Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AV0038

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
AWB 03/1228ea
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling RVV-tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 1994

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten en de toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland gebrachte dieren en producten 4
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 94
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 94b
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 111
Regeling keuring en handel dierlijke producten 1.1
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23a
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23c
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23e
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23f
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23g
Regeling keuring en handel dierlijke producten 2.23k
Regeling tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 5aa
Regeling tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. Awb 03/1228 tot en met 03/1232, 04/195 tot en met 04/200, 28 december 2005

04/389 tot en met 04/393, 04/494 tot en met 04/496,

04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833

11248 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling RVV-tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 1994

Uitspraak in de zaken van:

Vleesimport- en Exportbedrijf H. Ferwerda B.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma, werkzaam te Rotterdam,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: aanvankelijk mr. J.M.H. Hamberg, werkzaam op verweerders ministerie, en mr. N.D.R. Heijstek, werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA), onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV); thans mr. E.M.B. Kuipers, werkzaam op verweerders ministerie.

1. Procesverloop

1.1 Voor een beschrijving van het procesverloop tot 1 februari 2005 in de zaken die zijn geregistreerd onder nummers 03/1228 tot en met 03/1232, 04/195 tot en met 04/200, 04/389 tot en met 04/393 en 04/494 tot en met 04/496, verwijst het College naar zijn beschikking van 1 februari 2005 in deze zaken (<www.rechtspraak.nl>, LJN AU7336).

Bij brief van 1 maart 2005 heeft verweerder de bij vorengenoemde beschikking gestelde vragen beantwoord.

Bij brief van 6 april 2005 heeft appellante gereageerd op verweerders brief van 1 maart 2005.

Bij brief van 7 juli 2005 heeft verweerder gereageerd op appellantes brief van 6 april 2005.

1.2 Bij besluiten van 23 april 2004, 7 en 21 mei 2004, 4 en 18 juni 2004 en 2, 16 en 30 juli 2004 heeft de VWA namens verweerder bij appellante kosten in rekening gebracht voor door de RVV ten behoeve van appellante verrichte werkzaamheden.

Tegen deze besluiten heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 21 juni 2004 heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 23 april 2004 en 7 en 21 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 19 augustus 2004 heeft verweerder de bezwaren van appelante tegen de besluiten van 4 en 18 juni 2004 en 2, 16 en 30 juli 2004 ongegrond verklaard.

Op 14 september 2004 heeft het College van appellante twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de besluiten van 21 juni 2004 op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 7 en 21 mei 2004. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers 04/769 en 04/771.

Op 14 september 2004 heeft het College van appellante voorts vijf beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de besluiten van 19 augustus 2004. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers 04/772 tot en met 04/776.

Op 15 september 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van 21 juni 2004 op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2004. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 04/770.

1.2.1 Bij besluiten van 27 augustus 2004 en 10 september 2004 heeft de VWA namens verweerder bij appellante kosten in rekening gebracht voor door de RVV ten behoeve van appellante verrichte werkzaamheden.

Tegen deze besluiten heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 30 september 2004 heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 27 augustus 2004 en 10 september 2004 ongegrond verklaard.

Op 6 oktober 2004 heeft het College van appellante twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de besluiten van 30 september 2004. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers 04/832 en 04/833.

1.2.2 Bij brieven van 4 juli 2005 heeft verweerder gereageerd op bij griffiersbrieven van 6 juni 2005 gestelde vragen over de zaken 04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833.

Bij brief van 15 augustus 2005 heeft appellante gereageerd op hetgeen verweerder in zijn brief van 4 juli 2005 naar voren heeft gebracht over de ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771.

Bij brief van 15 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift in de zaken 04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833 ingediend.

1.3 Het College heeft de beroepen in alle hiervoor genoemde zaken - wat betreft de in § 1.1 genoemde zaken: opnieuw - behandeld ter zitting van 24 november 2005, waar de gemachtigde van appellante en de huidige gemachtigde van verweerder de standpunten van partijen nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van de gedingen

2.1 In Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (Pb 1998, L 24, blz. 9, zoals nadien gewijzigd; hierna: Richtlijn 97/78/EG) is het volgende bepaald.

"artikel 2

(…)

2. Voorts wordt verstaan onder:

(…)

b) „documentencontrole”: verificatie van de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of van andere documenten die een partij vergezellen;

c) „overeenstemmingscontrole”: verificatie door een visuele controle van de overeenstemming tussen de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of andere bij de veterinaire wetgeving voorgeschreven documenten en de producten;

d) „materiële controle”: controle van het product zelf, die controles van de verpakking en de temperatuur, alsmede bemonstering en laboratoriumonderzoek kan omvatten;

e) „belanghebbende bij de lading”: elke natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek verantwoordelijk is voor het verloop van de in die verordening bedoelde situaties waarin de partij kan verkeren, alsmede de in artikel 5 van die verordening bedoelde vertegenwoordiger en die de verantwoordelijkheid op zich neemt met betrekking tot de gevolgen van de door deze richtlijn voorgeschreven controles;

f) „partij”: een hoeveelheid producten van dezelfde aard, waarvoor dezelfde veterinaire certificaten of veterinaire documenten of dezelfde andere door de veterinaire wetgeving voorgeschreven documenten gelden, die met hetzelfde vervoermiddel wordt vervoerd en die afkomstig is uit hetzelfde derde land of gedeelte van een derde land;

g) „grensinspectiepost”: een inspectiepost die overeenkomstig artikel 6 is aangewezen en erkend voor het verrichten van de veterinaire controles van producten die uit derde landen bij de grens van een van de in bijlage I vermelde grondgebieden aankomen;

(…)

artikel 3

1. De lidstaten zien erop toe dat er op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden geen partijen uit een derde land worden binnengebracht die niet de bij deze richtlijn voorgeschreven veterinaire controles ondergaan hebben.

2. De lidstaten zien erop toe dat de partijen via een grensinspectiepost op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht.

(…)

artikel 4

1. Elke partij wordt in de in artikel 3, lid 2, bedoelde grensinspectiepost veterinair gecontroleerd door het overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts geplaatste personeel van de bevoegde autoriteit.

(…)

artikel 5

1. Nadat de vereiste veterinaire controles zijn verricht, geeft de officiële dierenarts voor de betrokken partij producten een cerfiticaat af (…) waarin de uitkomsten van de controles worden vermeld (…)

2. Het in lid 1 bedoelde certificaat vergezelt de partij:

- zolang de partij onder douanetoezicht blijft; (…)

(…)

3. Indien een partij in meerdere delen wordt gesplitst, gelden de leden 1 en 2 voor elk van die deelpartijen.

(…)

artikel 6

(…)

2. Volgens de procedure van artikel 29 kan de lijst van grensinspectieposten die geldig is op de datum van bekendmaking van deze richtlijn, later gewijzigd of aangevuld worden

(…)

artikel 7

(…)

3. De douaneautoriteiten staan de invoer van partijen producten pas toe wanneer, onverminderd de douaneregelingen en de overeenkomstig artikel 10, leden 2 en 3, en artikel 18 vast te stellen bijzondere bepalingen, is aangetoond dat de vereiste veterinaire controles een bevredigend resultaat hebben opgeleverd, dat het desbetreffende certificaat overeenkomstig artikel 5, lid 1, is afgegeven en dat de bevoegde autoriteit de garantie heeft dat de in Richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles van dierlijke producten zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (gewijzigd en gecodificeerd) bedoelde inspectiekosten voldaan zijn of zullen worden overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn.

(…)

artikel 11

1. Een lidstaat verleent namens alle bij de doorvoer betrokken lidstaten slechts toestemming voor de doorvoer van een partij van een derde land naar een ander derde land of naar hetzelfde derde land indien

(…)

2. De in lid 1 bedoelde toestemming wordt slechts verleend onder de volgende voorwaarden:

(…)

d) de officiële dierenarts die het vervoer toestaat, stelt de officiële dierenarts van de grensinspectiepost waar de partij het grondgebied verlaat daarvan in kennis via het Animo-net;

e) de officiële dierenarts van de grensinspectiepost waar de partij het grondgebied verlaat, verklaart op het in artikel 5, lid 1, bedoelde certificaat dat de betrokken partijen de Gemeenschap hebben verlaten en zendt per fax of langs enige andere weg een afschrift van dit document aan de grensinspectiepost van binnenkomst.

(…)

3. Alle uitgaven in verband met de toepassing van dit artikel, inclusief de bij dit artikel opgelegde inspecties en controles, komen ten laste van de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger, zonder enige vergoeding door de lidstaat, overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit artikel 1 van Richtlijn 85/73/EEG.

(…)

artikel 12

1. Elke uit een derde land afkomstige partij producten, bestemd voor een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot, (…) mag er door de bevoegde autoriteit slechts worden toegelaten indien de belanghebbende bij de lading vooraf heeft aangegeven of de eindbestemming van deze producten het in het vrije verkeer brengen op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden is dan wel of zij een andere, nader te bepalen eindbestemming hebben en of deze producten al dan niet aan de invoervoorwaarden voldoen.

(…)

2. De in lid 1 bedoelde partijen moeten in de grensinspectiepost van binnenkomst aan een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële controle onderworpen worden om na te gaan of die producten aan voornoemde invoervoorwaarden voldoen.

De materiële controle is, behalve bij gegronde verdenking van een gevaar voor de gezondheid van mens of dier, niet vereist als bij de documentencontrole blijkt dat de producten niet aan de communautaire eisen voldoen.

(…)

3. Indien bij de in lid 2 bedoelde controles geconstateerd wordt dat aan de communautaire voorwaarden is voldaan, maakt de officiële dierenarts van de grensinspectiepost het in artikel 5, lid 1, bedoelde certificaat op dat aan de douanedocumenten gekoppeld wordt. De bevoegde veterinaire en douaneautoriteiten van de grensinspectiepost staan de toelating toe tot een entrepot in de vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot. Deze producten worden uit veterinair oogpunt geschikt verklaard om later in het vrije verkeer gebracht te worden.

