Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AV0061

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/863 16 december 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 oktober 2004, bij het College binnengekomen op 22 oktober 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 september 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 4 juni 2004, waarbij een aanvraag van appellante in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is afgewezen.

Bij brief van 27 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 18 november 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder bij monde van zijn gemachtigde en appellante, vertegenwoordigd door directeur B, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 36

(…)

3. wanneer het in een steunvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, wordt de steun, onverminderd de artikelen 38 en 39, berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

Wanneer een bedrijfshoofd door overmacht of buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 zijn verplichting om de dieren aan te houden niet heeft kunnen nakomen, behoudt hij het recht op steun voor het aantal dieren dat hiervoor in aanmerking kwam op het tijdstip waarop de overmacht of de buitengewone omstandigheid is ingetreden.

(…)

Artikel 38 – Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor steun wordt aangevraagd.

1. Wanneer met betrekking tot een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het geconstateerde aantal dieren in de zin van artikel 36, lid 3, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken gekort met het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage, wanneer ten aanzien van niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. (…)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.

(…)

Artikel 48 – Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

2. als buitengewone omstandigheden kan de bevoegde instantie bijvoorbeeld aanvaarden:

a) het overlijden van het bedrijfshoofd;

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate beïnvloedt;

d) het door een ongeval verloren gaan van stallen;

e) een epizoötie die de gehele veestapel van het bedrijfshoofd of een deel ervan heeft getroffen.

Artikel 49 – Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 21 augustus 2002 in het kader van de Regeling een aanvraag ingediend voor zoogkoeienpremie voor in totaal dertig dieren.

- Op 6 en 8 november 2002 zijn twee van deze dieren afgevoerd naar het slachthuis, zodat niet aan de aanhoudverplichting is voldaan.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder naar aanleiding van deze constatering de reeds genomen beslissingen ter zake van appellantes runderpremieaanvragen –appellante heeft in 2002 behalve zoogkoeienpremie ook mannelijke runderpremie en slachtpremie aangevraagd; in totaal ging het om negentig dieren – herzien. Omdat slechts ten aanzien van twee dieren onregelmatigheden zijn vastgesteld, zijn de premiebedragen overeenkomstig artikel 38, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gekort met 2,27%. Per saldo diende appellante € 777,84 terug te betalen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 juni 2004 bezwaar gemaakt.

- Op 8 september 2004 is appellante gehoord omtrent haar bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Tijdens een administratieve controle is vastgesteld, dat twee runderen niet aan de voorwaarden voor zoogkoeienpremie voldoen, omdat deze gedurende de aanhoudperiode van zes maanden van het bedrijf zijn afgevoerd naar het slachthuis. Voor deze dieren zijn geen vervangende dieren aangemeld.

Het beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan reeds niet slagen, nu de aangevoerde omstandigheden niet binnen de vereiste termijn van tien werkdagen bij LASER zijn gemeld.

Er zijn in 2002 88 dieren geconstateerd waarvoor runderpremie is aangevraagd. Bij twee runderen is een afwijking vastgesteld. Dit heeft geleid tot een kortingspercentage van 2,27% (2/88 x 100). Dit leidt tot een terugvordering van € 777,84.

4. Het standpunt van appellante

Appellante erkent, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, dat de twee runderen niet-premiewaardig zijn.

Appellante doet een beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Zij heeft er ter zake op gewezen dat de directeur van appellante, B, naar aanleiding van een ongeval op 18 september 2002 twee weken opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Voorts is zijn vader, directeur grootaandeelhouder van appellante, op 20 oktober 2002 overleden. Onder deze bijzondere omstandigheden zijn twee runderen binnen de aanhoudperiode naar het slachthuis afgevoerd zonder dat hiervoor vervangende dieren zijn gemeld.

5. De beoordeling van het geschil

Aan de orde is de vraag of verweerder appellantes beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 36, derde lid, juncto artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 terecht heeft verworpen.

Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 moeten gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat appellante aan dit vereiste niet heeft voldaan.

Hiernaast kan niet met recht worden gesteld dat appellante op grond van de door haar aangevoerde omstandigheden haar aanhoudverplichting niet heeft kunnen nakomen. Nu deze omstandigheden kennelijk niet in de weg hebben gestaan aan de op 6 en 8 november 2002 genomen bedrijfsbeslissingen om deze dieren naar het slachthuis af te voeren, valt in redelijkheid niet in te zien dat deze omstandigheden wel aan de tijdige vervanging van deze dieren in de weg hebben gestaan.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz