Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU9321

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/1077
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Registratie

beëindiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/1077 9 december 2005

3111 Registratie

beëindiging

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, verweerder,

gemachtigden: mr. B.C. Westenbroek en E. Cloosterman, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 7 december 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 14 juli 2004.

Bij brief van 13 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 28 oktober 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellante was tevens aanwezig B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (Stb.2002, 394; hierna: Instellingsbesluit) is onder andere het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. Er is een Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

a. het schilders- en afwerkingsbedrijf;

b. het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf.

(…).”

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“ Onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.”

Bij de Verordening Registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (hierna: de Verordening) van 22 april 2003, in werking getreden op 31 mei 2003 (PBO-blad 2003, nr. 37), is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register van ondernemingen, waarin gegevens worden opgenomen ten behoeve van de vervulling van de taak van het hoofdbedrijfschap.

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 mei 2001 heeft verweerder appellante verzocht een vragenlijst in te vullen ter beoordeling van een mogelijke verplichting tot registratie.

- Appellante heeft de ingevulde vragenlijst op 23 mei 2001 aan verweerder toegezonden.

- Bij besluit van 6 juni 2001 heeft verweerder appellantes onderneming geregistreerd.

- Bij brief van 14 januari 2004 heeft verweerder appellante een heffing opgelegd over het jaar 2003.

- Tegen de opgelegde heffing heeft verweerder bij brief van 20 februari 2004 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 10 maart 2004 heeft verweerder de heffingsnota voor het jaar 2003 herzien.

- Op 23 juni 2004 is appellante omtrent haar bezwaren tegen de heffing gehoord. Tijdens de hoorzitting heeft appellante het bezwaar ingetrokken en een verzoek ingediend om beëindiging van de registratie dan wel om gehele of gedeeltelijke ontheffingverlening van de heffing 2003.

- Bij besluit van 14 juli 2004 heeft verweerder geweigerd de registratie te beëindigen en ontheffing van de heffing 2003 te verlenen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 juli 2004 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd.

“ (…)

De door uw cliënte aangebrachte plafond- en wandsystemen bestaan uit geprefabriceerde plafond- en wandpanelen, en tal van andere onderdelen. Pas als deze panelen bij de opdrachtgever, dus ter plaatse van bestemming, worden gemonteerd, onstaat er een plafond of wand. Het aanbrengen van plafond- en wandsystemen is specialistenwerk en kost veel tijd. De monteurs gebruiken speciaal gereedschap. Om de plafondpanelen te bevestigen, moet er ter plaatse van bestemming eerst een ophangsysteem worden aangebracht, onder meer bestaande uit profielen. Plafondpanelen moeten worden bewerkt om een plafond in een bepaalde ruimte passend te maken. Ook een wandpaneel kan pas worden aangebracht wanneer er eerst profielen zijn aangebracht. Om een wand passend te maken, moet wandpanelen worden bewerkt. Uw cliënte is gespecialiseerd in het aanbrengen van cleanrooms. Bij een cleanroom worden de plafond- en wandpanelen op een zodanige wijze gemonteerd dat er een stofvrije ruimte ontstaat. Het monteren van cleanrooms is precisiewerk, verricht door hoog gekwalificeerde monteurs. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de arbeidsprestatie een wezenlijk element is van de overeenkomst.

Dat de arbeidsprestatie een wezenlijk element van de overeenkomst is, blijkt ook uit de door uw cliënte gehanteerde algemene leveringsvoorwaarden. Daaruit blijkt dat montage ook tot de overeengekomen werkzaamheden kan behoren.

Een in het werk aangebracht plafond of wand kan moeilijk als een courant markt- of handelsartikel worden beschouwd. Een ter plaatse van bestemming aangebracht plafond of wand is immers voor een specifieke ruimte bestemd. Het aanbrengen daarvan geschiedt volgens een speciaal vervaardigd bestek. Er is dus sprake van een ‘speciaal object’.