4. Indien bij de in lid 2 bedoelde controles geconstateerd wordt dat de producten niet aan de communautaire eisen voldoen, maakt de officiële dierenarts van de grensinspectiepost het in artikel 5, lid 1, bedoelde certificaat op dat aan de douanedocumenten gekoppeld wordt. De veterinaire en douaneautoriteiten van de grensinspectiepost mogen in dat geval de toelating tot een entrepot in een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot alleen toestaan als (…) aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de producten mogen niet afkomstig zijn van een derde land waarvoor een verbod geldt (…);

b) de entrepots van vrije zones, de vrije entrepots en de douane-entrepots moeten door de bevoegde autoriteiten erkend zijn voor de opslag van producten. (…)

(…)

5. De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen om:

- na te gaan of de voorwaarden voor erkenning van de entrepots in acht worden genomen,

- ervoor te zorgen dat producten die niet aan de communautaire veterinaire eisen voldoen niet in dezelfde lokalen of omheinde ruimten worden opgeslagen als producten die wel aan die eisen voldoen,

- een doeltreffende controle bij het binnenkomen en het verlaten van het entrepot te garanderen en, tijdens de uren waarop de entrepots toegankelijk zijn, het toezicht door de veterinaire autoriteit te garanderen. Deze moet er in het bijzonder op toezien dat producten die niet aan de communautaire eisen voldoen de lokalen of ruimten waarin zij zijn opgeslagen niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit kunnen verlaten,

- de nodige controles uit te voeren teneinde elke verandering of verwisseling van de in de entrepots opgeslagen producten of elke verandering van de onmiddellijke verpakking, de eindverpakking of de verwerking te voorkomen.

6. Een lidstaat kan om redenen van diergezondheid of volksgezondheid weigeren dat producten die niet aan de voorwaarden van de communautaire wetgeving voldoen tot een douane-entrepot, een vrij entrepot of een vrije zone worden toegelaten.

7. Alleen partijen met een douanezegel mogen in een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot worden binnengebracht.

8. De in lid 4 bedoelde partijen mogen een vrij entrepot, een douane-entrepot of een vrije zone alleen verlaten om naar een derde land of het in artikel 13 bedoelde entrepot verzonden te worden of om vernietigd te worden, met dien verstande dat

(…)

9. Alle uitgaven in verband met de toepassing van dit artikel, inclusief de bij dit artikel opgelegde inspecties en controles, komen ten laste van de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger, zonder enige vergoeding door de lidstaat, overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit artikel 1 van Richtlijn 85/73/EEG.

10. De lidstaten dienen bij de Commissie de lijst in van

a) de in lid 4 bedoelde vrije zones, vrije entrepots en douane-entrepots;

b) de in artikel 13 bedoelde handelaren.

De Commissie zorgt voor de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van de onder a) bedoelde lijst, en deelt de lidstaten de namen van de onder b) bedoelde handelaren mee.

(…)

artikel 13

1. Voor handelaren die rechtstreeks producten zoals bedoeld in artikel 12, lid 4, aan zeevervoermiddelen leveren als proviand voor bemanning en passagiers, geldt, naast de voorschriften van artikel 12, leden 1 en 2, lid 4, onder a) en onder b), tweede, derde en vierde streepje, en de leden 5, 6, 7 en 9 het volgende: zij moeten

(…)

2. De in lid 1 bedoelde handelaren moeten

a) hun producten rechtstreeks aan boord van de zeevervoermiddelen afleveren, of in een speciaal erkend entrepot in de haven van bestemming, met dien verstande dat er maatregelen genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de betrokken producten het havengebied in geen geval kunnen verlaten. Het vervoer van het entrepot van oorsprong naar de haven van bestemming moet onder douanetoezicht plaatsvinden (…) en vergezeld gaan van een veterinair certificaat (…);

b) de bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van waaruit de producten geleverd worden en de bevoegde autoriteiten van het havengebied van de lidstaat van bestemming vooraf in kennis stellen van de datum van verzending van de producten en van de plaats van bestemming;

c) een officieel bewijsstuk overleggen dat de producten hun eindbestemming bereikt hebben;

(…)

4. De bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van waaruit de producten geleverd worden stelt de bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van bestemming uiterlijk op het moment van verzending van de producten van de levering in kennis en meldt haar via het Animo-net de plaats van bestemming van de producten.

5. Indien de voorwaarden van dit artikel niet worden nageleefd, moet de bevoegde autoriteit de in lid 1, onder a), bedoelde goedkeuring intrekken. Zij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.

(…)"

In de Richtlijn van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (Pb 1985, L 32, blz. 14, zoals nadien gewijzigd; hierna: Richtlijn 85/73/EEG) is onder meer het volgende bepaald.

"artikel 1

De Lid-Staten dragen overeenkomstig de voorschriften in bijlage A zorg voor de heffing van een communautaire retributie voor de kosten die verbonden zijn aan de keuringen en controles van de in de genoemde bijlage genoemde produkten, met inbegrip van keuringen en controles die ertoe strekken de bescherming van dieren in de slachthuizen te waarborgen, in overeenstemming met de vereisten van Richtlijn 93/119/EEG.

artikel 4

1. In afwachting van de aanneming van de bepalingen tot regeling van de communautaire retributies, zorgen de Lid-Staten ervoor dat de financiering van de keuringen en controles die niet onder de artikelen 1, 2 en 3 vallen, gegarandeerd is.

2. De Lid-Staten kunnen met het oog op de in lid 1 omschreven doeleinden, nationale retributies heffen, met inachtneming van de beginselen die gelden voor communautaire retributies.

artikel 5

1. De communautaire retributies dekken de kosten die de bevoegde autoriteit moet maken, in verband met:

- de loonkosten en sociale premies voor de keuringsdienst,

- de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de controles en keuringen, eventueel met inbegrip van de kosten voor de na- en bijscholing van de inspecteurs voor de uitvoering van de in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde controles en keuringen.

(…)

3. Onder het voorbehoud dat de geheven totale retributie per Lid-Staat niet meer bedraagt dan de werkelijk gemaakte keuringskosten, worden de Lid-Staten gemachtigd een bedrag te heffen dat hoger is dan het niveau van de communautaire retributies.

(…)"

In bijlage A van Richtlijn 85/73/EEG zijn forfaitaire bedragen genoemd voor de keuring van een aantal dieren en dierlijke producten. De lidstaten mogen in beginsel hogere tarieven in rekening brengen, tot het bedrag van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Artikel 4 van de Beschikking van de Commissie van 8 september 2000 tot vaststelling van de methoden voor de veterinaire controles van producten uit derde landen die bestemd zijn voor een vrije zone, een vrij entrepot, een douane-entrepot of een handelaar die levert aan grensoverschrijdende zeevervoermiddelen (Pb 2000, L 240, blz. 14; hierna: Beschikking 2000/571/EG) luidt als volgt.

"Wanneer het gaat om partijen producten die niet aan de communautaire eisen voldoen, zien de officiële dierenarts of de personen die onder zijn toezicht staan, erop toe dat in op grond van artikel 12, lid 4, onder b), van Richtlijn 97/78/EG erkende entrepots aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- voor alle in het entrepot geleverde partijen moet een controle van de documenten worden verricht;

- voor alle partijen moeten tijdens de opslag en vóór de uitslag, een controle van de documenten en een overeenstemmingscontrole worden verricht teneinde de herkomst en de bestemming te verifiëren;

- partijen mogen slechts uit een entrepot worden verzonden indien daartoe machtiging is gegeven;

- wanneer een partij wordt gesplitst, moet de verpakking van de individuele colli waaruit elke deelpartij bestaat, intact blijven.

De bevoegde autoriteit verricht, indien nodig, ook materiële controles van de hierboven bedoelde producten die worden geleverd aan, opgeslagen in of verzonden naar een entrepot in een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot, voorzover enig risico voor de gezondheid van mens of dier wordt vermoed."

In de aanhef van de Beschikking van de Commissie van 13 december 2002 tot wijziging van Beschikking 2001/881/EG tot vaststelling van een lijst van grensinspectieposten die zijn erkend voor de veterinaire controles van dieren en dierlijke producten uit derde landen en van Beschikking 2002/459/EG tot vaststelling van de lijst van de eenheden van het computernetwerk Animo (Pb 2002, L 344, blz. 20; hierna: Beschikking 2002/986/EG) is onder meer het volgende overwogen.

"Gelet op Richtlijn 97/78/EG (…) en met name op artikel 6, lid 2,"

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is onder meer het volgende bepaald.

"artikel 94

1. Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van:

(…)

k. andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot dieren, producten van dierlijke oorsprong en andere producten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, voorzover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, danwel op verzoek van betrokkenen plaatsvinden.

2. Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot betaling van de vergoeding.

artikel 94b

Een tarief als bedoeld in de artikelen 94 en 94a wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde verplichtingen.

artikel 111

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet."

Artikel 4 van het Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten en de toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland gebrachte dieren en producten (hierna: Besluit) luidt als volgt.

"1. Ter uitvoering van de artikelen 12 en 13 van richtlijn nr. 97/78/EG, ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van die artikelen vastgestelde uitvoeringsbepalingen, alsmede ter uitvoering van de besluiten, bedoeld in artikel 33, tweede zin, van richtlijn nr. 97/78/EG, stelt Onze Minister regelen met betrekking tot:

a. de inslag in, de opslag in, alsmede de uitslag uit een entrepot in een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot van producten van dierlijke oorsprong of andere producten die dragers van smetstof kunnen zijn;

b. de behandeling van producten van dierlijke oorsprong of andere producten die dragers van smetstof kunnen zijn tijdens de opslag als bedoeld in onderdeel a;

c. de erkenning van entrepots als bedoeld in onderdeel a.

2. Ter uitvoering van artikel 13 van richtlijn nr. 97/78/EG en ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen, stelt Onze Minister regelen met betrekking tot de erkenning van handelaren die rechtstreeks producten van dierlijke oorsprong leveren als proviand voor bemanning en passagiers aan zeevervoermiddelen.

3. Onze Minister heft, onder nader door hem te stellen regelen en overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief, bij de belanghebbende bij de lading een vergoeding van kosten ter zake van:

a. de controles die worden verricht, op grond van de krachtens het eerste lid, onderdeel a, gestelde regelen, bij de inslag in of de uitslag uit een entrepot van producten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

b. de verlening en de instandhouding van de erkenningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c."

In de Regeling keuring en handel dierlijke producten (hierna: Rkhdp) is onder meer het volgende bepaald.

"artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

werkelijke kosten: de kosten die betrekking hebben op de administratiekosten, de loonkosten en de sociale premies van de met de onderzoeken en keuringen belaste personen van de RVV als mede de kosten van laboratoriumonderzoek;

(…)

artikel 2.23

Degene die voornemens is een partij in te slaan in of uit te slaan uit een douane-entrepot, een ruimte voor tijdelijke opslag of een vrij entrepot geeft hiervan uiterlijk tot 14.00 uur op de werkdag voorafgaand aan de dag van in- of uitslag melding [aan; toevoeging CBb] de VWA, onder vermelding van de naam en het adres van de opslagfaciliteit, de dag van in- of uitslag en de aard en hoeveelheid van de producten.

artikel 2.23a

(…)

2. Opslag van een partij die bestemd is voor een derde land of van producten die bestemd zijn om aan zeevervoermiddelen te worden geleverd als proviand voor bemanning en passagiers vindt, indien de partij onderscheidenlijk de producten niet voldoen aan de in deze regeling voor het desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, slechts plaats in een op grond van artikel 2.23c, eerste lid, erkend douane-entrepot of erkend vrij entrepot.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde opslag vindt slechts plaats indien de belanghebbende bij de lading voorafgaand aan de opslag heeft voldaan aan artikel 12, eerste lid, eerste zin, van richtlijn 97/78/EG (…).

artikel 2.23c

1. Erkenning van een douane-entrepot of vrij entrepot vindt slechts plaats indien het entrepot:

(…)

2. In een douane-entrepot of vrij entrepot waar producten, bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, zijn opgeslagen:

a. is iedere partij bij inslag en gedurende de opslag voorzien van een gesloten verpakking met daarop een vermelding van het land van oorsprong en de aard van het product en duidelijk geïdentificeerd door middel van het nummer van het bij de partij behorende document (…);

b. zijn deze partijen niet opgeslagen in lokalen waar partijen als bedoeld in artikel 2.23a, eerste lid, zijn opgeslagen;

c. ondergaat een partij als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, geen verandering of verwerking, noch wordt de onmiddellijke verpakking of de eindverpakking van de partij gewijzigd en blijft bij splitsing van de partij de originele verpakking van de individuele colli van de deelpartij intact.

3. De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een douane-entrepot of vrij entrepot draagt er zorg voor dat:

a. er een boekhouding wordt gevoerd overeenkomstig artikel 12, vierde lid, onderdeel b, derde gedachtestreepje, van richtlijn 97/78/EG en, voor zover van toepassing, artikel 3, tweede lid, van beschikking 2000/571/EG;

(…)

c. de keuringsdierenarts alle medewerking wordt verleend die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van de inslag, opslag of uitslag van partijen noodzakelijk acht en dat diens aanwijzingen ter zake door het personeel van de opslagfaciliteit worden opgevolgd;

d. voor alle in het entrepot geleverde partijen een controle van de documenten wordt verricht;

e. voor alle partijen tijdens de opslag en vóór de uitslag een controle van de documenten en een overeenstemmingcontrole wordt verricht, teneinde de herkomst en de bestemming te verifiëren;

(…)

4. Een douane-entrepot of vrij entrepot staat onder permanente controle van de keuringsdierenarts of van de ambtenaar van de Rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

artikel 2.23e

Uitslag van een partij producten die niet voldoet aan de in deze regeling voor desbetreffende producten gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, uit een opslagruimte als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, is slechts toegestaan indien de producten bestemd zijn:

a. voor een derde land en elders geen opslag van de producten plaatsvindt en de Minister de uitslag heeft gemachtigd;

b. voor levering aan boord van zeevervoermiddelen;

c. om te worden vernietigd, met inachtneming van artikel 12, zevende lid, derde gedachtenstreepje, van richtlijn 97/78/EG.

artikel 2.23f

Degene die om inslag dan wel opslag in, of uitslag uit een van de in artikel 2.23 genoemde opslagruimten verzoekt, voldoet de kosten voor keuringen en controles welke de VWA bij de inslag, opslag of uitslag verricht. De kosten bedragen de werkelijke kosten en staan in een rechtstreeks verband met deze keuringen en controles.

artikel 2.23g

Levering van producten die niet voldoen aan de in deze regeling voor desbetreffende producten gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, geschiedt slechts door [door; toevoeging CBb] Onze Minister erkende handelaren.

artikel 2.23k

1. Het vervoer van producten als bedoeld in artikel 2.23g over Nederlands grondgebied, geschiedt onder douanetoezicht.

2. De producten gaan tijdens het vervoer naar het entrepot, bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, vergezeld van het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van richtlijn 97/78/EG.

3. De producten gaan vanaf de verzending vanuit het entrepot, bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, naar het zeevervoermiddel vergezeld van het in artikel 13, tweede lid, onder a, van richtlijn 97/78/EG bedoelde certificaat.

4. Indien de producten rechtstreeks via de inspectiepost naar het zeevervoermiddel worden vervoerd, gaat de partij vergezeld van het in het tweede en derde lid bedoelde certificaat."

Artikel 5aa van de de Regeling tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Regeling tarieven) luidde van 1 mei 2003 tot en met 30 juni 2004 als volgt.

"De kosten, bedoeld in artikel 2.23f van de Regeling keuring en handel dierlijke producten (…), bestaan uit een starttarief van € 30,00 vermeerderd met een bedrag van:

a. € 20,00 per kwartier dat aan de keuringen en controles door een dierenarts is besteed, en

b. € 15,00 per kwartier dat aan de keuringen en controles door een assistent is besteed."

Per 1 juli 2004 zijn deze bedragen verhoogd tot respectievelijk € 30,42, € 20,48 en € 15,21. Laatstgenoemde bedragen hebben gegolden tot en met 31 maart 2005.

In artikel 8 van de Regeling tarieven is onder meer het volgende bepaald.

"1. De aanbieder meldt de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 en 5 tot en met 5f, die hij door de VWA wenst te laten verrichten schriftelijk bij de VWA.

2. De melding, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste:

a. de soorten te verrichten bedrijfsactiviteiten;

b. de soorten en de hoeveelheden van de goederen;

c. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen aanvangen, en de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen eindigen.

(…)"

2.2 Op grond van de gedingstukken, het onderzoek ter zitting van 5 oktober 2004 in de in § 1.1 genoemde zaken en het onderzoek ter zitting van 24 november 2005 zijn voor het College de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Het bedrijf van appellante houdt zich, voorzover hier van belang, bezig met het verhandelen van dierlijke producten. Appellante slaat deze producten na ontvangst op in een entrepot te Rotterdam, waaruit de producten enige tijd later worden uitgeslagen en verder vervoerd.

- Met betrekking tot deze dierlijke producten wordt door de VWA, onderdeel RVV, een aantal controles verricht.

- De VWA brengt namens verweerder tweewekelijks kosten in rekening bij appellante in verband met door de RVV verrichte werkzaamheden. De eerste factuur waarvan de rechtmatigheid in beroep ter discussie staat, dateert van 6 juni 2003 en heeft betrekking op werkzaamheden die de RVV op en na 9 mei 2003 heeft verricht.

3. De bestreden besluiten en de standpunten van partijen

3.1 In de bestreden besluiten in de zaken 04/195 tot en met 04/200, 04/389 tot en met 04/393, 04/494 tot en met 04/496, 04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833 heeft verweerder, voorzover van belang voor de beoordeling van de beroepen, het volgende overwogen.

De bij appellante in rekening gebrachte kosten hebben betrekking op werkzaamheden die worden verricht bij de in-, op- en uitslag van producten van dierlijke oorsprong. Het betreft controlewerkzaamheden ten aanzien van dierlijke producten die afkomstig zijn uit derde landen met als bestemming een derde land of producten die bestemd zijn om aan zeevervoermiddelen te worden geleverd als proviand voor bemanning en eventueel passagiers. Deze werkzaamheden bestaan uit een permanente controle bij genoemde opslagruimten, (incidenteel) een materiële controle, alsook de afgifte van een machtiging bij uitslag uit de opslagruimte. Deze werkzaamheden zijn voorgeschreven in de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 97/78/EG. Het op artikel 94 Gwd gebaseerde artikel 5aa van de Regeling tarieven vormt de grondslag voor het bij appellante in rekening brengen van de met deze werkzaamheden gemoeide kosten. De tariefgrondslag voor deze kosten is neergelegd in artikel 2.23f Rkhdp.

Tot op heden zijn geen communautaire retributies vastgesteld voor de in artikel 2.23f Rkhdp bedoelde keuringen en controles, zodat heffing van een nationale retributie is aangewezen. De hoogte daarvan is vastgesteld in artikel 5aa van de Regeling tarieven. Wat ook zij van appellantes stelling dat in andere lidstaten geen of een lager tarief in rekening wordt gebracht, dit betekent gezien de huidige stand van harmonisatie niet dat in Nederland geen tarief in rekening kan worden gebracht of dat dit tarief gelijk moet zijn aan het tarief in andere lidstaten. De bij appellante in rekening gebrachte kosten zijn aan te merken als een door artikel 4 van Richtlijn 85/73/EEG toegestane retributie.

De kosten van keuring en controle hebben gelet op artikel 1.1 Rkhdp betrekking op administratiekosten, loonkosten en sociale premies van de met de onderzoeken en keuringen belaste personen en kosten van laboratoriumonderzoek. Het tarief is opgebouwd uit een startbedrag, verhoogd met een bedrag per kwartier per keuringsdierenarts of assistent die met de betreffende controle is belast. Niet alleen de kosten van hun fysieke aanwezigheid worden in rekening gebracht, maar de kosten van alle werkzaamheden die verband houden met de voorgeschreven controles. Het tarief is berekend aan de hand van een voorcalculatie, waarin is uitgegaan van een reële inschatting van de verhouding tussen actieve en inactieve uren. Onder inactieve uren dient niet alleen verlof of ziekteverzuim te worden verstaan, maar ook reistijd, werkoverleg en administratieve werkzaamheden. De personeelskosten zijn onder te verdelen in kosten van dierenartsen, keurmeesters, laboratoriumpersoneel, overig eigen personeel, uitzendkrachten en inhuur van derden. De materiaal- en administratiekosten bestaan uit huisvestingskosten, reiskosten, kantoorkosten, opleidingskosten, kosten van dienstkleding, afschrijvingen, rentelasten, algemene kosten en voorzieningen. Niet valt in te zien dat het in rekening brengen van deze kosten in strijd is met artikel 1.1 Rkhdp of Richtlijn 85/73/EEG.

