschuldigd over melk die hij aan een koper levert met overschrijding van zijn individuele referentiehoeveelheid. Deze heffing is blijkens artikel 2, eerste lid, van deze verordening verschuldigd over de hoeveelheden die met overschrijding van een van de in artikel 3 bedoelde hoeveelheden op de markt worden gebracht.

Uit genoemde bepalingen valt op te maken, dat melk die door een producent aan een koper is geleverd, hetzij zonder superheffing te zijn verschuldigd, hetzij - ingeval van overschrijding - met verschuldigdheid van superheffing, na deze levering heeft te gelden als op markt gebracht. Nu voorts moet worden aangenomen dat een hoeveelheid melk (voor de toepassing van de superheffingsregels) maar eenmaal op de markt kan worden gebracht, kan terzake van enigerlei afzet door appellante van door een producent eerder aan haar in haar hoedanigheid van koper geleverde - en door haar verantwoorde - melk niet (opnieuw) een superheffing verschuldigd worden.

5.2 Het vorenstaande leidt ertoe dat de door appellante verkochte zuivelproducten, voorzover deze zijn bereid uit de 256.078 kg van D en E gekochte melk, geheel buiten beschouwing dienen te blijven bij de bepaling van de door appellante gerealiseerde hoeveelheid rechtstreeks verkochte melk(equivalenten) die in potentie aan superheffing kan worden onderworpen. Hiertoe zondert verweerder een hoeveelheid ter grootte van 152.660 kg melkequivalent van de totale door appellante gerealiseerde hoeveelheid verkochte producten af. Ter beoordeling staat of het besluit van verweerder stand kan houden om niet de volledige gekochte hoeveelheid van 256.078 kg in mindering te brengen op de hoeveelheid door appellante gerealiseerd melkequivalent en of verweerder de in aftrek te brengen hoeveelheid op het door hem met behulp van de evenredigheidsmethode vastgestelde niveau van 152.660 kg heeft mogen bepalen.

5.3 Appellante is aan te merken als producent die ingevolge artikel 4 van de Regeling superheffing 1993 ter zake van zijn rechtstreekse verkoop voor consumptie een heffing verschuldigd kan worden. Dit brengt mee dat op haar ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Regeling superheffing 1993 de verplichting rust een administratie te voeren conform het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform de door verweerder gestelde regelen. Appellante is derhalve verplicht overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 536/93 gedurende tenminste drie jaar een productboekhouding bij te houden waarin de hoeveelheid, per maand en per product, rechtstreeks verkochte melk en zuivelproducten wordt vermeld. Naar het oordeel van het College brengt deze - met het oog op de berekening van eventueel verschuldigde heffing vastgelegde - verplichting voor een producent die stelt zijn rechtstreeks verkochte producten gedeeltelijk te bereiden uit van een koper betrokken melk met zich, dat deze producent tevens met zijn administratie zal moeten aantonen in hoeverre de rechtstreeks verkochte zuivelproducten afkomstig zijn van deze ingekochte melk. Immers, dit gegeven is bij de bepaling van de hoeveelheid melk(equivalent) die mogelijk in de superheffing dient te worden betrokken van wezenlijk belang. Indien bedoelde producent dit niet kan aantonen omdat zijn administratie op vorenbedoeld onderdeel tekortschiet, is verweerder bevoegd ingevolge artikel 31, tweede lid, Regeling superheffing 1993 over te gaan tot een ambtshalve vaststelling van de afgeleverde hoeveelheid.

Vaststaat dat appellantes administratie op vorenbedoeld onderdeel tekortschiet. Een ambtshalve vaststelling, waartoe verweerder dan in beginsel bevoegd is, dient noodzakelijkerwijs te zijn gebaseerd op een schatting. Naar het College eerder heeft overwogen, dient een dergelijke schatting, met gebruikmaking van de wel bekende gegevens, datgene wat zich heeft voorgedaan zo dicht mogelijk te benaderen en ook overigens aannemelijk en overtuigend te zijn. De door verweerder gekozen benadering, erop neerkomende dat alle voor de bereiding van zuivelproducten gebruikte uitgangsmelk, met inbegrip van de melk afkomstig van D en E, in gelijke mate zal zijn benut voor de diverse verkregen (rest)producten - inclusief de vernietigde of vervoederde room - komt het College hierbij als "forfaitair systeem" niet onaanvaardbaar voor, tenzij de wel bekende gegevens duidelijke aanknopingspunten bieden voor een ander oordeel. Van dergelijke aanknopingspunten is in het onderhavige geval geen sprake.

