Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU8265

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
AWB 04/452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/452 6 december 2005

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te X, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 26 maart 2004.

1. De procedure

Bij brief van 26 maart 2004 heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn beslissing van dezelfde datum, gegeven op een klacht, op 20 mei 2003 ingediend door appellanten tegen C RA (hierna: betrokkene).

Bij een 20 mei 2004 gedateerd beroepschrift, door het College ontvangen op 25 mei 2004, hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 1 juni 2004 de stukken betreffende het geding bij de raad doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 30 juni 2004, ingekomen bij het College op 5 juli 2004, heeft betrokkene haar reactie op het beroepschrift gegeven.

Bij faxbericht van 26 september 2005 hebben appellanten een nader stuk aan het College doen toekomen.

Op 11 oktober 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar appellanten en betrokkene in persoon zijn verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, doch geen aanleiding gevonden betrokkene ter zake een maatregel op te leggen. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden tuchtbeslissing, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De middelen van beroep

Appellanten hebben, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende grieven ingebracht.

3.1 Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat de klacht van appellanten tegen D, waarbij betrokkene als mede-leidinggevende actief betrokken was, zich niet laat beoordelen, op de grond dat de klacht (-) bestaat uit een serie korte mededelingen, zonder enige toelichting en motivering en (-) onvoldoende gesubstantieerd en vaag gespecificeerd is.

Ter onderbouwing hebben appellanten aangevoerd dat zij in hun klaagschrift en ter zitting bij de raad van tucht de tien onderscheiden klachtonderdelen voldoende hebben gespecificeerd, onderbouwd en toegelicht.

3.2 Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat gelet op het ervoor overwogene in het midden kan blijven of betrokkene voor het handelen van D (mede) verantwoordelijk moet worden geacht.

Appellanten hebben hiertoe aangevoerd dat, aangezien zij de klacht voldoende hebben onderbouwd voor een inhoudelijke beoordeling de raad van tucht zich had dienen uit te spreken over de (mede)verantwoordelijkheid van betrokkene voor het handelen van D.

3.3 Ten onrechte heeft de raad van tucht niet gegrond verklaard de tegen betrokkene gerichte klacht van appellanten dat D, waarvoor betrokkene als mede-leidinggevende registeraccountant (mede)verantwoordelijk is:

1. zonder overleg tijdsafspraken met betrekking tot de uitvoering van opdrachten heeft overschreden;

2. op diverse onderdelen de aangeleverde administratie slordig en onzorgvuldig heeft verwerkt;

3. voortdurend gebrekkig en onjuist heeft geïnformeerd over de voortgang van de werkzaamheden;

4. zonder volmacht en zonder overleg onjuist aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst;

5. traag en gebrekkig heeft geïnformeerd over veranderingen binnen het bedrijf;

6. herhaaldelijk onzorgvuldig en onjuist heeft gedeclareerd;

7. onevenredig hoge bedragen heeft gedeclareerd;

8. niet heeft gereageerd op reclames van klagers naar aanleiding van declaraties;

9. niet heeft gereageerd op declaraties van klagers;

10. in het algemeen zeer gebrekkig communiceerde.

Op basis van deze klachtonderdelen als toegelicht in de bijlagen bij het klaagschrift was er voldoende grondslag voor het oordeel dat betrokkene in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbare fouten heeft gemaakt.

4. De beoordeling

4.1 De eerste en tweede grief strekken ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat appellanten de genoemde tien klachtonderdelen onvoldoende hebben gespecificeerd, onderbouwd en toegelicht en deze klachtonderdelen vervolgens zonder inhoudelijke beoordeling ongegrond heeft verklaard.

Het College is, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat appellanten hun klacht tegen betrokkene wat betreft deze onderdelen voldoende duidelijk hebben gemaakt en dat het klaagschrift voldoende informatie bevat om een inhoudelijke beoordeling daarvan mogelijk te maken. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de klacht, gelezen in samenhang met de daarop in de bijlagen bij het klaagschrift gegeven toelichting, stellig niet zodanig ongestructureerd is dat de inhoud van de klacht niet kon worden vastgesteld. Gelet hierop heeft de raad van tucht de klacht in zoverre ten onrechte op voornoemde grond terzijde geschoven. Hieruit vloeit voorts voort dat de raad van tucht ten onrechte in het midden heeft gelaten of betrokkene voor het handelen van D dat hier aan de orde is (mede) verantwoordelijk moet worden gehouden.

De eerste en tweede grief slagen in zoverre.

