Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU9318

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
AWB 04/945
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/945 9 december 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, B en C, te X, appellanten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Oosterkamp, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 18 november 2004, bij het College binnengekomen op 19 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 november 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van zijn aanvraag oppervlakten 2003 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 17 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 28 oktober 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellanten zijn met bericht van kennisgeving niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb L 327, blz. 11 e.v., hierna: de Verordening) was onder meer bepaald:

“ Artikel 8 – Wijzigingen in de steunaanvraag “oppervlakten”

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag “oppervlakten” individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

(…)

Artikel 12 – Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 14 – Intrekking van steunaanvragen

1. Een steunaanvraag kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Wanneer echter de bevoegde instantie het bedrijfshoofd reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in zijn steunaanvraag, of van haar voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen de bij de onregelmatigheden betrokken gedeelten van de aanvraag niet worden ingetrokken.

2. Door de intrekking van de steunaanvraag overeenkomstig lid 1 wordt de aanvrager teruggebracht in de toestand waarin hij zich vóór de indiening van de betrokken aanvraag of van het betrokken gedeelte ervan bevond.

Artikel 31 – Berekeningsgrondslag

1. Wanneer de geconstateerde oppervlakte voor een gewasgroep groter is dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, wordt voor de berekening van het steunbedrag aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen.

2. Wanneer de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of een controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.

(…).

Artikel 32 – Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Wanneer het verschil groter is dan 50%, wordt het bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. Dit bedrag wordt verrekend met de betalingen in het kader van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld.”

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen was, voorzover ten tijde hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

2. (…)

3. (…)

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

5. De aanvraag oppervlakten kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, echter indien LASER, de AID of het productschap de producent in kennis heeft gesteld van

a. onregelmatigheden in zijn aanvraag oppervlakten, of

b. het voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt,

mogen de bij de onregelmatigheden betrokken gedeelten van de aanvraag niet worden ingetrokken.

6. Van de wijziging bedoeld in het eerste lid, de verbetering bedoeld in het vierde lid en de intrekking bedoeld in het vijfde lid wordt LASER schriftelijk in kennis gesteld.”

In artikel 1 van de Regeling vaststelling indieningsperiode 2003 aanvraag oppervlakten (Stcrt. 2003, 62) is als periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling vastgesteld, de periode die loopt van 1 april 2003 tot en met 15 mei 2003.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben met een door hen op 1 mei 2003 ondertekend formulier “Gecombineerde opgave 2003” een aanvraag oppervlakten ingediend, waarin zij onder andere een oppervlakte van 2,96 hectare wintertarwe (perceel met volgnummer 1, hierna: perceel 1) hebben opgeven voor akkerbouwsubsidie in het kader van de Regeling. Voorts is onder meer een oppervlakte van 3,00 hectare opgegeven (perceel met volgnummer 2, hierna: perceel 2) om eventueel te drogen.

- Bij brief van 11 juli 2003 heeft verweerder appellanten medegedeeld dat de aanvraag niet in overeenstemming is met gegevens die bij verweerder bekend zijn en/of onjuistheden blijkt te bevatten. De door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 2 komt niet overeen met de door appellanten en andere aanvragers opgegeven oppervlakte. Verweerder heeft appellanten verzocht hierop te reageren.

- Bij brief van 16 juli 2003 hebben appellanten gereageerd en hierin aangegeven dat de door hen aangeleverde gegevens betreffende het perceel correct zijn.

- Bij brief van 31 juli 2003 heeft verweerder appellanten medegedeeld dat de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 1 niet overeenkomt met de door appellanten en andere aanvragers opgegeven oppervlakte. De door appellanten en andere aanvragers aangevraagde oppervlakte bedraagt in totaal 5,83 hectare, terwijl de topografische oppervlakte van dit perceel 2,96 hectare bedraagt. Aan appellanten is verzocht hierop te reageren.

- Bij brief van 4 augustus 2003 hebben appellanten gereageerd. Appellanten menen dat de door hen opgegeven oppervlakte van 2,96 hectare correct is.

- Bij brief van 18 augustus 2003 hebben appellanten een aanvulling gegeven op de brief van 4 augustus 2003. Appellanten stellen voor dat perceel 1, welke aan D in gebruik is gegeven, voor hem te laten vervallen en dit in de plaats te stellen door een aantal andere percelen van appellanten.

- Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder de aanvraag voor akkerbouwsubsidie afgewezen onder meer wegens een dubbele declaratie van de percelen 1 en 2.

- Bij brief van 19 december 2003 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Ten aanzien van perceel 2 geven appellanten aan geen akkerbouwsubsidie te hebben aangevraagd.

- Op 28 september 2004 hebben appellanten hun bezwaar telefonisch toegelicht. Ten aanzien van perceel 2 hebben appellanten aangegeven dat dit perceel in hun eigendom is en uit gebruik is gegeven aan de maatschap E. Voorts is aangegeven dat perceel 1 in gebruik is bij appellanten en voor rekening en risico van appellanten is ingezaaid. D heeft dit perceel tevens opgegeven met bijdragecode 999, omdat hij het perceel qua oppervlakte nodig had voor zijn bedrijf om er mest op uit te kunnen rijden. Appellanten hebben toegezegd nota’s toe te zenden waaruit blijkt dat perceel 1 voor eigen risico is geteeld.

- Appellanten hebben bij brief van 8 oktober 2004 twee facturen toegezonden. Hieruit blijkt dat appellanten op perceel 1 snijmaïs hebben geteeld.

- Op 15 oktober 2004 heeft verweerder telefonisch contact gehad met appellanten omtrent hun brief van 8 oktober 2004. Appellanten hebben verklaard perceel 1 abusievelijk met een verkeerde gewascode te hebben opgegeven. Perceel 1 had opgegeven moeten worden met een gewascode van snijmaïs. Appellanten hebben aangegeven dat de aanvraag op dit punt gewijzigd dient te worden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen.

“ Ten aanzien van het perceel met volgnummer 1 merk ik het volgende op. Gebleken is dat het betreffende perceel door u en een andere aanvrager, D, is opgegeven. Tijdens de telefonische toelichting heeft u aangegeven dat u dit perceel in gebruik heeft gehad en dat het perceel voor uw rekening en risico is ingezaaid. D heeft dit perceel nodig in verband met de Meststoffenwet.

Ik wil u er op wijzen dat u alleen de percelen die u daadwerkelijk zelf in gebruik heeft, dient op te geven. Percelen die u uit gebruik heeft gegeven dient u niet op te geven. Een perceel kan in één en hetzelfde verkoopseizoen slechts één keer op worden gegeven met één gebruikstitel. Het is derhalve niet toegestaan een perceel op te geven voor subsidie en tevens uit gebruik te geven in verband met de Meststoffenwet.

Naar aanleiding van de toelichting heeft u LASER een tweetal facturen doen toekomen betreffende de teelt van maïs. U heeft het perceel met volgnummer 1 echter opgegeven als zijnde beteeld met wintertarwe. In een telefoongesprek op 15 oktober 2004 heeft u aangeven dat de rekeningen betrekking hebben op het perceel met volgnummer 1 en dat u abusievelijk de aanvraag dan verkeerd heeft ingevuld. Het geteelde gewas dient snijmaïs te zijn.

Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven. Artikel 9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld. Echter, ingeval van een door LASER erkende kennelijke fout kan de aanvraag ook na deze datum worden verbeterd.

Er is sprake van een kennelijke fout in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie nr. AGR 49533/2002, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing en redelijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de opgave deze conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Ik ben van mening, dat in uw geval geen sprake is van een duidelijke fout. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig noch inconsequent ingevuld. De door u ingevulde gewas – en bijdragecode is een toegestane combinatie en is niet tegenstrijdig. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde. De codes kunnen dientengevolge niet worden gewijzigd. Gelet op het voorgaande komt het perceel met volgnummer 1 niet voor een subsidie in aanmerking en wordt de geconstateerde oppervlakte van 0,00 ha. gehandhaafd.

Ten aanzien van het door u aangedragen voorstel in uw brief van 18 augustus 2003, bericht ik u overigens het volgende. (…)

(…)

Ten aanzien van het perceel met volgnummer 2 merk ik voorts het volgende op. Gebleken is dat het betreffende perceel door u en een andere aanvrager, E, is opgegeven. Tijdens de telefonische toelichting heeft u aangegeven dat u dit perceel uit gebruik heeft gegeven aan E en dat u dit perceel wilt intrekken.

Ook hier geldt dat het terugtrekken van percelen niet is toegestaan nadat er een onregelmatigheid in uw aanvraag is geconstateerd, waarover u bent geinformeerd. Ook bevat uw aanvraag ten aanzien van dit perceel geen duidelijke fout als bedoeld in het werkdocument van de Europese Commissie. De geconstateerde oppervlakte met betrekking tot dit perceel blijft daarom 0,00 ha.. Dit heeft voor de subsidieberekening geen gevolgen gelet op het feit dat dit een graslandperceel betreft.

Ten aanzien van de percelen met de volgnummers 6 en 29 merk ik tenslotte het volgende op. (…) Het door u opgegeven perceel met volgnummer 11 is (…) opgesplitst in een perceel met volgnummer 11 en een perceel met volgnummer 29. In uw reactie (…) geeft u aan met de door LASER geconstateerde oppervlakte van 4,21 ha. akkoord te gaan. De geconstateerde oppervlakte met betrekking tot het grasperceel met volgnummer 6 is dientengevolge op 2,53 ha. gesteld en de geconstateerde oppervlakte ten aanzien van het maisperceel met volgnummer 29 op 1,68 ha. Deze oppervlakten zullen worden gehandhaafd.

De totale voor een subsidie opgegeven oppervlakte is 6,41 ha. De totale geconstateerde oppervlakte is, gelet op het voorgaande, 3,13 ha. Het verschil tussen de totale aangevraagde en de totale geconstateerde oppervlakte is daarmee 3,28 ha. Het verschil uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte bedraagt 104,79%.

Het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte binnen de aanvraag is groter dan 30% van de geconstateerde oppervlakte. In dat geval vervalt ingevolge artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 geheel het recht op een subsidie voor het betreffende kalenderjaar.

Omdat het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte ook groter is dan 50%, wordt u als bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. Het betreft een bedrag van € 1.325,19. Dit bedrag wordt verrekend met de betalingen in het kader van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr 3508/92 genoemde steunregelingen waarop u aanspraak kan maken op grond van aanvragen die u indient in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld.”

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat toepassing van de gewijzigde tekst van artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 op grond van Verordening (EG) 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 (Pb 2004, L17, blz. 7), welke geldt vanaf januari 2004, voor de berekening van de hoogte van het uitsluitingsbedrag voor appellanten geen beter resultaat oplevert dan toepassing van de oorspronkelijke tekst van artikel 32 van de Verordening (EG) nr. 2419/2001. Derhalve handhaaft verweerder de hoogte van het uitsluitingsbedrag zoals vermeld in het bestreden besluit.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben onder meer het volgende aangevoerd.

Appellanten verwijzen naar de aanvraag van 2002. De aanvraag was geweigerd door verweerder, echter na een herbeoordeling van de aanvraag hebben appellanten alsnog akkerbouwsubsidie mogen ontvangen. Appellanten stellen dat verweerder ook voor het jaar 2003 niet financieel gedupeerd wordt wanneer de subsidie wel zou worden toegekend. Desalniettemin is de aanvraag afgewezen. Appellanten hebben de situatie nooit anders willen voordoen dan het geval was. De opgelegde boete komt appellanten derhalve onredelijk voor. Voorts zijn appellanten van mening dat de opgestelde regels die bij de aanvraag gehanteerd worden onvoldoende op de praktijk gericht zijn.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder de gevraagde akkerbouwpremie terecht heeft geweigerd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

5.2 Het College stelt vast dat appellanten in het kader van de Regeling perceel 1 hebben opgegeven met een oppervlakte van 2,96 hectare wintertarwe. Nadien is uit door appellanten overgelegde stukken echter vast komen te staan dat perceel 1 beteeld is geweest met maïs. Verweerder heeft derhalve terecht vastgesteld dat voornoemd perceel niet voldoet om voor premie in aanmerking te komen. Het verzoek van appellanten om de aanvraag op dit punt te wijzigen heeft verweerder terecht niet gehonoreerd. Wijziging van de aanvraag is, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Regeling niet meer mogelijk.

Verweerder stelt zich vervolgens op goede gronden op het standpunt dat aan appellanten slechts tegemoet kan worden gekomen en dus uitsluitend alsnog maïspremie in het kader van de Regeling kan worden toegekend, indien appellanten bij hun Aanvraag oppervlakten in 2003 een kennelijke fout hebben gemaakt. Uitsluitend in dat geval is ingevolge het bepaalde in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 9, vierde lid van de Regeling ook na afloop van de uiterste datum voor indiening van een aanvraag een wijziging daarvan mogelijk. Deze dwingendrechtelijke bepalingen staan er aan in de weg dat verweerder na deze datum op andere gronden wijziging van een aanvraag accepteert.

Naar vaste rechtspraak van het College kan verweerder het beleid voeren dat aan de hand van de door de Europese Commissie gegeven richtsnoeren in het werkdocument nr. AGR 49533/2001 slechts wordt aangenomen dat sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 indien objectief vaststaat dat de opgave kennelijk fout was, hetgeen eigenlijk uitsluitend het geval is wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het onderhavige geval kunnen oordelen dat geen sprake is van een kennelijke fout in voornoemde zin. De aanvraag van appellanten was immers niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld, zodat er bij verweerder geen gerede twijfel behoefde te bestaan over hetgeen appellanten met hun aanvraag beoogden.

5.3 Voorts is komen vast te staan dat perceel 2 zowel door appellanten als de maatschap Van Keulen is opgegeven in de aanvraag oppervlakten 2003, terwijl dit perceel reeds vier jaar in gebruik is bij deze maatschap. Appellanten hadden perceel 2 derhalve niet mogen opgegeven. Voorzover appellanten tijdens de telefonische toelichting hebben gepoogd om perceel 2 in te trekken, oordeelt het College hierover als volgt. Intrekking is, ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 9, vijfde lid, van de Regeling, niet meer mogelijk. De gedeeltelijke intrekking van de aanvraag is immers eerst gedaan na een administratieve controle door verweerder waarbij onregelmatigheden in de aanvraag oppervlakten met betrekking tot perceel 2 waren geconstateerd, hetgeen aan appellanten bij brief van 11 juli 2003 was medegedeeld.

5.4 Het standpunt van appellanten dat onderhavige zaak identiek zou zijn aan die van het aanvraagjaar van 2002 en dat verweerder de aanvraag voor het jaar 2003 alsnog positief had dienen te beoordelen, deelt het College niet. De onderhavige zaak wijkt, naar oordeel van het College, af van de aanvraag voor het jaar 2002.

Nu in onderhavige zaak niet is voldaan aan de in de Regeling gestelde voorwaarden voor toekenning van subsidie, heeft verweerder de aanvraag voor het jaar 2003 terecht afgewezen.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.H. Vazquez Muñoz