5.4 Allereerst overweegt het College in dit verband dat appellante in het nader beroepschrift de praktijk van vervoedering en vernietiging van vet, vrijgekomen bij bereiding van de 245.320 kg halfvolle melk, toelicht door aan te geven dat de aan DOC geleverde melk sterk wordt afgeroomd, waarna een melkequivalent van 84.635 kg resteert. Zowel bij brief van 24 september 2003 als ter zitting van 15 december 2004 heeft appellante verklaard dat de 245.320 kg halfvolle melk evenwel geen melk betreft die aan DOC Hoogeveen is geleverd, maar rechtstreeks aan de consument is verkocht. Dit punt is, ondanks de heropening van het onderzoek en een tweede onderzoek ter zitting, niet volledig opgehelderd. In ieder geval staat voor het College wel vast, dat de geschetste praktijk met betrekking tot aan DOC geleverde melk, feitelijk geen overtuigende onderbouwing kan vormen van vernietiging of vervoedering van vet, vrijgekomen bij de bereiding van 245.320 kg rechtstreeks aan consumenten verkochte melk.

5.5 Voorts is het volgende van belang. Ter zitting van 15 december 2004 heeft appellante aangegeven dat de 2.125 kg boter - corresponderend met 1.806,25 kg vet - waarvan opgave is gedaan op het formulier van 11 mei 1999, is vervaardigd uit melk van het eigen bedrijf. Ook van de aangekochte melk is boter gemaakt, die is vermarkt, maar deze is niet op de opgave van 11 mei 1999 vermeld, aldus appellante. In verband met deze constatering is het onderzoek ter zitting op 15 december 2004 geschorst, teneinde appellante in de gelegenheid te stellen opheldering te bieden en aan te geven welke consequenties deze constatering zou hebben voor de door haar voorgestane berekeningswijze. De door appellante ingezonden reactie van 22 februari 2005 biedt op dit punt evenwel geen opheldering, aangezien opnieuw wordt volstaan met aan te geven dat 2.125 kg boter is geleverd, hetgeen overeenkomt met de opgave van 11 mei 1999, waarvan appellante heeft aangegeven dat deze geen compleet beeld biedt van de rechtstreeks verkochte hoeveelheid boter in de periode 1998/1999.

5.6 Het College constateert op grond van het voorgaande dat appellante de feitelijke gegevens omtrent haar bedrijf niet eenduidig en consequent heeft gepresenteerd.

Bovendien blijkt dat boter rechtstreeks voor consumptie is geleverd, die niet op het opgaveformulier van 11 mei 1999 is ingevuld en dus niet wordt verantwoord voor de superheffing. Desbetreffende opgave is ten onrechte achterwege gebleven, temeer nu wél aanspraak wordt gemaakt op volledige aftrek van de wel op het formulier opgegeven aangekochte uitgangsmelk waaruit boter is bereid op basis van volle melk (met vetpercentages van 4,01 en 4,06).

5.7 Gegeven de voortbestaande onduidelijkheid en bij gebreke van een correcte opgave van de hoeveelheid rechtstreeks verkochte boter, kan niet worden vastgesteld dat een bepaalde, van de forfaitaire benadering afwijkende, berekening de juiste zou zijn. Onder deze omstandigheden schiet verweerder niet tekort, wanneer hij uitgaat van de opgave die appellante wél heeft gedaan en toepassing geeft aan het in beginsel aanvaardbaar te achten forfaitaire systeem van ambtshalve vaststelling.

5.8 Gelet op het voorgaande kan hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd om afwijking van het forfaitaire systeem te rechtvaardigen, haar niet baten. Het College overweegt dienaangaande desalniettemin het volgende.

Appellante voert aan dat de in de heffingsperiode 1998/1999 rechtstreeks verkochte producten biologisch waren. Omdat haar eigen bedrijf nog niet was erkend, waren deze producten bereid met de van D en E betrokken biologische melk, die - vanwege deze hoedanigheid - in afzonderlijke tanks werd opgeslagen. Het College overweegt hieromtrent dat bewijs van een feitelijke scheiding van melk die benut werd voor vervaardiging van rechtstreeks te verkopen producten en melk die voor de fabriek bestemd was, ontbreekt. Indien al sprake was van een strikte scheiding tussen tanks voor gekochte melk enerzijds en van het eigen bedrijf afkomstige melk anderzijds, dan vormt dit bovendien geen bewijs van de bestemming die de bestanddelen van de aldus opgeslagen melk hebben gekregen.