4.2 De derde grief werpt de vraag op of betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld aangaande, samenvattend weergegeven, het behartigen van de financiële en administratieve zaken van appellanten. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

In zijn - appellanten en betrokkene bekende - uitspraak van 1 december 2005, in de zaak AWB 04/406, waarin het College het beroep van betrokkene heeft behandeld tegen een beslissing van de raad van tucht op een klacht van E, heeft het College overwogen dat betrokkene niet is opgetreden als accountant in de zin van artikel 2, eerste lid, GBR-1994. In die procedure heeft appellante A, als bestuurslid van genoemde E, in dit kader argumenten naar voren gebracht die ook in de onderhavige procedure aan de orde zijn. Die argumenten hebben er niet toe geleid dat dit middel gegrond werd verklaard. Op grond van dezelfde overwegingen, waarnaar het College verwijst en die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, komt het College ook in het onderhavige beroep tot de conclusie dat betrokkene niet is opgetreden als accountant. De enkele omstandigheid dat op de factuur-specificatie van 14 mei 2004 de voornaam van betrokkene staat vermeld, is ontoereikend om te leiden tot een andersluidende conclusie. Een zodanige vermelding biedt, gelet op het hiervoor overwogene, onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat betrokkene ten aanzien van de door appellanten genoemde gedragingen van D als accountant is opgetreden waarvoor zij in tuchtrechtelijk opzicht verantwoordelijk zou moeten worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande kan betrokkene niet als accountant (mede)verantwoordelijk en in tuchtrechtelijk opzicht aanspreekbaar worden geacht voor de gewraakte gedragingen van D. Ook anderszins bestaat geen grond betrokkene hiervoor (mede)verantwoordelijk en tuchtrechtelijk aanspreekbaar te achten.

De derde grief faalt derhalve.

4.3 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond is en de beslissing van de raad van tucht, voor zover in dit geding aan de orde, moet worden vernietigd. Het College zal de zaak vervolgens zelf afdoen en de klacht, wat betreft de onderdelen 1 tot en met 10, op de hiervoor in § 4.2 vermelde gronden, ongegrond verklaren.

Nader te melden beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing van de raad van tucht, voor zover in beroep aan de orde;

- verklaart de klacht wat betreft de onderdelen 1 tot en met 10 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.L.W. Aerts en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2005.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund

R a a d van T u c h t voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

BESLISSING van 26 maart 2004 in de zaak met nummer R 414 van

1. A,

2. B,

wonende te X,

K L A G E R S,

t e g e n

C,

registeraccountant,

kantoorhoudende te Y,

B E T R O K K E N E.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewissel-de en aan partijen bekende stukken, waaronder:

(a) het klaagschrift, met bijlagen, van 20 mei 2003;

(b) het verweerschrift van 23 juni 2003;

(c) de brief, met bijlagen, van 21 augustus 2003 van klagers aan de Secretaris van de Raad van Tucht, inhoudende - onder meer - een uitbreiding van de klacht.

1.2 De Raad heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 10 september 2003, waar aanwezig waren - aan de zijde van klagers - klagers A en B in persoon en - aan de zijde van betrokkene - betrokkene C RA in persoon.

1.3 Partijen hebben bij gelegenheid van voor-mel-de zitting hun standpunten toegelicht (klagers aan de hand van hun aan de Raad overgelegde pleitnotities) en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de gedingstukken, waaronder ook voormelde pleitnotities, geldt als hier ingevoegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad van Tucht het volgende vast.

2.2. Klagers waren klant van "D", gevestigd te X. Na het overlijden van F, in februari 2002, is genoemd administratiekantoor als "D" overgenomen door een andere organisatie.

2.3 Naar aanleiding van deze overname zond D een brief, gedateerd 4 juni 2002, aan haar relaties, inhoudende voorzover hier van belang:

Betreft: overdracht van D per 1 april 2002

Geachte relatie,

Ongetwijfeld zult u gemerkt hebben dat, na het onverwachte overlijden van F, een aantal zaken veranderd zijn in uw contacten met onze organisatie.

De reden hiervan is het feit dat, voorzover u nog niet bekend, per 1 april jl. G D heeft verkocht aan een organisatie die zijn sporen ruimschoots heeft verdiend op het gebied van administratie, accountancy en fiscale c. q. financiële advisering. Deze organisatie bestaat uit H te Y, I te Y, J te X.

Ondergetekende, K, is aangesteld als vestigingsleider en contactpersoon naar u toe, en is tevens vennoot in de nieuwe D.

Tevens zal L, als registeraccountant vanuit H, mede leiding geven aan D, samen met ondergetekende.

2.4 Na voornoemde overname ontstonden wrijvingen en conflicten tussen klagers en D, die vergezeld gingen van een uitgebreide correspondentie over en weer, welke als bijlage bij het klaagschrift is gevoegd.

2.5 Naar aanleiding van de door klagers bij de Raad van Tucht ingediende klacht, zond betrokkene aan klagers een brief, gedateerd 26 juni 2003, inhoudende onder meer:

Naar aanleiding van de door u ingediende Tuchtklacht van 20 mei 2003 delen wij u mede dat H u aansprakelijk stelt voor de door hen geleden schade, indien de klacht ongegrond c.q. niet ontvankelijk wordt verklaard.

De schade omvat tenminste, maar niet uitsluitend, de kosten met betrekking tot het voeren van de tuchtzaak. Daaronder vallen in ieder geval de gederfde uren tegen de door H gehanteerde uurtarieven voor de medewerkers en de kosten voor inhuur en bijstand derden tegen de door deze derden in rekening gebrachte tarieven.

3. De klacht

3.1 De klacht, zoals door klagers in het klaagschrift opgesomd, houdt in dat D (waarbij betrokkene als mede-leidinggevende actief betrokken was):

1) zonder overleg tijdsafspraken met betrekking tot de uitvoering van opdrachten heeft overschreden;

2) op diverse onderdelen de aangeleverde administratie heeft verwerkt;

3) voortdurend gebrekkig en onjuist heeft geïnformeerd over de voortgang van de werkzaamheden;

4) zonder volmacht en zonder overleg onjuiste aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst;

5) traag en gebrekkig heeft geïnformeerd over veranderingen binnen het bedrijf;

6) herhaaldelijk onzorgvuldig en onjuist heeft gedeclareerd;

7) onevenredig hoge bedragen heeft gedeclareerd;

8) niet heeft gereageerd op reclames van klagers naar aanleiding van declaraties;

9) niet heeft gereageerd op declaraties van klagers;

10) in het algemeen zeer gebrekkig communiceerde.

3.2 Bij brief, met bijlagen, van 21 augustus 2003 van klagers aan de Secretaris van de Raad van Tucht hebben klagers de klacht aangevuld met een elfde punt, te weten dat betrokkene klagers door middel van de hiervoor onder 2.5 vermelde brief heeft geïntimideerd, met als mogelijk doel het intrekken van de klacht.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad van Tucht als volgt.

4.2 Wat betreft de hiervoor onder 3.1 genoemde punten 1 tot en met 10 bestaat de klacht uit een serie korte mededelingen, zonder enige toelichting, motivering of toelichting. Klagers hebben ook bij de behandeling ter zitting hun klacht op deze onderdelen zodanig onvoldoende gesubstantieerd en vaag gespecificeerd, dat deze zich uiteindelijk niet laat beoordelen. De klacht dient op deze onderdelen reeds daarom ongegrond te worden verklaard.

4.3 Gelet op het hiervoor onder 4.2 overwogene kan in het midden blijven of betrokkene voor het handelen van D (mede) verantwoordelijk moet worden geacht.

4.4 De klacht moet evenwel wat betreft het onderdeel als hiervoor onder 3.2 vermeld gegrond worden verklaard. Het gaat immers niet aan dat een accountant een persoon, die tegen haar/hem een klacht bij de Raad van Tucht heeft ingediend, bejegent op een wijze als is geschied in de hiervoor onder 2.5 vermelde brief.

4.5 Hetgeen door betrokkene te dezen is aangevoerd, te weten dat het volgens het NIVRA niet ongeoorloofd was een dergelijke brief aan klagers te schrijven, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

4.6 Daaraan doet ook niet af dat - met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid - het indienen van een als in deze brief bedoelde vordering in rechte geen kans van slagen heeft.

4.7 Betrokkene heeft door het verzenden van deze brief gehandeld op een wijze die schadelijk is voor de eer van de stand der registeraccountants en daarmee in strijd met artikel 5 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994.

4.8 Met betrekking tot de vraag of betrokkene ter zake een maatregel moet worden opgelegd, overweegt de Raad van Tucht dat - nu betrokkene bij uitspraak van heden de maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd voor (onder meer) het verzenden van een gelijkluidende brief aan E te X - in deze zaak kan worden volstaan met de enkele uitspraak van gegrondverklaring van de klacht op dat punt.

4.9 Op grond van al het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

Verklaart de klacht gegrond in het onderdeel als hiervoor onder 3.2 weergegeven.

Verklaart de klacht in de overige onderdelen (als hiervoor onder 3.1 weergegeven) ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, mr. A.J. Coster RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in aanwezigheid van W. Welmers, adjunct-secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2004.

__________ __________

(adjunct-)secretaris voorzitter