De stelling van het hoofdbedrijfschap, dat artikel 7 onder b van het Instellingsbesluit, niets met de heffing te maken heeft, is juist. Dat materiaal en transport belast kunnen zijn met heffing, heeft te maken met het volgende. De kosten die het hoofdbedrijfschap maakt om haar taak te kunnen verrichten, worden naar draagkracht omgeslagen over de geregistreerde bedrijven. Hierdoor betalen grote bedrijven meer dan kleine. Om de grootte van een onderneming te kunnen bepalen, is er gekozen voor een systeem waarbij er naar de omzet die wordt gekeken, welke is behaald met activiteiten die onder de werkingssfeer van het hoofdbedrijfschap vallen. Transport- en materiaalkosten, zijn net als arbeid, bestanddelen van de omzet die worden behaald met het krachtens aanneming aanbrengen van systeemplafonds en –wanden. Het heffingstarief zou hoger zijn geweest als er was gekozen voor een heffingsystematiek zonder transport- en materiaalkosten.

(…)

Uit het bovenstaande blijkt dat uw cliënte een onderneming is, waarvoor het hoofdbedrijfschap is ingesteld. Materiaal en transport maken ook deel uit van de omzet, indien deze is behaald met het krachtens aanneming van werk ter plaatse van bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen. Uw verzoek om ontheffing dient dan ook te worden verworpen. Tegemoetkoming van uw verzoek zou betekenen dat uw cliënte zou worden bevoordeeld ten opzichte van andere geregistreerde ondernemingen die over de zelfde omzet heffing dienen af te dragen.

Op 10 maart 2004 is de heffing 2004 opnieuw vastgesteld. Ten onrechte zijn toen transportkosten, materiaalkosten en andere posten (glas, uitzendkrachten e.d.) van de heffingsplichtige omzet afgetrokken. Voor aftrek namelijk uitsluitend in aanmerking de omzet die uitbesteed is aan een bij het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud geregistreerde onderneming.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft onder meer het volgende aangevoerd.

Appellante is een Nederlandse dochtermaatschappij van A SA, gevestigd in Frankrijk. Appellante treedt op als verkoopvestiging voor het moederbedrijf en verkoopt c.q. levert voornamelijk verplaatsbare ‘monoblock’ stalen wanden en (indien gewenst) luchtbehandeling voor zogenoemde schone ruimten in de farmaceutische industrie, alsmede voor de kantorenbouw. Appellante is zelf dus geen productiebedrijf. De productie vindt in het buitenland plaats. Het betreft hier een gereed product, namelijk verplaatsbare monoblock stalen wanden, die door het Franse moederbedrijf gemaakt worden om in ruimten te worden geplaatst. Het betreft hier echter niet, zoals is gesteld door verweerder, ‘maatwerk’ systemen die door het moederbedrijf ‘speciaal voor een bepaalde ruimte worden vervaardigd’. Het zijn kant en klare panelen die in principe in elke willekeurige ruimte geplaatst kunnen worden.

Appellante houdt zich, zoals aangegeven op het vragenformulier, slechts bezig met de verkoop en levering van cleanrooms en wanden en plafonds voor de kantorenbouw.

De gesloten overeenkomsten zijn niet te kwalificeren als aanneming van werk, zoals verweerder stelt. Appellante beoogt slechts een overeenkomst aan te gaan die ziet op de aankoop en levering van een zaak die op het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst reeds gereed was.

Niet is betwist dat ook montage onderdeel kan zijn van de gesloten koopovereenkomst, maar dit is niet altijd het geval. Montage kan onderdeel zijn van de koopovereenkomst die appellante sluit met haar klanten, maar dat is geen voorwaarde, omdat de wanden door eenieder kunnen worden aangebracht. De wanden kunnen verder uit elkaar gehaald worden en kunnen ook elders worden geplaatst zonder de wand te beschadigen. Ook is er geen sprake van het benodigd zijn van speciaal gereedschap.

Voorzover het aanbrengen van de wand- of plafondpanelen onderdeel uitmaken van de koopovereenkomst stelt appellante dat het te leveren systeem vervangbaar is in economische zin en een handelsartikel is, dat nadat het is aangebracht weer verwijderd en verplaatst kan worden en ook weer in de handel gebracht kan worden. Als al sprake is van montage ligt de nadruk niet op het verrichten van arbeid. Door strikte montage van een gereed zijnde wand onder afbouw te scharen, zoals verweerder doet, wordt dit begrip oneigenlijk opgerekt.

De montage bestaande uit het aaneenrijgen van de panelen, wordt, voor zover dit onderdeel is van de koopovereenkomst, door onderaannemers verricht, waarbij appellante de regie heeft. Ter zitting heeft appellante desgevraagd medegedeeld dat de uitvoering van de werkzaamheden, het technische werk, gebeurd door onderaannemers. Appellante heeft hierin een sturende en controlerende rol. Zij begeleidt de onderaannemers en houdt overleg met klanten.

De ondernemingen die de montage verrichten betreffen in de regel niet-geregistreerde bedrijven. Appellante is van mening dat het niet zo kan zijn dat in het kader van de heffing uitsluitend aftrek wordt toegestaan van uitbesteed werk voor zover dit is verricht door de bij verweerder geregistreerde bedrijven.

De wijze waarop uitvoering aan de heffingsverordening wordt gegeven, maakt – omdat feitelijk geheven wordt over de transportkosten van de geïmporteerde wanden – de belasting voor appellante hoger is dan die over gelijksoortige nationale producten (via de omzet) geheven worden. Appellante stelt zich op het standpunt dat dit niet verenigbaar is met artikel 90, eerste alinea van het EG-Verdrag, omdat een belastingstelsel volgens het Hof slechts verenigbaar is met artikel 90 EG, indien het zodanig is ingericht, dat het hoe dan ook is uitgesloten, dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan soortgelijke binnenlandse producten.

Tot slot voert appellante nog aan dat ten aanzien van twee andere bedrijven, zijnde Interflow en Metaflex, die zich met dezelfde werkzaamheden bezig houden, niet tot registratie is overgegaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Hetgeen partijen verdeeld houdt, is de beantwoording van de vraag of in de onderneming van appellante een bedrijf als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit wordt uitgeoefend. Blijkens de toelichting op het Instellingsbesluit wordt onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

5.2 Vast is komen te staan dat appellante zich tegenover opdrachtgevers contractueel verplicht om onder meer (demontabele) systeemwanden en systeemplafonds te leveren en te (doen) plaatsen. Appellante heeft in beroep en gelet op het ter zitting verhandelde niet aannemelijk kunnen maken dat slechts sprake is van leveren en verkopen van de systeemwanden en -plafonds en dat het plaatsen van deze systeemwanden en -plafonds slechts sporadisch gebeurt. Appellants grief dat slechts sprake is van een koopovereenkomst en niet gesproken kan worden van aanneming van werk, kan derhalve niet slagen. Gelet op vorenvermelde bepaling uit het Instellingsbesluit en de toelichting hierop overweegt het College dat verweerder deze activiteiten terecht aanmerkt als activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw.

5.3 Naar het oordeel van het College heeft verweerder eveneens terecht geoordeeld dat in appellantes onderneming het afbouwbedrijf wordt uitgeoefend. Registratie is slechts mogelijk van ondernemingen waarin een in het Instellingsbesluit genoemde bedrijvigheid feitelijk wordt uitgeoefend. Hoewel appellante niet zelf het technisch werk verricht, maar laat verrichten door onderaannemers, is wel komen vast te staan dat appellante bij de uitvoering van de werkzaamheden betrokken is. Ter zitting heeft appellante verklaard dat haar medewerkers wekelijks bij de betreffende onderaannemers langs gaan om de onderaannemers bij de verschillende projecten te begeleiden, waarbij appellante een sturende en controlerende rol heeft en de regie over de projecten houdt. Daarnaast vindt er voortdurend overleg plaats tussen appellante en de cliënten. Naar het oordeel van het College zijn dit werkzaamheden die tot de daadwerkelijke uitvoering van de afbouwwerkzaamheden behoren. Een en ander impliceert dat door appellantes onderneming activiteiten worden verricht, gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw als omschreven in de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit. Deze activiteiten worden bedrijfsmatig verricht en strekken ter uitvoering van een overeenkomst tot aanneming van werk.

5.4 Ingevolge de artikelen 2 en 3 van de Verordening is verweerder bevoegd ondernemingen te registreren waarin de in artikel 2 van het Instellingsbesluit genoemde bedrijven worden uitgeoefend, waaronder het afbouwbedrijf. Nu, zoals hierboven al uiteengezet, in appellantes onderneming het afbouwbedrijf wordt uitgeoefend, heeft verweerder appellantes onderneming dan ook terecht geregistreerd.

5.5 Appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, aangezien verweerder onweersproken heeft verklaard dat de twee door appellante genoemde bedrijven voor de soortgelijke werkzaamheden zijn geregistreerd.

5.6 De stellingen over de door de heffing veroorzaakte oneerlijke concurrentie en strijd met de Europese regelgeving zijn niet nader onderbouwd en kunnen reeds daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

5.7 Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.H. Vazquez Muñoz