Voorts overweegt het College in dit verband dat het bedrijf van appellante - inclusief haar eigen melkveehouderij - volgens het bedrijfsaansluitingscertificaat van de Stichting Skal van 20 juli 1998 voldoet aan de normen waaraan het kennelijk dient te voldoen om als biologisch bedrijf te kunnen functioneren. Dit betekent dat per genoemde datum geen noodzaak meer bestond om de rechtstreeks verkochte producten te bereiden uit van D en E gekochte melk. In ieder geval vanaf 20 juli 1998 komt aan het biologische karakter van de gekochte melk binnen de totale melkvoorraad op het bedrijf van appellante dus geen met de bestemming samenhangende onderscheidende betekenis meer toe en kan hieraan dus ook in zoverre niet de door appellante verlangde bewijskracht worden ontleend.

5.9 Appellante verzoekt, met een beroep op de uitspraak van het College van 12 juni 2002, AWB 00/392, de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden. Bedoelde uitspraak is inmiddels gevolgd door een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 12 februari 2004 (Slob, C-236/02).

Naar het College eerder heeft overwogen in onder meer zijn uitspraken van 26 januari 2005 (AWB 02/1303 en 03/796), zijn gegevens over de mate waarin de rechtstreeks verkochte zuivelproducten afkomstig zijn van eigen, onderscheidenlijk ingekochte melk, van wezenlijk belang bij de bepaling van de hoeveelheid melk(equivalent) die mogelijk in de superheffing dient te worden betrokken. Dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Slob de administratieverplichting ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder f., van Verordening 536/93 niet meer omvat dan de hoeveelheid, per maand en per product, van de melk en/of zuivelproducten die zijn verkocht, sluit niet uit dat verweerder nadere gegevens als hiervoor bedoeld, kan verlangen van de producent die zijn aangifte baseert op een bijzondere bedrijfsvoering waarbij een omvangrijke hoeveelheid aangekochte melk wordt verwerkt tot zuivelproducten met behoud van het melkvet, terwijl het vet uit de eveneens ter vervaardiging van zuivelproducten benutte eigen melk juist wordt vernietigd. Het College ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder bij gebreke van zodanige nadere gegevens voor de vaststelling van de superheffing zonder meer gebonden zou zijn aan de ter verwerking van de aangifte gegeven voorstelling van zaken.

5.10 De stelling van appellante dat verweerder de gekochte melk niet zou relateren aan de rechtstreeks verkochte hoeveelheid melkequivalent, berust op een misvatting. Verweerder hanteert de evenredigheidsmethode immers om aan de hand van het aandeel van de reeds eerder op de markt gebrachte melk in de totale hoeveelheid uitgangsmelk vast te stellen wat de omvang van de in het kader van de rechtstreekse verkopen nog te verantwoorden hoeveelheid melkequivalent is. Van de gestelde strijd met artikel 4, eerste lid, van de Regeling superheffing 1993 en artikel 2, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 3950/92, is dus geen sprake. Appellantes betoog dat verweerders handelwijze leidt tot een heffing over reeds op de markt gebrachte melk, faalt dus evenzeer.

5.11 Dat de AID appellante niet voorafgaand of in de heffingsperiode 1998/1999 heeft gewezen op de verplichting met nadere administratieve gegevens aan te tonen in welke mate de rechtstreeks verkochte zuivelproducten afkomstig zijn van, als gesteld, de aangekochte melk, ontslaat appellante niet van naleving van deze verplichting. Het College overweegt hiertoe, dat verweerder in redelijkheid van een producent die stelt te handelen op de bijzondere, van de gebruikelijke praktijk afwijkende wijze als aangegeven door appellante en op grond van deze handelwijze jegens verweerder aanspraak wenst te maken op een voor hem gunstige, in de regelgeving niet uitdrukkelijk voorziene, wijze van afrekenen, mag verlangen dat deze eigener beweging bewijs voor het daadwerkelijk volgen van deze handelwijze aandraagt. Het College vindt in hetgeen in het AID-rapport is vermeld met betrekking tot de aan de orde zijnde heffingsperiode 1997/1998 geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de AID-ambtenaar spontaan andere dan de verstrekte aanwijzingen had dienen te geven. In het bijzonder blijkt niet dat appellante bij de controle duidelijk heeft gemaakt dat zij verlangde de hoeveelheid vernietigd of vervoederd vet specifiek toe te rekenen aan de eigen melk.

5.12 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.M.W. van de Sande