Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AV0075

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-12-2005
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/4 tot en met 05/7
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijde enkelvoudige kamer

AWB 05/4 tot en met 05/7 29 december 2005

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. L. Bolier, juridisch adviseur te Elspeet,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. L.R. Volkers, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 4 januari 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen vier besluiten van verweerder van 24 november 2004.

Bij deze besluiten heeft verweerder appellantes bezwaren tegen een brief van 6 april 2004 van verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brieven van 9 februari 2005 heeft verweerder verweerschriften ingediend en op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 11 juni 2005 heeft verweerder bepaalde stukken overgelegd.

Bij fax van 16 september 2005 heeft appellante bepaalde stukken overgelegd.

Op 1 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wet) is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven."

In de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering is, onder meer, het volgende bepaald:

"Artikel 2

De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. het aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project hebben besteed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 mei 2003 en 8 oktober 2003 heeft Senter tijdens een bezoek bij appellante de administratie van het bedrijf met betrekking tot vier projecten waarvoor S&O-verklaringen zijn afgegeven gecontroleerd. Van deze bezoeken heeft verweerder op 3 december 2003 en 5 maart 2004 een verslag opgemaakt.

- Bij brief van 6 april 2004 heeft verweerder appellante, onder meer, het volgende meegedeeld:

"Tijdens het bezoek is geconstateerd dat de getoonde projectadministratie van de hieronder vermelde projecten vrij summier was. De projectadministratie bestond voornamelijk uit een eindraportage zonder de hierbij behorende onderliggende stukken. (…) U dient uw projectadministratie beter in te richten. Daarom wil ik u nogmaals wijzen op de vereisten van de WBSO met betrekking tot de projectadministratie (…)

Het in toekomst niet voldoen aan de eisen die aan de projectadministratie worden gesteld, kan leiden tot het (gedeeltelijk) intrekken van een afgegeven S&O-verklaring. (…)"

- Bij brief van 29 april 2004 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 16 juni 2004 heeft appellante haar bezwaar aangevuld.

- Op 11 augustus 2004 is appellante gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en hiertoe onder meer het volgende overwogen.

Verweerder heeft een gedifferentieerd controlebeleid. Indien een waarschuwing wordt afgegeven ten aanzien van de in een bepaald jaar gevoerde administratie, maar de afgegeven S&O-verklaring niet wordt ingetrokken, heeft de waarschuwing geen rechtsgevolg. De S&O-verklaring blijft ongewijzigd. De waarschuwing is ook geen voorprocedure voor een latere intrekking, maar een aanbeveling gericht op verbetering, zodat kan worden voorkomen dat door bijvoorbeeld verdere verslechtering een situatie ontstaat waarin verweerder tot intrekking moet overgaan. De waarschuwing houdt derhalve geen besluit in als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat uit de waarschuwing wel rechtsgevolg voortvloeit. Een waarschuwing wordt immers alleen gegeven indien Senter meent dat niet of niet in voldoende mate wordt voldaan aan regelgeving. Indien een waarschuwing geen besluit zou zijn, kan de reden voor de waarschuwing niet worden bestreden.

Uit het feit dat verweerder volgens zijn beleid, afhankelijk van de situatie, kan kiezen uit een aantal maatregelen moet worden afgeleid dat sprake is van een besluit.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel 7:1, eerste lid, Awb kan een belanghebbende bezwaar maken tegen een besluit. Blijkens artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ter beoordeling staat of de brief een publiekrechtelijke rechtshandeling bevat.

5.2 Het College is van oordeel dat dit niet het geval is. De brief behelst in de eerste plaats een mededeling van feitelijke aard over de wijze waarop appellante haar administratie heeft ingericht. Vervolgens wordt gewezen op de eisen die de regelgeving terzake aan de projectadministratie stelt, verbonden met een aanbeveling om de administratie in toekomst beter in te richten. Hetgeen in de brief is vermeld, brengt geen verandering aan in de rechten en plichten van appellante. Dat de aanbeveling op zich dwingend is geformuleerd, kan tegen deze achtergrond niet tot een ander oordeel leiden.

Het argument dat als een waarschuwing geen beschikking is, het onderliggende oordeel niet kan worden bestreden, is niet steekhoudend. Het is juist dat verweerders oordeel over de staat van de administratie van appellante niet kan worden bestreden indien geen sprake is van een beschikking. Maar dat is ook niet nodig. Verweerder heeft aan zijn oordeel over de staat van de administratie van appellante geen rechtsgevolgen voor de afgegeven S&O-verklaringen verbonden. De waarschuwing is ook geen noodzakelijke voorwaarde voor later kunnen intrekken of wijzigen van de S&O-verklaringen. Indien verweerder later in de staat van de projectadministratie van appellant aanleiding zou zien om de S&O-verklaring in te trekken, dan kan de vraag of de projectadministratie van appellante al dan niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen in dat kader aan de orde komen en het oordeel van verweerder daaromtrent worden bestreden.

Ook het argument dat de beslissing om een waarschuwing te geven, een beschikking moet zijn, omdat verweerder uit meerdere maatregelen kan kiezen, faalt. Het feit dat verweerder verschillende mogelijkheden heeft om op de situatie te reageren, maakt niet dat aan al die mogelijkheden rechtsgevolgen zijn verbonden.

5.3 Uit het voorgaande volgt dat verweerder appellante op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in bezwaar. De beroepen zijn ongegrond.

5.4 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2005.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Graefe