Ook materiaalkosten zijn aan te merken als administratiekosten in de zin van artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG. Het betreft hier niet alleen het onderbrengen van gegevens in een administratie, maar ook het beheer en de organisatie van het met de keuring belaste ambtelijke apparaat. Onder huisvestingskosten worden begrepen de kosten van huur van gebouwen, energie, licht, water en - toevoeging verweerschrift - onroerende zaakbelasting. Als kantoorkosten worden aangemerkt kosten voor de inrichting en werking van de VWA/RVV. Opleidingskosten bestaan uit alle kosten voor opleidingen en cursussen van het VWA/RVV-personeel.

De werkzaamheden van de keuringsdierenartsen en keurmeesters op het bedrijf van appellante zijn voorgeschreven in de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 97/78/EG, in samenhang met Beschikking 2000/571/EG. Deze bepalingen zijn uitgewerkt in de artikelen 2.23 tot en met 2.23m Rkhdp. De in deze bepalingen omschreven werkzaamheden zijn met zoveel woorden toebedeeld aan de keuringsdierenarts, waaronder ingevolge artikel 1.1, vijfde lid, Rkhdp mede is te verstaan degene die namens de keuringsdierenarts onder diens gezag en verantwoordelijkheid optreedt. De onderhavige werkzaamheden worden derhalve door de keuringsdierenarts of een assistent - de keurmeester - verricht en voor deze werkzaamheden geldt het in artikel 5aa van de Regeling tarieven vastgestelde tarief. Appellante wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat een lager tarief tot de mogelijkheden behoort.

Er is voldaan aan de in artikel 4, tweede lid, juncto artikel 5 van Richtlijn 85/73/EEG genoemde voorwaarde dat een nationale retributie moet worden geheven met inachtneming van de beginselen die gelden voor een communautaire retributie.

De verwijzing van appellante naar het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake officiële controles van diervoeders en levensmiddelen kan haar niet baten. Ten eerste is geen sprake van geldende wetgeving waaraan appellante rechten kan ontlenen. Ook de inhoud van het voorstel wijst niet in de richting dat de aan appellante opgelegde retributies niet (langer) zouden zijn toegestaan of dat minder kostensoorten in aanmerking mogen worden genomen.

Op basis van een melding door degene voor wie de werkzaamheden moeten worden verricht, wordt bepaald hoeveel medewerkers wanneer aanwezig moeten zijn op het betreffende bedrijf. De door appellante gedane meldingen zijn regelmatig niet in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften, wat leidt tot onduidelijkheid over de te verwachten werkzaamheden, ook in de sfeer van administratieve werkzaamheden als de Animomelding. Deze meldingen worden verricht in de tijd waarvoor appellante heeft verzocht om aanwezigheid van personeel op haar bedrijf, zodat het niet onredelijk is dat de hiermee gemoeide kosten niet in mindering worden gebracht op het tarief. Anders dan appellante stelt, gebeurt dit laatste bij andere bedrijven evenmin. Daarnaast zijn de werkzaamheden op het bedrijf van appellante niet gelijkmatig over de dag verdeeld, in verband waarmee is afgesproken dat sprake is van een vaste minimale bezetting en extra inzet van personeel in de piekuren. Dat het in deze situatie mogelijk is dat een medewerker gedurende korte tijd niet daadwerkelijk controlewerkzaamheden kan verrichten, komt voor rekening en risico van appellante.

3.2 De bestreden besluiten in de zaken 03/1228 tot en met 03/1232 houden in wezen hetzelfde in, maar zijn minder uitvoerig gemotiveerd dan de in § 3.1 bedoelde besluiten, omdat appellante in de zaken 03/1228 tot en met 03/1232 minder bezwaargronden heeft aangevoerd dan in de overige zaken.

3.3 In de beroepschriften in de in § 3.1 genoemde zaken heeft appellante het volgende aangevoerd.

Ingevolge artikel 2.23f Rkhdp, waarop verweerder de retributies baseert, kunnen alleen kosten in rekening worden gebracht van keuringen en controles met betrekking tot inslag of opslag in dan wel uitslag uit een opslagruimte. Het afgeven van een Veterinair Certificaat (hierna: VC) zoals vereist bij scheepsleveringen, het afwerken van een Gemeenschappelijk Veterinair Document van Binnenkomst (hierna: GDB) en het verwerken en verzenden van Animoberichten vallen hier niet onder. In de tweede volzin van artikel 2.23f Rkhdp is bepaald dat de kosten de werkelijke kosten moeten bedragen en in rechtstreeks verband moeten staan met de keuringen en controles, waarmee wordt verwezen naar de in de eerste volzin bedoelde controles. Hieruit blijkt dat de door verweerder geheven retributies grotendeels niet op een wettelijke grondslag berusten.

Het opleggen van een retributie is slechts mogelijk in gevallen waarin Richtlijn 97/78/EG dat uitdrukkelijk bepaalt en dient te geschieden volgens de beginselen van Richtlijn 85/73/EEG. Richtlijn 97/78/EG, Beschikking 2000/571/EG en Richtlijn 85/73/EEG bevatten geen bepalingen die het opleggen van een retributie ter zake van de afgifte van een VC toestaan.

Uit het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake officiële controles van diervoeders en levensmiddelen, blijkt dat geen retributies mogen worden geheven voor een groot aantal bij appellante verrichte werkzaamheden. Indien wel een retributie mag worden geheven, kunnen alleen salaris-, reis- en verblijfkosten in rekening worden gebracht. Uit het voorstel blijkt niet dat het uitgangspunt van kostendekkendheid mag of moet worden gehanteerd. Gezien het voorstel zal het heffen van retributies op grond van artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG na invoering van het voorstel expliciet niet meer zijn toegestaan. Uit de toelichting op en de inhoud van het voorstel blijkt dat het niet en nooit de bedoeling is geweest dat de lidstaten naar eigen inzicht retributies kunnen heffen op alle werkzaamheden en dat de aan appellante opgelegde retributies voor het grootste gedeelte een wettelijke grondslag ontberen.

Het in rekening brengen van bijvoorbeeld de tijd die is gemoeid met het afwerken van GDB's en het verwerken en verzenden van Animoberichten is niet alleen onjuist, maar ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel: bij andere bedrijven dan dat van appellante worden deze kosten niet in rekening gebracht. Blijkens de toepasselijke wet- en regelgeving kunnen ter zake van de enkele aanwezigheid van medewerkers van de VWA/RVV geen retributies worden geheven: de retributies dienen in een rechtstreeks verband te staan met de werkzaamheden en moeten betrekking hebben op een daadwerkelijk uitgevoerde keuring of controle. Verweerders verwijzing naar met appellante gemaakte afspraken over de inzet van keuringspersoneel kan niet rechtvaardigen dat in het geval van appellante anders wordt gehandeld dan bij andere bedrijven. Appellante ontkent dat sprake is van afwijkende afspraken. Evenals andere bedrijven doet appellante vooraf mededeling van de te verrichten werkzaamheden, welke mededeling in het licht van artikel 2.23 Rkhdp uitsluitend betrekking heeft op werkzaamheden in verband met in-, op- en uitslag. Niet valt in te zien waarom de tijd die is gemoeid met het afwerken van GDB's niet onder de betreffende specifieke (onbelaste) code zou moeten worden geboekt, wat op andere bedrijven wel gebeurt.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 85/73/EEG moeten nationale retributies voldoen aan de eisen die gelden voor communautaire retributies. Deze eisen zijn neergelegd in artikel 5, tweede en derde lid, van Richtlijn 85/73/EEG en houden in dat de retributies niet meer mogen bedragen dan de werkelijke keuringskosten, zijnde de loonkosten en de sociale premies, de gerelateerde administratiekosten en de kosten voor na- en bijscholing van de inspecteurs.

Uit de voorcalculatie waarop de tarieven zijn gebaseerd, blijkt dat alle door de VWA/RVV gemaakte kosten in aanmerking zijn genomen, wat in strijd is met de geldende wetgeving en tot aanzienlijk hogere tarieven leidt. Anders dan verweerder voorstaat, moet het begrip administratiekosten in artikel 1.1 Rkhdp en artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG beperkt worden uitgelegd, reeds nu in de betreffende artikelen expliciet ook andere kostensoorten dan administratiekosten worden genoemd en voorts is vermeld dat de kosten moeten zijn gemaakt in verband met of in het kader van de controles en keuringen. Uit andere taalversies van artikel 5 van Richtlijn 85/73/EEG blijkt eveneens dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het begrip administratiekosten betrekking heeft op alle kosten van de VWA/RVV. Artikel 28 van de voorgestelde Verordening bepaalt eveneens dat slechts bepaalde kosten in rekening kunnen worden gebracht.

De controles en de afgifte van bescheiden worden in beginsel door een dierenarts of een keurmeester verricht. Niet duidelijk is waarom de controles en keuringen door hooggeschoolde personen zouden moeten wordt verricht, terwijl het meeste werk ook door personen met een lagere of middelbare opleiding kan worden verricht. Uit de Europese wetgeving volgt niet dat een VC door een dierenarts moet worden afgegeven of dat de controle van het entrepot door een dierenarts moet worden verricht.

Het (gaan) heffen van retributies betekent een onevenredige lastenverzwaring voor appellante.

3.4 In de beroepschriften in de zaken 04/769 tot en met 04/771 heeft appellante daarnaast aangevoerd dat zij de besluiten op bezwaar op 9 september 2004 heeft ontvangen, dat niet aan haar of haar gemachtigde is te wijten dat dit niet eerder is gebeurd en dat zij ervan uitgaat dat de beroepen ontvankelijk zijn.

3.5 In de beroepschriften in de zaken 03/1228 tot en met 03/1232 heeft appellante minder beroepsgronden aangevoerd dan in de overige zaken.

3.6 In zijn verweerschrift in de zaken 03/1228 tot en met 03/1232 heeft verweerder verwezen naar hetgeen in de bestreden besluiten is overwogen en heeft hij een aantal van deze overwegingen herhaald. Voorts heeft verweerder het volgende aangevoerd.

Appellante suggereert ten onrechte dat de VWA/RVV zich op haar bedrijf uitsluitend bezighoudt met de afgifte van certificaten. Het aan appellante opgelegde tarief heeft betrekking op het geheel aan controle- en keuringswerkzaamheden en is óók verschuldigd indien de controlebevindingen aanleiding geven tot weigering van deze certificaten.

Het in rekening gebrachte tarief is niet hoger dan de werkelijke kosten, indien de totale heffing van de retributie in aanmerking wordt genomen. Een rechtstreeks verband tussen de kosten van een concrete keuring of de kosten per individueel bedrijf enerzijds en de hoogte van de opgelegde retributie anderzijds is niet vereist.

De totale personeelskosten van de VWA/RVV worden evenredig verdeeld over de verschillende clusters, zijnde categorieën van bedrijven waarvoor op grond van de diverse tariefregelingen hetzelfde tarief geldt. Ook entrepots zijn als een cluster aangemerkt.

Dat de door verweerder voorgestane uitleg van het begrip administratiekosten juist is, blijkt uit het feit dat de in rekening gebrachte kosten ten tijde van de invoering van Richtlijn 85/73/EEG met zoveel woorden als administratiekosten in de zin van artikel 5 van deze richtlijn zijn aangemerkt.

Bij het verweerschrift heeft verweerder stukken overgelegd waaruit dit volgens hem blijkt.

De aan de vaststelling van het in artikel 5aa van de Regeling tarieven ten grondslag liggende belangenafweging is niet onredelijk. Tot het maken van een uitzondering voor appellante bestaat geen aanleiding, omdat zij meermalen is gewezen op de mogelijkheid haar kosten te verminderen door een efficiëntere planning van haar werkzaamheden. Bovendien voorziet de Regeling tarieven niet in een afwijkingsbevoegdheid.

3.7 In zijn verweerschriften in de zaken 04/195 tot en met 04/200, 04/389 tot en met 04/393 en 04/494 tot en met 04/496 heeft verweerder verwezen naar het in de zaken 03/1228 tot en met 03/1232 gevoerde verweer.

3.8 Bij brief van 1 maart 2005 heeft verweerder in reactie op de bij beschikking van 1 februari 2005 door het College gestelde vragen onder meer het volgende naar voren gebracht.

De VWA/RVV verricht bij inslag van iedere partij in het entrepot een documenten- en een overeenstemmingscontrole. Deze begrippen zijn gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 97/78/EG. De gecontroleerde partij bevindt zich tijdens de inslagcontrole in de expeditieruimte van het entrepot en wordt na afloop van deze controle opgeslagen in de cel, het eigenlijke opslaggedeelte van het entrepot. Indien omissies zijn vastgesteld, wordt de partij in een daartoe aangewezen stelling geplaatst en wordt de partij geblokkeerd tot de omissies naar het oordeel van de VWA/RVV zijn opgeheven.

Bij wijze van steekproef onderwerpt de VWA/RVV een gedeelte, maximaal één procent, van de in het entrepot opgeslagen partijen aan een documenten- en overeenstemmingscontrole. Indien omissies worden vastgesteld, wordt de partij geblokkeerd tot de omissies naar het oordeel van de VWA/RVV zijn opgeheven.

Bij de uitslag van een partij uit het entrepot wordt een documenten- en een overeenstemmingscontrole verricht. Wanneer hierbij geen omissies worden vastgesteld, wordt een machtiging tot uitslag afgegeven. Bij vervoer van de partij naar een land buiten de Europese Unie (hierna: EU) wordt een uitslag-GDB verstrekt. In geval van rechtstreekse aflevering aan boord van een zeevervoermiddel als proviand voor bemanning of passagiers wordt een VC verstrekt. Indien bij de uitslagcontrole omissies zijn vastgesteld, vindt uitstel of afstel van de uitslag plaats en wordt de partij geblokkeerd tot de omissies naar het oordeel van de VWA/RVV zijn opgeheven.

Indien een partij vanuit het entrepot naar een derde land wordt verzonden, kan de VWA/RVV op verzoek verklaringen of bewijsstukken afgeven met het oog op het voldoen aan de specifieke importeisen van dat derde land.

Op basis van de aanmelding van gevraagde keuringswerkzaamheden door appellante stelt de VWA/RVV vast hoeveel medewerkers op welk tijdstip bij appellante aanwezig dienen te zijn. Het komt voor dat medewerkers van de VWA/RVV binnen de door appellante aangevraagde tijd tijdelijk geen controlewerkzaamheden kunnen verrichten en op dat moment andere dingen doen, zoals het invoeren van Animoberichten. Meestal worden deze werkzaamheden echter verricht op het districtskantoor van de VWA/RVV.

In de brief van 1 maart 2005 is schematisch weergegeven ter uitvoering van welke nationale of Europese regelgeving deze keuringen en andere handelingen worden verricht.

Handeling Europese regelgeving Nationale regelgeving

Inslagcontrole Artikel 12 lid 5 eerste tweede Artikel 2.23c lid 3 onder b en d alsmede lid en derde streepje alsmede lid 6 4 Rkhdp

en 7 Richtlijn 97/78/EG;

Artikel 4 Beschikking 2000/571/EG

Opslagcontrole Artikel 12 lid 5 eerste tot en met Artikel 2.23c lid 3 onder e alsmede lid 4 vierde streepje Richtlijn 97/78/EG; Rkhdp

artikel 4 Beschikking 2000/571/EG

Uitslagcontrole Artikel 12 lid 5 eerste en derde streepje Artikel 2.23c lid 3 onder e alsmede lid 4,

alsmede lid 8, artikel 13 lid 1 2 en 5 artikel 2.23k Rkhdp

Richtlijn 97/78/EG;

Artikel 1 lid 6, artikel 4 derde streepje,

artikel 5 lid 2 en bijlage Beschikking

2000/571/EG

Certificering op verzoek Niet van toepassing (export naar derde Artikel 79 Gwd

landen niet geharmoniseerd op EU-niveau)

Overige handelingen, Artikel 12 lid 8 eerste streepje juncto Niet van toepassing.

waaronder invoeren artikel 11 lid 2 onder d en e en artikel 13 Behoeft geen implementatie

Animobericht lid 4 Richtlijn 97/78/EG omdat het een verplichting is die is gericht tot lidstaten en geen norm bevat voor

individuen. De Rkhdp is, voorzover hier van belang, gebaseerd op artikel 4 van het Besluit, dat weer is gebaseerd op artikel 111 Gwd.

De nationaalrechtelijke bevoegdheid en de Europese omschrijving dan wel verplichtstelling tot het bij appellante in rekening brengen van kosten zijn in de brief van 1 maart 2005 eveneens schematisch weergegeven.

Handeling Nationaalrechtelijke bevoegdheid voor het in rekening brengen van kosten

Inslagcontrole Artikel 94 lid 1 onder k en 94b Gwd;

Artikel 2.23 en 2.23f Rkhdp;

Artikel 5aa en 8 Regeling tarieven

Opslagcontrole Idem

Uitslagcontrole Idem

Certificering op verzoek Artikel 94 lid 1 onder g Gwd;

Artikel 5c Regeling tarieven

Overige handelingen in aangevraagde tijd Als bij Inslagcontrole

Handeling Europeesrechtelijke omschrijving of verplichtstelling voor het in rekening brengen van kosten

Inslagcontrole Artikel 12 lid 9 Richtlijn 97/78/EG;

Artikel 4 lid 2 Richtlijn 85/73/EEG

Opslagcontrole Idem

Uitslagcontrole Artikel 12 lid 9 en artikel 13 Richtlijn 97/78/EG;

Artikel 4 lid 2 Richtlijn 85/73/EEG

Certificering op verzoek Geen verplichting, wel een bevoegdheid tot het heffen van nationale retributies op grond van artikel 4 lid 2 Richtlijn 85/73/EEG

Overige handelingen in aangevraagde tijd Als bij Uitslagcontrole

3.9 In haar brief van 6 april 2005 heeft appellante in reactie op verweerders brief van 1 maart 2005 het volgende naar voren gebracht.

De door appellante verhandelde producten komen uitsluitend binnen via zee. Na het lossen van deze producten uit het schip wordt aan de buitengrensinpectiepost (hierna: BIP) een documentencontrole en een overeenstemmingscontrole verricht. Deze controles maken deel uit van de in artikel 4 van Richtlijn 97/78/EG bedoelde controles. De betreffende controles en de daaraan verbonden kosten zijn geen voorwerp van de onderhavige procedures.

Na de controle in de BIP worden de goederen verzegeld naar het bedrijf van appellante vervoerd. Ter zake van dit vervoer worden een douaneaangifte en een veterinair bescheid, het GDB, opgemaakt. Zodra de goederen op het bedrijfsterrein van appellante aankomen, controleert de douane of het zegel intact is. Na deze controle wordt het zegel verbroken en worden de goederen gelost, geteld, gewogen en gecontroleerd. De bevindingen worden aan de douane en de VWA/RVV medegedeeld. Op grond van deze bevindingen en soms na een douanecontrole wordt het vervoer gezuiverd, waartoe de VWA/RVV de bevindingen van de medewerkers van appellante controleert en het GDB afwerkt. Deze afwerking vindt te allen tijde plaats, ongeacht de bestemming van de goederen. Nadat deze werkzaamheden zijn afgerond, vindt de fysieke inslag in het veterinair vrij entrepot (hierna: VVE) plaats.

De VWA/RVV voert steekproefsgewijs controles uit tijdens de opslag in het VVE.

Bij de uitslag van de goederen is geen VWA/RVV-medewerker aanwezig. Appellante kan de goederen de bestemming levering proviand aan een zeeschip, levering aan VVE binnen de EU of levering aan een derde land geven. In alle gevallen moet het vervoer van het bedrijf van appellante naar de vervolgbestemming onder douanetoezicht plaatsvinden, waartoe appellante de vereiste documenten opmaakt. Indien de producten als proviand worden geleverd, moet een VC worden opgemaakt. De medewerkers van appellante maken het formulier op, waarna het door de VWA/RVV geldig wordt gemaakt door het plaatsen van een handtekening en een stempel. Bij levering aan een VVE binnen de EU of bij levering aan een derde land wordt een GDB alsmede een gezondheidscertificaat opgemaakt. Ook deze formulieren worden door medewerkers van appellante opgemaakt en door de officiële dierenarts geldig gemaakt.

Met uitzondering van de opslagcontroles worden alle controles buiten het VVE verricht.

De wettelijke grondslag van de werkzaamheden voor exportcertificering en de daarmee verband houdende retributies is geen onderwerp van de procedure.

Artikel 12, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG heeft, evenals de overige leden van dit artikel, betrekking op de aanvoer over zee of door de lucht van goederen van buiten de EU bij een BIP. Op het moment dat appellante de goederen ontvangt, zijn deze de BIP te Rotterdam-Maasvlakte al gepasseerd. Het bedrijf van appellante is geen BIP en evenmin een vrije zone, vrij entrepot of douane-entrepot als bedoeld in artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 97/78/EG, aangezien dit bedrijf niet is vermeld in Beschikking 2002/986/EG. De controles die de VWA/RVV bij appellante verricht zijn derhalve geen controles in de zin van artikel 12 van Richtlijn 97/78/EG.

Dat artikel 12 van Richtlijn 97/78/EG slechts betrekking heeft op de formaliteiten aan de BIP blijkt ook uit Beschikking 2000/571/EG, waarin sprake is van het binnenbrengen via een BIP of het binnenlaten. Afgezien daarvan is artikel 4, derde streepje, van Beschikking 2000/571/EG niet van toepassing, aangezien daar wordt verwezen naar de in Beschikking 2002/986/EG erkende entrepots, terwijl de overige door verweerder genoemde bepalingen van Beschikking 2000/571/EG geen controlebevoegdheden bevatten. De bij appellante verrichte controles kunnen derhalve niet worden gebaseerd op Beschikking 2000/571/EG.

Artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG, dat de basis vormt voor de overige leden van dit artikel, verwijst naar artikel 12, vierde lid, van deze richtlijn. Laatstgenoemd artikellid heeft geen betrekking op appellante, zodat hetzelfde geldt voor artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG. Afgezien daarvan heeft artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG betrekking op rechtstreekse leveringen vanuit een BIP. Het bedrijf van appellante is geen BIP.

Aangezien de werkzaamheden bij appellante geen grondslag hebben in de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 97/78/EG of Beschikking 2000/571/EG, kan het bepaalde in deze richtlijn en beschikking niet de grondslag vormen voor het heffen van retributies.

De verrichte controles hebben geen betrekking op het inklaren van goederen, terwijl appellante ook niet degene is die de goederen inklaart als bedoeld in titel III van het Communautair Douanewetboek dan wel daarvoor verantwoordelijk is. Ook hieruit blijkt dat artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG geen betrekking heeft op de werkzaamheden zoals uitgevoerd bij appellante.

De aanhef van artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG strekt ertoe dat, indien de goederen bestemd zijn voor zeeschepen, ook de formaliteiten van artikel 12 van deze richtlijn worden vervuld. Dit betekent echter niet dat ook artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG van overeenkomstige toepassing is. Afgezien daarvan doet de in artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG bedoelde situatie zich hier - zoals gezegd - niet voor.

Artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd verwijst naar communautaire wetgeving en bevat geen zelfstandige grondslag voor het heffen van retributies. De onderhavige controles vinden niet hun grondslag in Richtlijn 97/78/EG of daarop gebaseerde regelgeving. Artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd noch enig andere bepaling uit deze wet vormt een grondslag voor het heffen van retributies en geldt hetzelfde voor artikel 2.23 Rkhdp.

3.10 In zijn brief van 4 juli 2005 heeft verweerder met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 het volgende naar voren gebracht.

De besluiten op bezwaar van 21 juni 2004 zijn diezelfde dag verzonden aan de gemachtigde van appellante, zoals blijkt uit het minutevoorblad van deze besluiten. Van de verzending is volgens de vaste werkwijze binnen het ministerie door het centrale tekstverwerkingscentrum van de directie Juridische Zaken een aantekening gemaakt met datering 21/6. De beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 zijn te laat ingesteld en moeten om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.11 Bij brief van 7 juli 2005 heeft verweerder in reactie op de brief van 6 april 2005 van appellante het volgende aangevoerd.

In het schema, opgenomen in de brief van 1 maart 2005, is aangegeven welke bepalingen van toepassing zijn op welke fase in het proces. Uit de tekst van deze bepalingen blijkt dat zij niet zien op de afhandeling in de BIP, maar onder meer op de binnenkomst en het verlaten van de goederen bij de entrepots, waaronder een VVE - zie artikel 12, vijfde lid, derde streepje, van Richtlijn 97/78/EG -. Ook uit artikel 12, vierde lid, van Richtlijn 97/78/EG blijkt dat een BIP onderscheiden moet worden van een entrepot. Het artikellid heeft betrekking op de toelating van goederen vanuit een BIP tot een entrepot. Anders dan appellante stelt, zien de in de brief van 1 maart 2005 genoemde artikelen derhalve niet uitsluitend op de BIP, maar evenzeer op entrepots als het VVE van appellante.

De stelling van appellante dat zij geen vrij entrepot heeft als bedoeld in artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 97/78/EG is nieuw, zodat verweerder hiermee geen rekening heeft kunnen houden bij het nemen van de bestreden besluiten.

De door appellante genoemde Beschikking 2002/986/EG bevat niet de lijst als bedoeld in artikel 12, tiende lid, van Richtlijn 97/78/EG, die, voorzover verweerder bekend, nog niet is gepubliceerd, maar de lijst als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 97/78/EG, te weten de lijst met BIP's. Hierbij komt dat appellante op eigen verzoek is erkend als VVE in de zin van artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 97/89/EG en als scheepsleverancier.

Het door appellante gemaakte onderscheid tussen cellen enerzijds en de expeditieruimte en het kantoor anderzijds is eveneens nieuw.

Uit de toepasselijke regelgeving blijkt dat een VVE uit meer dan een cel bestaat - vergelijk artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 97/78/EG en artikel 2.23c, eerste lid, aanhef en onder c, Rkhdp -, namelijk ook uit geschikte lokalen voor de keuringsdierenarts en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen. Zowel de expeditieruimte als de kantoorruimte van de VWA/RVV maakt deel uit van het VVE van appellante. Bovendien hebben de aan appellante gefactureerde werkzaamheden in de expeditieruimte ook naar hun aard betrekking op de inslag, opslag en uitlag van goederen in het VVE van appellante, zodat is voldaan aan artikel 2.23f Rkhdp.

Het betoog van appellante dat het afwerken of geldig maken van GDB's of VC's niet tot de in-, op- of uitslagcontrole zou behoren, miskent dat het GDB allereerst een veterinair en geen douanetechnisch document is. Het afwerken van GDB's en VC's is functioneel verbonden met de handelingen inslag en uitslag en moet worden beschouwd als doeltreffende controle in de zin van artikel 12, vijfde lid, derde streepje, van Richtlijn 97/78/EG. Wanneer deze documenten akkoord zijn bevonden, kan de daadwerkelijke in- of uitslag plaatsvinden: de voorgeschreven controle vindt plaats door het afwerken van de documenten. Mede gelet hierop is niet relevant of de VWA/RVV altijd aanwezig is bij de daadwerkelijke in- of uitslag.

Ook Beschikking 2000/571/EG kent het onderscheid tussen een BIP en een entrepot, waaronder een VVE, zoals onder meer blijkt uit de punten 5 en 6 van haar preambule.

De in artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG bedoelde uitgaven omvatten nadrukkelijk ook de bij het artikel opgelegde inspecties en controles. In artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG is artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG expliciet van toepassing verklaard op handelaren die producten vanuit entrepots rechtstreeks aan zeevervoermiddelen leveren.

3.12 In haar brief van 15 augustus 2005 heeft appellante met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 het volgende naar voren gebracht.

De duur van de verschillende bezwaarschriftprocedures is zeer variabel. Zo komt het voor dat op verschillende bezwaren die dezelfde dag zijn gemaakt, niet tegelijkertijd wordt beslist. In ieder geval is geen sprake van een vaste termijn waarbinnen een beslissing op een bezwaar van appellante wordt genomen.

Toen de gemachtigde van appellante beroep wilde instellen tegen de besluiten van 19 augustus 2004, ontdekte hij dat verweerder op eerdere bezwaren nog geen beslissing had genomen, waarna verweerder bij faxbericht van 2 september 2004 is verzocht zo spoedig mogelijk alsnog op de eerdere bezwaren te beslissen. Vervolgens heeft verweerder de besluiten op bezwaar van 21 juni 2004 toegezonden aan de gemachtigde van appellante, waarna meteen beroep is ingesteld.

Vaststaat dat de beslissingen van 21 juni 2004 niet per aangetekende post, maar per gewone post zijn verzonden. Appellante betwist dat op grond van de bij brief van 4 juli 2005 door verweerder overgelegde stukken kan worden geconcludeerd dat de beslissingen op bezwaar van 21 juni 2004 op die dag zijn verzonden.

Indien het College zou oordelen dat voldoende is aangetoond dat de besluiten op 21 juni 2004 zijn verzonden, staat nog steeds vast dat de gemachtigde van appellante deze besluiten niet (enkele dagen na 21 juni 2004) heeft ontvangen. Zoals uit de andere procedures blijkt, stelt appellante steeds tijdig beroep in tegen de door verweerder genomen beslissingen op bezwaar. Haar gemachtigde is werkzaam bij een groot advocatenkantoor, waar inkomende en uitgaande correspondentie op professionele wijze wordt verwerkt. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de besluiten van 21 juni 2004, anders dan alle andere besluiten op bezwaar en overige correspondentie in deze zaken, bij of door toedoen van de gemachtigde van appellante in het ongerede zijn geraakt. Onmiddellijk nadat de besluiten van 21 juni 2004 zijn ontvangen, is alsnog beroep ingesteld. Tussentijds heeft op geen enkele wijze correspondentie of andere communicatie plaatsgevonden tussen verweerder en appellante of haar gemachtigde waaruit zou kunnen blijken dat op 21 juni 2004 beslissingen op bezwaar zijn genomen en verzonden. Een eventuele termijnoverschrijding moet derhalve verschoonbaar worden geoordeeld.

3.13 In de op 15 augustus 2005 ingediende verweerschriften in de zaken 04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833 heeft verweerder zijn standpunt dat de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gehandhaafd en heeft hij wat betreft het inhoudelijke verweer verwezen naar al hetgeen hij eerder heeft aangevoerd.

4. De beoordeling van de beroepen

4.1 Het College zal allereerst ingaan op het standpunt van verweerder dat de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens termijnoverschrijding.

4.1.1 Gezien de door verweerder overgelegde stukken acht het College voldoende aannemelijk dat de besluiten van 21 juni 2004 diezelfde dag aan de gemachtigde van appellante zijn toegezonden. Aldus is het besluit op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit betekent dat de beroepstermijn ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Awb is aangevangen op 22 juni 2004 en dat 2 augustus 2004 de laatste dag is waarop appellante tijdig beroep had kunnen instellen (artikel 6:7 Awb). De betreffende beroepen zijn op 14 dan wel 15 september 2004 ingesteld, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn.

4.1.2 Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het College acht het betoog van appellante inzake de datum waarop haar gemachtigde voor het eerst kennis heeft genomen van de besluiten van 21 juni 2004 voldoende geloofwaardig. Dat de gedingstukken en de door appellante aangedragen argumenten geen objectief bewijs vormen voor de juistheid van haar betoog, vormt gezien de aan de orde zijnde feiten en omstandigheden onvoldoende grond voor een ander oordeel. Het College neemt hierbij in aanmerking dat het voor appellante uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk is onomstotelijk te bewijzen dat zij de besluiten van 21 juni 2004 niet voor 9 september 2004 heeft ontvangen en dat appellante haar betoog zoveel als redelijkerwijs mogelijk heeft onderbouwd met argumenten en stukken. Verweerder had de besluiten van 21 juni 2004 desgewenst aangetekend of met andere vorm van ontvangstbevestiging kunnen verzenden om de door hem gestelde goede ontvangst van deze besluiten door de gemachtigde van appellante aan te tonen. Van deze mogelijkheid heeft verweerder geen gebruik gemaakt.

Aannemende dat haar gemachtigde de besluiten van 21 juni 2004 op 9 september 2004 heeft ontvangen, heeft appellante naar het oordeel van het College met voldoende voortvarendheid (alsnog) beroep ingesteld tegen deze besluiten. Ook in zoverre kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.

4.1.3 Het voorafgaande leidt het College tot de slotsom dat de beroepen in de zaken 04/769 tot en met 04/771 weliswaar niet tijdig zijn ingesteld, maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten, zodat geen aanleiding bestaat de betreffende beroepen wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2 Het College zal thans de beroepen inhoudelijk beoordelen. Gezien de uitkomst van deze beoordeling kan in het midden blijven of appellante alle beroepsgronden in alle zaken heeft aangevoerd.

4.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat artikel 2.23f Rkhdp in ieder geval geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van kosten die zijn gemoeid met het afwerken van GDB's, de afgifte van VC's, het verwerken en verzenden van Animoberichten en de aanwezigheid van VWA/RVV-medewerkers op het bedrijf van appellante op (andere) momenten dat zij geen controles of keuringen verrichten.

Het College volgt appellante niet in dit standpunt en overweegt hiertoe volgende.

4.3.1 Zoals verweerder in zijn brief van 1 maart 2005 heeft toegelicht en door appellante niet is betwist, resulteert een inslagcontrole op het bedrijf van appellante waarbij geen gebreken worden vastgesteld, in de afgifte van een GDB. Hetzelfde geldt voor een uitslagcontrole waarbij geen gebreken worden vastgesteld, behalve indien de betreffende partij aan een zeeschip wordt geleverd: in dat geval wordt een VC verstrekt. Een GDB of VC vormt aldus het sluitstuk van de inslag- of uitslagcontrole en het bewijs dat bij de betreffende controle geen gebreken zijn geconstateerd. Gelet hierop kan het afwerken van een GDB of VC niet los worden gezien van de inslag- of uitslagcontrole zelf, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de met de afgifte van een GDB of VC gemoeide kosten gelet op artikel 2.23f Rkhdp niet bij appellante in rekening mogen worden gebracht.

4.3.2 Het College overweegt voorts dat de aanwezigheid van VWA/RVV-medewerkers op het bedrijf van appellante ook overigens niet los kan worden gezien van de door haar aangevraagde controle- en keuringswerkzaamheden. De meldingen van appellante als bedoeld in artikel 2.23 Rkhdp zijn bepalend voor de inzet van VWA/RVV-personeel op haar bedrijf en appellante heeft niet gesteld dat ten tijde hier van belang meer VWA/RVV-medewerkers op haar bedrijf aanwezig waren dan gezien haar meldingen in de rede had gelegen. Voorzover medewerkers van de VWA/RVV niet gedurende de gehele door appellante aangevraagde tijd daadwerkelijk controles en keuringen (kunnen) verrichten omdat tijdelijk geen werk voorhanden is en zij de resterende tijd bijvoorbeeld gebruiken om Animoberichten te verzenden, acht het College het in rekening brengen van de resterende tijd niet in strijd met artikel 2.23f Rkhdp. In dat geval wordt immers, anders dan appellante stelt, niet de enkele aanwezigheid van medewerkers van de VWA/RVV of de kosten van niet specifiek ten behoeve van appellante verrichte werkzaamheden in rekening gebracht, maar de kosten die de VWA/RVV heeft moeten maken om de door appellante aangevraagde keurings- en controlecapaciteit op haar bedrijf beschikbaar te stellen.

4.3.3 Het door appellante in dit verband gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is onvoldoende onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen. Appellante heeft geen bedrijf genoemd waaraan verweerder in vergelijkbare omstandigheden de in § 4.3 bedoelde kosten niet in rekening zou brengen of zou hebben gebracht. Ook overigens heeft zij geen objectief verifieerbare gegevens verstrekt die tot de slotsom kunnen leiden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in de Rkhdp beschreven keuringen en controles, voorzover van belang voor de beroepen van appellante, zijn gebaseerd op artikel 4 van het Besluit, dat op zijn beurt is gebaseerd op artikel 111 Gwd. Ingevolge artikel 111 Gwd kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur - in dit geval volgens verweerder (artikel 4 van) het Besluit - ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet.

De wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van de met de controles en keuringen op het bedrijf van appellante gemoeide kosten is volgens verweerder gelegen in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd, in aanmerking genomen dat appellante uitdrukkelijk heeft vermeld dat de kosten van exportcertificering geen voorwerp van geschil zijn. Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd kan verweerder een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief - in dit geval het tarief van artikel 5aa van de Regeling tarieven - ter zake van onderzoeken of verrichtingen die zijn voorgeschreven bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel op verzoek van betrokkenen plaatsvinden.

Appellante heeft gemotiveerd betoogd dat de keuringen en controles die de VWA/RVV op haar bedrijf verricht en het in rekening brengen van de daarmee gemoeide kosten niet kunnen worden gebaseerd op het gemeenschapsrecht. In dit betoog ligt het standpunt besloten dat een nationale wettelijke basis voor de keuringen en controles alsmede het opleggen van retributies ontbreekt, aangezien zowel in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd als in artikel 111 Gwd wordt verwezen naar, kort gezegd, het gemeenschapsrecht. In het betoog van appellante ligt voorts het standpunt besloten dat, aangezien verweerder haar gehouden acht de controles en keuringen door de VWA/RVV te ondergaan en deze op de voet van artikel 2.23 Rkhdp vooraf aan te vragen, niet kan worden gesproken van werkzaamheden op verzoek in de zin van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd.

4.5 Het geschil over de grondslag van de bestreden besluiten spitst zich met name toe op de uitleg van artikel 12 van Richtlijn 97/78/EG.

Appellante stelt zich op het standpunt dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op controles aan de BIP.

Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 12, vijfde lid en verder, van Richtlijn 97/78/EG mede betrekking heeft op VVE's als dat van appellante.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

4.5.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat artikel 12, eerste tot en met derde lid, van Richtlijn 97/78/EG betrekking heeft op controles aan de BIP. Uit het vierde lid blijkt dat, indien bij deze controles wordt geconstateerd dat de producten niet aan de communautaire eisen voldoen, de veterinaire en douaneautoriteiten aan de BIP de toelating tot een entrepot in een vrije zone, een vrij entrepot of een douane-entrepot slechts onder voorwaarden mogen toestaan. Ingevolge het vijfde lid moeten de bevoegde autoriteiten (van de lidstaten) de nodige maatregelen treffen om (-) na te gaan of de voorwaarden voor erkenning van de entrepots in acht worden genomen, (-) ervoor te zorgen dat producten die niet aan de communautaire veterinaire eisen voldoen, niet in dezelfde lokalen of omheinde ruimten worden opgeslagen als producten die wel aan die eisen voldoen, (-) een doeltreffende controle bij het binnenkomen en het verlaten van het entrepot te garanderen en, tijdens de uren waarop de entrepots toegankelijk zijn, het toezicht door de veterinaire autoriteit te garanderen. Deze autoriteit moet er in het bijzonder op toezien dat producten die niet aan de communautaire eisen voldoen, de lokalen of ruimten waarin zij zijn opgeslagen niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit kunnen verlaten en dient de nodige controles uit te voeren teneinde elke verandering of verwisseling van de in de entrepots opgeslagen producten of elke verandering van de onmiddellijke verpakking, de eindverpakking of de verwerking te voorkomen.

4.5.2 De tekst van artikel 12, vijfde lid, van Richtlijn 97/78/EG laat naar het oordeel van het College geen twijfel bestaan dat dit artikellid betrekking heeft op entrepots en niet op BIP's. Onder entrepots moet in het licht van artikel 12, vijfde lid, aanhef en eerste streepje, van Richtlijn 97/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van deze richtlijn, worden verstaan: de erkende entrepots van vrije zones, de vrije entrepots en de douane-entrepots die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend voor de opslag van producten. Uit de tekst van de verdere leden van artikel 12 blijkt eveneens dat deze betrekking hebben op entrepots en niet op BIP's.

Dat artikel 12 van Richtlijn 97/78/EG niet alleen betrekking heeft op de binnenkomst van goederen bij een BIP, maar ook op de entrepots waar deze goederen na het verrichten van de voorgeschreven controles bij de BIP mogen worden opgeslagen, ligt naar het oordeel van het College ook gezien de doelstellingen van de richtlijn in de rede. Blijkens punt 2 van haar preambule strekt Richtlijn 97/78/EG tot de vaststelling, op communautair niveau, van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen met het oog op de veiligstelling van de voorziening en stabilisatie van de markten, waarbij tevens de maatregelen die voor de bescherming van de gezondheid van mens en dier nodig zijn worden geharmoniseerd. In punt 10 van de preambule van deze richtlijn is overwogen dat strenge regels moeten worden vastgesteld voor producten die aan de grens van de Gemeenschap aankomen, maar die uiteindelijk niet voor de Gemeenschap bestemd zijn, teneinde te verzekeren dat deze producten de gemeenschap weer verlaten. Met het oog op het bereiken van de in punt 2 van de preambule genoemde doelstellingen en het bieden van de in punt 10 van de preambule bedoelde verzekering ligt het niet voor de hand alleen controles aan de BIP voor te schrijven en geen voorschriften te stellen met betrekking tot de daarop volgende opslag van goederen in entrepots.

4.5.3 Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat het bedrijf van appellante is erkend als VVE, zodat haar bedrijf moet worden aangemerkt als entrepot in de zin van artikel 12 van Richtlijn 97/78/EG.

Het beroep van appellante op Beschikking 2002/986/EG leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. Uit de in de aanhef van deze beschikking opgenomen verwijzing naar artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 97/78/EG en uit de verdere inhoud van de beschikking blijkt dat Beschikking 2002/986/EG de in artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 97/78/EG bedoelde lijst van BIP's bevat en niet de in artikel 12, tiende lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 97/78 genoemde lijst van de in artikel 12, vierde lid, van deze richtlijn bedoelde vrije zones, vrije entrepots en douane-entrepots. Dat het bedrijf van appellante niet wordt genoemd op de lijst van Beschikking 2002/986/EG impliceert dan ook niet dat dit bedrijf geen entrepot is in de zin van artikel 12, vierde lid en verder, van de richtlijn.

4.5.4 Ook overigens ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat haar in § 4.5 genoemde standpunt juist is.

4.6 Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG niet van toepassing is op de levering van in haar entrepot opgeslagen producten aan zeevervoermiddelen. Artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG heeft blijkens het eerste lid betrekking op handelaren die rechtstreeks producten zoals bedoeld in artikel 12, vierde lid, van deze richtlijn aan zeevervoermiddelen leveren. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het hierbij gaat om levering vanuit een BIP en niet om levering vanuit een entrepot, zoals appellante heeft betoogd. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG zijn de voorschriften van artikel 12, vijfde, zesde en zevende lid, van deze richtlijn van toepassing. Deze voorschriften hebben betrekking op entrepots en niet op BIP's. Niet valt in te zien waarom deze voorschriften van toepassing zouden zijn indien artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG betrekking zou hebben op rechtstreekse levering van dierlijke producten vanuit een BIP aan een zeevervoermiddel, omdat de producten in dat geval niet in een entrepot in de zin van artikel 12, vijfde, zesde en zevende lid, opgeslagen zijn geweest.

Het standpunt van appellante, inhoudende dat de communautaire regelgeving geen betrekking heeft op de afgifte van een VC in verband met de levering van dierlijke producten aan zeevervoermiddelen, is gezien het vorenoverwogene en het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 97/78/EG onjuist.

4.7 Uit § 4.5 tot en met § 4.5.4 volgt dat appellante een op grond van artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 97/78/EG erkend entrepot heeft, zodat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat artikel 4 van Beschikking 2000/571/EG van toepassing is op het bedrijf van appellante.

4.8 Richtlijn 97/78/EG strekt tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de EU worden binnengebracht. In artikel 12, vijfde lid, van deze richtlijn is voorgeschreven welke resultaten met deze controles moeten worden bereikt. Richtlijn 97/78/EG schrijft niet voor hoe de lidstaten hun controles moeten inrichten en uitvoeren. Het is derhalve aan de lidstaten overgelaten te bepalen op welke wijze zij de in de richtlijn bedoelde controles inrichten en uitvoeren, mits de door de richtlijn voorschreven resultaten worden bereikt en ook overigens niet wordt gehandeld in strijd met de richtlijn.

Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de door de VWA/RVV in overeenstemming met de Rkhdp ter uitvoering van Richtlijn 97/78/EG op het bedrijf van appellante verrichte controles niet geschikt zijn om de in Richtlijn 97/78/EG genoemde resultaten te bereiken of anderszins in strijd zijn met deze richtlijn.

4.9 Hetgeen in § 4.5 tot en met § 4.8 is overwogen leidt het College tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de door de VWA/RVV op het bedrijf van appellante verrichte keuringen en controles een toereikende grondslag hebben in artikel 111 Gwd, artikel 4 van het Besluit en de Rkhdp, aangezien deze controles worden verricht ter uitvoering van en in overeenstemming met de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 97/78/EG en artikel 4 van Beschikking 2000/571/EG.

4.10 Ingevolge artikel 12, negende lid, en artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 97/78/EG komen alle uitgaven in verband met de toepassing van deze bepalingen, inclusief de bij deze artikelen opgelegde inspecties en controles, ten laste van de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger, zonder enige vergoeding door de lidstaat, overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit artikel 1 van Richtlijn 85/73/EEG.

Voorzover het betoog van appellante aldus zou moeten worden begrepen dat zij betwist de belanghebbende bij de lading dan wel diens vertegenwoordiger te zijn, volgt het College haar hierin niet. Appellante heeft niet gesteld dat de in de primaire besluiten vervatte facturen ten onrechte aan haar zijn gericht. Evenmin heeft zij naar voren gebracht wie volgens haar wél moet worden aangemerkt als belanghebbende bij de lading of diens vertegenwoordiger en waarom.

4.11 Zoals hierboven in § 4.8 is overwogen, staat het de lidstaten in beginsel vrij zelf te bepalen hoe de in Richtlijn 97/78/EG bedoelde controles worden ingericht en uitgevoerd. De richtlijn staat er (dan ook) niet aan in de weg dat de keurings- en controlewerkzaamheden op het bedrijf van appellante mede gezien het bepaalde in de Rkhdp worden verricht door een keuringsdierenarts of keurmeester. Ook overigens acht het College in de stelling van appellante dat ook anderen dan een keuringsdierenarts of keurmeester deze keuringen en controles kunnen verrichten, geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de in artikel 5aa van de Regeling tarieven genoemde bedragen voor het verrichten van werkzaamheden door een keuringsdierenarts of keurmeester bij appellante in rekening heeft gebracht.

4.12 Verweerder heeft uiteengezet dat de in artikel 5aa van de Regeling tarieven genoemde bedragen zijn gebaseerd op een voorcalculatie, waarbij alle met de controles en keuringen verband houdende kosten in aanmerking zijn genomen en waarbij, naar achteraf ook is gebleken, de totale opbrengst van de in rekening gebrachte kosten niet uitgaat boven de totale kosten die zijn gemoeid met de keuringswerkzaamheden.

Appellante stelt zich op het standpunt dat niet alle door verweerder in aanmerking genomen kosten bij haar in rekening mogen worden gebracht.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

4.12.1 Het bepaalde in artikel 12, negende lid, van Richtlijn 97/78/EG, waarin sprake is van "alle kosten", duidt er niet op dat appellante zich terecht op het standpunt stelt dat van een beperkt kostenbegrip moet worden uitgegaan, maar biedt veeleer steun aan het standpunt van verweerder.

4.12.2 Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat het begrip administratiekosten blijkens onder meer artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG beperkter moet worden uitgelegd dan verweerder voorstaat. Gezien de tekst van artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG moet worden geoordeeld dat het argument van appellante geen steek houdt. De door verweerder bij brief van 7 juli 2005 overgelegde stukken met betrekking tot de wordingsgeschiedenis van Richtlijn 85/73/EEG, waarin onder meer is ingegaan op de betekenis van het begrip administratiekosten, wijzen er eveneens op dat het standpunt van verweerder juist is.

Hierbij komt dat artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG, gezien artikel 4, tweede lid, juncto artikel 5, derde lid, van deze richtlijn, onverlet laat dat de lidstaten een hogere nationale retributie mogen heffen dan zou voortvloeien uit toepassing van de in artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 85/73/EEG genoemde uitgangspunten voor de vaststelling van communautaire retributies, mits de totale retributie per lidstaat niet meer bedraagt dan de werkelijk gemaakte keuringskosten. Ook indien de door appellante voorgestane uitleg van het begrip administratiekosten in de zin van artikel 5, eerste lid, van deze richtlijn zou zijn gevolgd, zou dit derhalve niet impliceren dat artikel 5aa van de Regeling tarieven in strijd is met Richtlijn 85/73/EEG.

4.12.3 Appellante wordt mitsdien niet gevolgd in haar in § 4.12 genoemde standpunt.

4.13 Hetgeen in § 4.10 tot en met § 4.12.3 is overwogen leidt het College tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de bij appellante in rekening gebrachte retributies een toereikende grondslag hebben in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder k, Gwd, artikel 2.23f Rkhdp en artikel 5aa van de Regeling tarieven.

4.14 De argumenten die appellante ontleent aan nieuwe Europese regelgeving leiden niet tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.

De door appellante bedoelde regelgeving, Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (hierna: Verordening (EG) 882/2004), is op 30 april 2004 gepubliceerd (Pb 2004, L 165, blz. 1), waarna op 28 mei 2004 een gerectificeerde versie is gepubliceerd (Pb 2004, L 191, blz. 1). Uit artikel 67 van deze verordening volgt dat zij twintig dagen na publicatie in werking treedt en met uitzondering van artikel 27 en 28 van toepassing is met ingang van 1 januari 2006. Het in de bestreden besluiten vervatte standpunt van verweerder dat geen sprake is van geldende wetgeving, is gezien de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) 882/2004 strikt genomen niet juist wat betreft de bestreden besluiten in de zaken 04/769 tot en met 04/776, 04/832 en 04/833, maar gezien het feit dat Verordening (EG) 882/2004 - met inbegrip van de in artikel 58 genoemde wijzigingen van Richtlijn 97/78/EG, waaronder de intrekking van artikel 12, negende lid - eerst met ingang van 1 januari 2006 van toepassing wordt, heeft verweerder zich in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat Verordening (EG) 882/2004 in de aan de orde zijnde zaken niet van belang is.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat uit Verordening (EG) 882/2004, ook al is zij nog niet van toepassing, blijkt dat Richtlijn 97/78/EG of Richtlijn 85/73/EEG anders moet worden uitgelegd dan verweerder voorstaat.

4.15 Het vorenoverwogene tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

5. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen