Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AV0079

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/719
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/719 14 december 2005

16080 Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen (voorheen: Bureau Heffingen) te Assen.

1. De procedure

Op 31 augustus 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 augustus 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een beslissing naar aanleiding van een door appellant aan het Bureau Heffingen toegezonden formulier "melding pluimveerechten inclusief hardheidsgevallen".

Op 2 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2005. Bij die gelegenheid heeft verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader toegelicht. Namens appellante is verschenen haar directeur, B.

2. De grondslag van het geschil

Artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Meststoffenwet (hierna ook: Mw) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. De omvang van het pluimveerecht van een daartoe aangemeld bedrijf wordt, in afwijking van de artikelen 58h, 58i en 58j, bepaald overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels indien:

a. in de periode van 1 januari 1994 tot en met 5 november 1998 ten behoeve van een vergroting van het aantal op het bedrijf te houden kippen of kalkoenen met ten minste 10% ten opzichte van het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien het pluimveerecht zou worden bepaald overeenkomstig artikel 58h dan wel in voorkomend geval artikel 58i, - door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend, (…)."

In het derde lid van artikel 58k Mw is bepaald dat bij de in het eerste lid bedoelde maatregel voor de toepassing van dit artikel nadere regels kunnen worden gesteld en de toepasselijkheid van dit artikel kan worden beperkt en aan voorwaarden kan worden verbonden. De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het op 1 januari 2001 inwerkinggetreden Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsbesluit).

Artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. De omvang van het pluimveerecht van een bedrijf ten aanzien waarvan is voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 58k, eerste lid, onderdeel a, van de wet en gesteld in deze paragraaf, komt overeen met de overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet bepaalde hoeveelheid, vermeerderd met de door de belanghebbende bij de melding aangegeven hoeveelheid fosfaat.

2. De door de belanghebbende aangegeven hoeveelheid fosfaat komt ten hoogste overeen met:

a. het op 5 november 1998 voor het bedrijf geldende mestproductierecht, verminderd met de overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet bepaalde hoeveelheid fosfaat, of, indien de aldus bepaalde hoeveelheid minder is,

b. de hoeveelheid meststoffen afkomstig van het aantal kippen en kalkoenen waarmee het aantal op het bedrijf te houden kippen of kalkoenen kan worden vergroot ingevolge:

- de milieuvergunning, bedoeld in artikel 58k, eerste lid, onderdeel a, eerste gedachtestreepje van de wet (…)

(…)

ten opzichte van:

1. het aantal dat kon worden gehouden op grond van de Wet milieubeheer voor de verlening van deze milieuvergunning (…) of, indien het aldus bepaalde aantal hoger is,

2. het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien het pluimveerecht zou worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3, met uitzondering van de artikelen 58k en 58m, van de wet.

3. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 april 1998 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen appellante een milieuvergunning verleend voor de inrichting aan de C te Y, op grond waarvan in de inrichting 46.200 vleeskuikenouderdieren aanwezig mogen zijn.

- Bij brief van 7 februari 2001 heeft de gemeente Steenbergen de directeur van appellante hetvolgende bericht:

"1. Bij besluit van 6 mei 1981 is destijds een Hinderwetvergunning afgegeven voor een kippenopfokbedrijf met een capaciteit van 100.800 fokkippen.

2. Op 1 juni 1982 is een aanvrage ingekomen voor o.a. een uitbreiding van het aantal opfok/legkippen van 100.800 naar 201.600 dieren, zulks verdeeld over vier stallen. Van de destijds gerealiseerde inrichting is in 1983/1984 één stal afgebrand.

Op voornoemde aanvrage van 27 mei 1982 is bij besluit van 6 mei 1983 alsnog de uitbreiding gelegaliseerd. De vergunning van 6 mei 1983 is onherroepelijk geworden op 10 juni 1993.

De destijds afgebrande stal is ook niet op basis van voornoemde vergunning hernieuwd in exploitatie gebracht. Daarom is op grond van het bepaalde in artikel 8.18 van de Wet milieubeheer op 10 juni 1996 een gedeelte van voornoemde vergunning vervallen. De vergunning had dus toen rechtens nog een capaciteit van 151.200 dieren.

3. Bij besluit van 21 april 1998 is een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning verleend voor het houden van 46.200 vleeskuikenouderdieren.

Deze vergunning is onherroepelijk geworden op 9 juni 1998 en op basis van artikel 8.4, 4e lid Wet milieubeheer is toen de vergunning van 6 mei 1993 vervallen."

- Op 12 februari 2001 heeft Bureau Heffingen van appellante een formulier "melding pluimveerechten inclusief hardheidsgevallen" ontvangen.

- Na eerst een afwijzende beslissing te hebben genomen, heeft Bureau Heffingen appellante bij besluit van 27 december 2001 bericht dat zij in aanmerking komt voor toepassing van hardheidsgeval 1 en voor haar 3.948 voorwaardelijke pluimveerechten geregistreerd.

- Bij brief van 22 januari 2002 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante weliswaar voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het in artikel 58k, eerste lid, Mw geregelde hardheidsgeval 1, maar dat dit gelet op artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit niet kan leiden tot toekenning van meer pluimveerechten dan geregistreerd blijkens het besluit van 27 december 2001. Verweerder heeft hierbij, ingevolge artikel 4, voornoemd, de volgende berekening gehanteerd:

"A. Mpr op 5-11-1998 29000 kg fosfaat

Basis pluimveerecht 23910 kg fosfaat

Beschikbaar voor extra pluimveerecht 5090 kg fosfaat

B. 1. Vergroting nieuwe milieuvergunning ten opzichte van oude milieu-

vergunning is: 3948 kg fosfaat

2. Vergroting nieuwe milieuvergunning ten opzichte van basis

pluimveerecht is: 10278 kg fosfaat

Het bij 1 bepaalde vergroting is het kleinst en is dus bepalend voor het

pluimveerecht. Omdat 1 kg fosfaat overeenkomt met 1 pluimveerecht

komt u in aanmerking voor 3948 extra pluimveerechten."

Verweerder is bij de berekening van het extra pluimveerecht uitgegaan van de verklaring van de gemeente Steenbergen van 7 februari 2001. In deze verklaring heeft de gemeente aangegeven dat een deel van de oude milieuvergunning was vervallen en dat op basis van de oude vergunning 151200 legkippen mochten worden gehouden. De nieuwe vergunning zag op het houden van 46200 vleeskuikenouderdieren. Van de gemeente is geen verklaring ontvangen dat het aantal legkippen is vervallen tot 145000 dieren.

De berekening van het extra pluimveerecht ligt vast in de regelgeving. Bureau Heffingen heeft niet de mogelijkheid hiervan af te wijken. Om deze reden is het niet mogelijk om voor alle met het bedrijf gekochte mestproductierechten pluimveerechten toe te kennen. Bij de berekening vindt verder ook geen beoordeling (meer) plaats, omdat de gegevens benodigd voor de berekening van het pluimveerecht, reeds bij Bureau Heffingen bekend waren.

4. Het standpunt van appellante

Appellante kan zich niet verenigen met de berekening van de hoogte van het extra pluimveerecht voor haar bedrijf. Appellante heeft het bedrijf in 1997 aangekocht met 29.000 kg fosfaat aan mestproductierechten. Vervolgens heeft zij extra mestproductierechten aangekocht om de dieren te kunnen houden die zij van plan was te gaan houden. In 2001 heeft zij nog eens 2.055 kg fosfaat aan pluimveerechten aangekocht.

Bureau Heffingen heeft ten onrechte slechts in totaal 27.858 kg fosfaat aan pluimveerechten toegekend, daar waar appellante meent dat zij in aanmerking komt voor 29.000 kg fosfaat aan pluimveerechten. Verweerder rekent volgens appellante met dierenaantallen of fosfaatrechten naar gelang het hem het beste uitkomt. Bij de berekening is volgens appellante slechts gekeken naar de letter van de wet en niet naar de geest ervan. Appellante heeft immers geen enkele invloed gehad op de productie in de referentiejaren 1995 tot en met 1997, maar wordt daar bij de berekening van het extra pluimveerecht wel op afgerekend.

5. De beoordeling van het geschil

Niet in geding is dat appellante voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het in artikel 58k, eerste lid, Mw geregelde hardheidsgeval 1. In geding is uitsluitend of verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat appellante gelet op het bepaalde in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit niet voor méér dan de voor haar berekende extra pluimveerechten van 3.948 in aanmerking kan komen.

Voor het College staat, mede gelet op de verklaring van de gemeente Steenbergen, vast dat een deel van de milieuvergunning van 6 mei 1983 voor de inrichting op 10 juni 1996 was vervallen en daardoor op basis van deze vergunning 151.200 legkippen (overeenkomend met een hoeveelheid te produceren meststoffen van 30.240 kg fosfaat) mochten worden gehouden. De op 12 april 1998 verleende milieuvergunning zag op het houden van 46.200 vleeskuikenouderdieren (overeenkomend met een hoeveelheid te produceren meststoffen van 34.188 kg fosfaat). Het in dit opzicht bestaande verschil tussen de "nieuwe" en de "oude" milieuvergunning levert de hoeveelheid meststoffen op (3.848 kg fosfaat) dat beschikbaar was voor de toekenning van extra pluimveerechten met toepassing van hardheidsgeval 1.

Het College overweegt dat de wijze van berekening van pluimveerechten vast ligt in de regelgeving. Verweerder komt geen vrijheid toe hiervan af te wijken. Zo mocht verweerder bij zijn berekening niet uitgaan van de in 1997 bij de aankoop van het bedrijf meegeleverde en notarieel vastgelegde hoeveelheid te produceren fosfaat van 25.000 kg. Evenmin kwam verweerder in het voorliggende geval de vrijheid toe om voor de door appellante voor haar bedrijf later extra gekochte, maar niet tijdig (benutte) mestproductierechten, pluimveerechten toe te kennen. De berekening vindt – voor zover hier van belang - plaats door middel van een vergelijking tussen de oude en de nieuwe milieuvergunning op de nauwkeurig door de regelgever omschreven wijze, neergelegd in het uitvoeringsbesluit, waarbij het een bewuste keuze van de regelgever is geweest om bij het stelsel van pluimveerechten niet de volledige latente ruimte binnen een milieuvergunning om te zetten.

Nu niet is gebleken dat de door Bureau Heffingen gemaakte berekening, op basis van de aldaar beschikbare gegevens, voor onjuist moet worden gehouden, is de conclusie derhalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante ingevolge het bepaalde in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw juncto artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit niet voor meer pluimveerechten in aanmerking komt dan blijkens het besluit van 27 december 2001 zijn geregistreerd.

Het beroep van appellante dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.L.W. Aerts en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005.

w.g. B. Verwayen w.g. L. van Duuren