Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU7834

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
AWB 04/738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nr. 04/738 1 december 2005

20120 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

RA1 en RA2 , beiden kantoorhoudende te X,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 5 juli 2004,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij beslissing van 5 juli 2004, op 6 juli 2004 toegezonden aan de gemachtigden van partijen, heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht die klager, wonende te X, op 28 mei 2003 tegen appellanten heeft ingediend.

Op 6 september 2004 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 5 oktober 2004 heeft de secretaris van de raad van tucht stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 8 december 2004 heeft het College van klager een schriftelijke reactie op het beroepschrift ontvangen.

Het College heeft de beroepen behandeld ter zitting van 20 oktober 2005, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Aldaar waren aanwezig appellanten, hun gemachtigde, klager en zijn gemachtigde mr. E.M. Soerjatin, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en appellanten de maatregel van schorsing als registeraccountant voor de duur van een week opgelegd.

Ter zake van de samenvatting van de klacht, de beoordeling van deze klacht door de raad van tucht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van de beroepen

3.1 Het College zal allereerst ingaan op de grief van RA2 dat de raad van tucht hem ten onrechte tuchtrechtelijk verantwoordelijk heeft gehouden voor het rapport van 15 juli 2002.

3.1.1 Vaststaat dat de naam van RA2 is vermeld onder het rapport van 15 juli 2002 en dat dit rapport met vermelding "b/a" is ondertekend door RA1.

Appellanten hebben aangevoerd dat RA2 niet betrokken is geweest bij het onderzoek dat heeft geleid tot het uitbrengen van het rapport van 15 juli 2002. Dit onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van RA1, die het rapport heeft ondertekend en uitgebracht. RA2 is naar eigen zeggen weloverwogen niet betrokken bij het onderzoek, omdat hij een bemiddelende rol speelde in het tussen klager en zijn toenmalige werkgever gerezen conflict. De wijze van ondertekening van het rapport van 15 juli 2002 is een fout van RA1, die er volgens appellanten niet aan afdoet dat uitsluitend RA1 verantwoordelijk is voor dit rapport.

Ter onderbouwing van hun stellingen hebben appellanten verklaringen overgelegd van een medewerker van het accountantskantoor waaraan zij zijn verbonden en van P, ten tijde hier van belang voorzitter van de Raad van Commissarissen van R, (mede)opdrachtgeefster tot het onderzoek dat heeft geleid tot het uitbrengen van het rapport van 15 juli 2002. Beiden verklaren dat RA1 dit onderzoek heeft verricht en dat RA2 hierbij niet betrokken is geweest. Voorts hebben appellanten een faxbericht van 9 oktober 2002 van P overgelegd, waarin is vermeld dat RA1 is belast met de financiële afrekening tussen partijen, waarmee wordt gedoeld op klager en de vennootschap waarvan hij directeur was.

3.1.2 Het College stelt vast dat appellanten van meet af aan en op consistente wijze het standpunt hebben ingenomen dat uitsluitend RA1 verantwoordelijk is voor het onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het rapport van 15 juli 2002 en dat RA2 bij het opstellen en uitbrengen van dit rapport niet betrokken is geweest. De door hen overgelegde verklaringen en stukken wijzen eveneens in deze richting.

Naar het oordeel van het College is klager er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het verweer van RA2 feitelijke grondslag mist. Dat appellanten in beroep nadere verklaringen en stukken hebben overgelegd en dat een van deze verklaringen afkomstig is van een ondergeschikte van RA2 doet naar het oordeel van het College geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het standpunt van appellanten. Klager heeft geen feiten of omstandigheden gesteld of argumenten aangevoerd die in dit verband tot een andere slotsom kunnen leiden.

3.1.3 Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat RA2 tuchtrechtelijk aanspreekbaar is op het rapport van 15 juli 2002 op de grond dat een ander dit rapport met vermelding van zijn naam heeft uitgebracht. In dit verband is van belang dat RA1 de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor het rapport van 15 juli 2002, zodat geen sprake is van een lacune in de tuchtrechtelijke verantwoordingsplicht.

Evenmin ziet het College in de omstandigheid dat RA2 na kennisneming van het rapport van 15 juli 2002 niet uitdrukkelijk aan klager en de opdrachtgever van RA1 heeft kenbaar gemaakt dat zijn naam ten onrechte onder het rapport is vermeld grond voor het oordeel dat RA2 tuchtrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor het rapport van 15 juli 2002.

3.1.4 De in § 3.1 van deze uitspraak genoemde grief van RA2 slaagt derhalve. Hieruit volgt dat het beroep van RA2 gegrond is en dat de bestreden tuchtbeslissing moet worden vernietigd, voorzover de raad van tucht de klacht tegen RA2 gegrond heeft verklaard en hem de maatregel van schorsing als registeraccountant voor de duur van een week heeft opgelegd.

Het College kan de zaak tegen RA2 zelf afdoen. Uit het voorafgaande blijkt dat de klacht tegen RA2, voorzover in beroep aan de orde, alsnog ongegrond moet worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

3.2 Alvorens het beroep van RA1 te beoordelen, wijst het College erop dat het ongegrond zijn van de klacht tegen RA2 niet impliceert dat in de onderhavige procedure alsnog moet worden beoordeeld of RA1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het uitbrengen van het rapport van 15 juli 2002. De klacht tegen RA1 heeft uitsluitend betrekking op het conceptrapport van 28 augustus 2002, omdat klager zich op het standpunt heeft gesteld dat niet RA1, maar RA2 verantwoordelijk is voor het rapport van 15 juli 2002. In het door appellanten bij de raad van tucht gevoerde verweer heeft klager geen aanleiding gezien dit standpunt te verlaten en zijn klacht aan te vullen of uit te breiden. Bij gebreke van een klacht tegen RA1 wegens het uitbrengen van het rapport van 15 juni 2002 en nu de raad van tucht evenmin aanleiding heeft gezien de klacht in deze zin ambtshalve aan te vullen, staat niet ter beoordeling of RA1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het uitbrengen van het rapport van 15 juli 2002.

3.3 Uit hetgeen ter zitting van het College door en namens hem naar voren is gebracht, blijkt dat RA1 niet langer betwist dat de raad van tucht de tegen hem ingediende klacht terecht gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. RA1 stelt zich op het standpunt dat de opgelegde maatregel onevenredig zwaar is in verhouding tot de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt dat hem treft.

3.3.1 Met de raad van tucht is het College van oordeel dat RA1 ernstig tekort is geschoten door voorafgaand aan het uitbrengen van het conceptrapport van 28 augustus 2002 geen hoor en wederhoor jegens klager toe te passen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat klager, gezien de inhoud en strekking van het onderzoek, bij uitstek degene was die voor de rapportage relevante feiten en omstandigheden naar voren zou kunnen brengen. Door geen hoor en wederhoor toe te passen, heeft RA1 een conceptrapport uitgebracht dat gezien de wijze van totstandkoming een deugdelijke grondslag ontbeert. Dat RA1 het stuk van 28 augustus 2002 heeft betiteld als conceptrapport doet hieraan niet af. Het niet toepassen van hoor en wederhoor klemt te meer, gezien de grote belangen die voor klager op het spel stonden. De door RA1 gestelde onbereikbaarheid van klager doet, wat daarvan zij, niet af aan de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt dat RA1 treft. Het stond RA1 immers vrij af te zien van het uitbrengen van een conceptrapport op de grond dat het - al dan niet wegens onbereikbaarheid van klager - niet mogelijk was met deugdelijke grondslag te rapporteren. Met de raad van tucht acht het College oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel zonder meer aangewezen.

Bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel kan er naar het oordeel van het College niet aan worden voorbijgezien dat het conceptrapport van 28 augustus 2002 is uitgebracht nadat klager op 29 juli 2002 met onmiddellijke ingang was ontslagen en nadat T op 16 augustus 2002 had besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen het ontslag van klager, zodat niet kan worden staande gehouden dat het uitbrengen van het conceptrapport van 28 augustus 2002 van invloed is geweest op het ontslag van klager. Voorts acht het College van belang dat de suggestie de zaak justitieel te laten onderzoeken indien klager geen deugdelijke uitleg zou kunnen of willen verstrekken, waarover de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing in het bijzonder is gevallen, niet is opgenomen in het conceptrapport van 28 augustus 2002, maar in het rapport van 15 juli 2002. Zoals reeds blijkt uit § 3.2 van deze uitspraak staat niet ter beoordeling of RA1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het uitbrengen van laatstgenoemd rapport.

3.3.2 Naar het oordeel van het College stelt RA1 zich mede gezien het voorafgaande terecht op het standpunt dat de hem opgelegde maatregel te zwaar is. Hieruit volgt dat ook het beroep van RA1 gegrond is en dat de bestreden tuchtbeslissing evenmin in stand kan blijven, voorzover RA1 daarbij de maatregel van schorsing als registeraccountant voor de duur van een week is opgelegd.

3.3.3 Hieruit volgt dat de bestreden tuchtbeslissing, voorzover deze in beroep is aangevochten, waarbij het gaat om de gegrondverklaring van de in deze beslissing genoemde klachtonderdelen B en C, in aanmerking komt voor vernietiging.

Het College acht het geraden ook de zaak tegen RA1 zelf af te doen. Gezien hetgeen is overwogen in § 3.2 tot en met § 3.3.1 van deze uitspraak acht het College oplegging van de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

3.4 In verband met het voorafgaande wordt beslist zoals hierna is aangegeven. Deze beslissing rust op titel II Wet RA en op de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994, in het bijzonder artikel 11.

4. De beslissingen

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover deze in beroep is aangevochten;

- verklaart de klacht tegen RA2, voorzover in beroep aan de orde, alsnog ongegrond;

- verklaart de klacht tegen RA1, voorzover in beroep aan de orde, gegrond en legt hem de maatregel van schriftelijke

berisping op.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen

1030/03.21

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

Klager

wonende te X,

klager,

gemachtigde: mr. E.M. Soerjatin,

advocaat te Amsterdam,

C O N T R A:

1. RA2

2. RA1,

beiden kantoorhoudende te X,

verweerders,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk,

advocaat te Amsterdam.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken te weten de klacht van 28 mei 2003, het verweerschrift van 31 oktober 2003, de repliek van 5 januari 2004 en de dupliek van 8 maart 2004.

1.2 De zaak is behandeld ter openbare zitting van 10 mei 2004, waarbij klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerders is hun gemachtigde verschenen, bijgestaan door mr. drs. J. van Hees RA. Beide gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Klager is in 1998 in dienst getreden van R te X. In 1999 is klager voor onbepaalde tijd benoemd tot hoofddirecteur van R, met algehele vertegenwoordigingsbevoegdheid.

2.2 R heeft een Raad van Commissarissen, bestaande uit vijf leden onder wie de heer P.

2.3 Verweerder RA2 heeft vanaf 1998 van R opdracht tot controle van de jaarrekening van R en haar werkmaatschappijen.

2.4 Op 10 juni 2002 is klager in een gesprek met P en één van de aandeelhouders, de heer S, met onmiddellijke ingang geschorst, waarbij hem de toegang tot het bedrijf werd ontzegd.

2.5 Op 12 juni 2002 is tussen partijen in aanwezigheid van verweerder RA2 een vervolgbespreking gevoerd. Daarbij is onder meer besproken dat verweerder RA2 bepaalde werkzaamheden met betrekking tot de financiële verhouding tussen partijen zou verrichten.

Klager heeft van deze bespreking een besluitenlijst ter ondertekening toegezonden gekregen, tegen de inhoud waarvan klager bezwaar heeft gemaakt.

2.6 Op 20 juni 2002 is een bespreking gevoerd tussen klager en verweerder RA1.

2.7 Per brief van 23 juli 2002 is klager door R uitgenodigd voor een bijzondere aandeelhoudersvergadering.

2.8 Bij genoemde uitnodiging is een rapport d.d. 15 juli 2002 gevoegd van verweerder RA2, hierna: het rapport.

In het rapport is aangaande de opdracht onder meer het volgende vermeld:

"In dit kader is op 12 juni 2002 overleg gevoerd tussen de Raad van Commissarissen van R en de directeur over beëindiging van het dienstverband van laatstgenoemde per 31 juli 2002. RA2, managing partner van ons kantoor heeft op verzoek van beide partijen dit overleg bijgewoond als bemiddelaar.

Tijdens het overleg is gevraagd dat ons kantoor een onderzoek verricht naar de juiste omvang van de financiële verhouding tussen R en de directeur voortvloeiende uit de arbeidsverhouding. Over onze bevindingen met betrekking tot dit onderzoek hebben wij U separaat gerapporteerd.

Tijdens de uitvoering van ons onderzoek heeft de Raad van Commissarissen van R de onder het beheer van de directeur berustende archiefstukken van R doorgenomen. In dit archief zijn bescheiden met een dusdanige inhoud aangetroffen dat deze voor de Raad van Commissarissen aanleiding zijn geweest ons te vragen een nader onderzoek in te stellen omdat de bescheiden mogelijk van belang zijn voor het resultaat van ons onderzoek, dan wel aanleiding geven tot twijfel over de rechtmatigheid van de gepleegde handelingen."

Ten aanzien van het onderwerp van onderzoek is het volgende vermeld:

"Het onderwerp van onderzoek betreft twee, door de directeur gegeven, opdrachten tot het overmaken van gelden ten laste van één van de bankrekeningen van T, ten gunste zichzelf, te weten:

1. Een opdracht tot het overmaken van US$ 18.000 gedateerd 25 maart 2002; en

2. Een opdracht tot het overmaken van US$ 31.000 gedateerd 11 mei 2002."

Het rapport bevat onder meer de volgende conclusie en aanbeveling:

"Uit de ons overgelegde bescheiden en de door ons gevoerde gesprekken met onder meer de waarnemend algemeen directeur van R, de heer U, de President Commissaris van R, mr. P en de heer V van W hebben wij niet kunnen vaststellen dat tussen R en de directeur is overeengekomen dat een deel van de arbeidsbeloning van de directeur ten laste van T gebracht dient te worden."

Aanbeveling

Op grond van onze bevindingen bevelen wij U aan de directeur schriftelijk om nadere uitleg te vragen. Indien de directeur geen deugdelijke uitleg kan of wil verstrekken geven wij U ter overweging de zaak justitieel te laten onderzoeken."

Het rapport draagt de naam van verweerder RA2 en is "b/a" ondertekend door verweerder RA1.

2.9 Bij brieven van 30 juli 2002 en 2 augustus 2002 is de positie van klager als statutair directeur met onmiddellijke ingang beëindigd respectievelijk de arbeidsrechtelijke verhouding met klager met onmiddellijke ingang beëindigd.

2.10 Op 28 augustus 2002 heeft verweerder RA1 aan de Raad van Commissarissen van R een conceptrapport uitgebracht, hierna: het conceptrapport. In het conceptrapport is vermeld dat het onderwerp van onderzoek de financiële verhouding betreft tussen R en de directeur voorzover deze voortvloeit uit de arbeidsverhouding.

Het conceptrapport bevat de volgende aanbevelingen:

"Wij bevelen U aan om de uitkomst van dit rapport voor te leggen aan de directeur teneinde hem in de gelegenheid te stellen zijn visie over de uitgangspunten en de uitkomsten te geven.

Tevens bevelen wij U aan om de directeur te verzoeken om de nodige aanvullende informatie te verstrekken omtrent zaken die nog onduidelijk zijn.

Ten slotte bevelen wij U aan om een finale afrekening tussen R en de directeur op te stellen op waarbij alle onderlinge vorderingen en schulden zullen worden verrekend."

2.11 Bij brief van 4 oktober 2002 heeft R het conceptrapport aan klager toegezonden, waarbij onder meer aan klager gelegenheid werd geboden om zijn visie op het conceptrapport te geven.

2.12 Klager en R zijn hierna in meerdere gerechtelijke procedures tegen elkaar verwikkeld geraakt.

3. KLACHT

3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:

A. Verweerders hebben onvoldoende onpartijdigheid betracht, hetgeen strijdig is met artikel 9 GBR-1994.

B. Verweerders hebben nagelaten hoor en wederhoor toe te passen.

C. De rapporten van verweerders ontberen een deugdelijke grondslag, hetgeen in strijd is met artikel 11 GBR-1994.

D. Door te handelen als voormeld hebben verweerders de eer van de stand der registeraccountants geschonden (artikel 5 GBR-1994).

3.2 In de toelichting op de klacht heeft klager gesteld dat het rapport is uitgebracht aan R zonder dat klager in het kader van het onderzoek is gehoord en zonder dat klager in de gelegenheid gesteld is om, voorafgaand aan de rapportage aan R, zijn visie te geven op de bevindingen van verweerders. Volgens klager mochten verweerders dat niet aan R overlaten.

Bovendien bleek, aldus klager, uit het rapport dat verweerders voordien aan R hadden gerapporteerd over hun bevindingen uit het onderzoek naar de financiële verhouding tussen klager en R, hetgeen eveneens heeft plaatsgevonden zonder klager te horen en zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn visie op de bevindingen van verweerders naar voren te brengen.

Klager heeft voorts gesteld dat de bevindingen van verweerders een deugdelijke grondslag missen vanwege aantoonbare onjuistheid van de bevindingen en klakkeloze aanvaarding door verweerders van door R opgelegde beperkingen en door het achterwege laten van hoor en wederhoor.

4. VERWEER

Verweerders hebben tot hun verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1 De betrokkenheid van verweerder RA2 is geëindigd met de bemiddelingsbespreking op 12 juni 2002. Beide daarna uitgevoerde onderzoeken zijn feitelijk uitgevoerd door en onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van verweerder RA1. De omstandigheid dat onder het rapport de naam van verweerder RA2 staat berust op een vergissing. Het rapport is feitelijk getekend door verweerder RA1.

4.2 De opdracht betrof een onderzoek naar de juiste omvang van de financiële relatie tussen klager en R, zulks in het kader van het vertrek van klager bij R.

4.3 Gelet op de rol van verweerder RA2 blijkt dat verweerder RA1 verantwoordelijk is geweest voor de onderhavige onderzoeken, inclusief de daarbij gehanteerde procedures.

4.4 Tijdens de uitvoering van het onderzoek dat heeft geleid tot het conceptrapport van 28 augustus 2002 is men binnen R gestuit op zaken die nader onderzoek c.q. een nadere toelichting behoefden, waartoe behoorden twee door klager gegeven opdrachten voor het overmaken van gelden ten gunste van zichzelf. Verweerder is door de waarnemend directeur en de voorzitter van de Raad van Commissarissen gevraagd deze twee betalingen nader te onderzoeken. Daarbij is verweerder expliciet gevraagd om alleen contact op te nemen met klager indien dit strikt noodzakelijk was. Verweerder had op 20 juni 2002 over deze betalingen met klager gesproken. Klager bleek verder onbereikbaar. De bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek zijn op 15 juli 2002 gerapporteerd.

4.5 Het conceptrapport heeft verweerder op 5 september 2002 aan R voorgelegd. De reacties van R zijn verwerkt, waarna een herzien concept op 4 oktober 2002 aan R is verzonden met het verzoek tevens een exemplaar aan klager te verzenden. Dit laatste is op dezelfde dag gedaan.

4.6 Beide onderzoeken waren niet gericht op het functioneren van de persoon van klager. Het ging om het analyseren en in kaart brengen van de financiële relatie tussen R en klager. Verweerder heeft de noodzakelijke zorgvuldigheid niet uit het oog verloren.

De vermelding in het rapport dat verweerder met betrekking tot het onderzoek separaat had gerapporteerd hield in dat verweerder RA1 aan R uitsluitend mondeling over de voortgang van het onderzoek had gerapporteerd.

4.7 Verweerders bestrijden de klachten aangaande onpartijdigheid en het ontbreken van een deugdelijke grondslag. Zij bestrijden eveneens dat zij de eer van de stand der registeraccountants zouden hebben overtreden.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 De Raad stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het rapport, dat de naam van verweerder RA2 draagt, en op het conceptrapport, dat de naam van verweerder RA1 draagt. Het rapport en het conceptrapport overlappen elkaar in belangrijke mate en hebben op dezelfde vraagstelling betrekking, te weten de financiële verhouding tussen klager en R.

De Raad verwerpt het verweer van verweerder RA2 dat hij niet verantwoordelijk is voor het rapport omdat het is opgesteld en ondertekend door verweerder RA1 en het rapport slechts per vergissing zijn naam draagt. De Raad acht niet aannemelijk dat sprake is van een vergissing bij de ondertekening van het stuk. Waar bij het opmaken van een willekeurige brief zonder bijzondere inhoud nog denkbaar zou zijn dat zo'n brief een verkeerde naam vermeldt en deze per abuis door een ander wordt ondertekend, is dat bij een rapport met een belang en een specifieke inhoud als het onderhavige niet geloofwaardig. Het rapport is bovendien "bij afwezigheid" (b/a) van verweerder RA2 door verweerder RA1 ondertekend. Dit duidt erop dat het rapport wel degelijk de naam van verweerder RA2 dient te dragen. Voor dit stuk, dat uit zijn naam in het verkeer is gebracht, draagt verweerder RA2 de verantwoordelijkheid.

De verantwoordelijkheid voor het conceptrapport berust bij verweerder RA1, daar het onder zijn naam is opgesteld.

Klachtonderdelen B en C

5.2 Beide klachtonderdelen zijn zowel ten aanzien van het rapport als ten aanzien van het conceptrapport terug te voeren tot het verwijt dat verweerders hebben nagelaten om jegens klager het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen.

5.3 Beide rapporten hebben tot doel om de financiële verhouding tussen klager en R, voortvloeiende uit de arbeidsverhouding, te onderzoeken. Het rapport betreft een onderzoek naar twee specifieke onderdelen van die financiële verhouding. Blijkens hun inhoud hebben beide rapporten de strekking om het handelen van klager als directeur van R, in het bijzonder waar het de uitvoering van de door R met klager -in de visie van de opdrachtgever- overeengekomen betalingsstructuur betreft, te onderzoeken. Onder meer is onderzocht welke posten op last van klager in de rekening-courant verhouding met R zijn geboekt.

De rapportages dragen daarmee de kenmerken van een forensisch onderzoek.

5.4 In het algemeen geldt ten aanzien van een rapportage als de onderhavige dat de accountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid doet voorzover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. De deugdelijkheid van de grondslag wordt mede bepaald door eisen van zorgvuldigheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid die de registeraccountant bij zijn werkzaamheden in acht heeft te nemen.

5.5 Het vereiste van de deugdelijke grondslag brengt in veel gevallen mee dat de accountant bij de totstandkoming van een rapportage het beginsel van hoor en wederhoor dient toe te passen.

In aanmerking genomen het hiervoor beschreven karakter van de rapportages is de Raad van oordeel dat verweerders bij het totstandbrengen van hun rapportage respectievelijk conceptrapportage hoor en wederhoor hadden dienen toe te passen, niet enkel bij de opdrachtgever, hetgeen verweerders wel gedaan hebben, maar tevens bij klager. De aanbevelingen in de rapporten onderstrepen dat de door verweerders verkregen informatie onvolledig danwel onduidelijk was en dat nadere uitleg van klager nodig was. Het toepassen van hoor en wederhoor is een verplichting van de accountant, die hij niet kan afschuiven op zijn opdrachtgever.

5.6 Verweerders hebben evenwel nagelaten hoor en wederhoor toe te passen. Verweerder RA1 heeft zich er in dit verband op beroepen dat zijn bespreking van 20 juni 2002 dient te worden beschouwd als het toepassen van hoor of wederhoor. Klager heeft dit gemotiveerd bestreden. Onbetwist is door klager gesteld dat hij degene is geweest die tijdens die bespreking heeft gewezen op de twee betalingsopdrachten, die later onderwerp van het rapport zijn geworden. Hiertegenover heeft verweerder niet gesteld en evenmin aangetoond dat in de bespreking van 20 juni 2002 de bevindingen zijn besproken die zijn neergelegd in het rapport van 15 juli 2002. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bevindingen die zijn neergelegd in het conceptrapport van 28 augustus 2002. Overigens heeft verweerder tegenover de uitdrukkelijke betwisting van klager geenszins aannemelijk weten te maken dat hij getracht heeft klager te bereiken maar dat deze onbereikbaar was.

Verweerders hebben derhalve nagelaten om klager in de gelegenheid te stellen zijn visie op de bevindingen te geven en vraagpunten op te helderen.

5.7 De rapporten ontberen reeds daardoor een deugdelijke grondslag. Het feit dat het rapport van 28 augustus 2002 een conceptrapport betreft doet hieraan niet af, daar het als conceptrapport aan de opdrachtgever is uitgebracht, zelfs met het verzoek om daarvan een exemplaar aan klager te sturen, teneinde diens reactie te vragen.

5.8 De klachtonderdelen B en C zijn gegrond.

Klachtonderdeel A

5.9 Hoewel de rapporten door het feit dat wel de opdrachtgever is gehoord en klager niet, sporen van een éénzijdige benadering dragen, heeft klager onvoldoende feiten gesteld die, indien vaststaand, dienen te leiden tot het oordeel dat verweerders niet onpartijdig in hun oordeel zijn geweest. Uit de stukken is daarvan onvoldoende gebleken.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel D

5.10 Voor het oordeel dat verweerders zich zodanig hebben gedragen dat daardoor inbreuk is gemaakt op de regel van artikel 5 GBR-1994 acht de Raad geen plaats. De omstandigheid dat in het rapport aan de opdrachtgever is aanbevolen om, indien klager geen deugdelijke uitleg zou kunnen of willen verstrekken, in overweging werd gegeven de zaak justitieel te laten onderzoeken is een omstandigheid die de Raad wel betrekt bij de bepaling van de maatregel maar vormt naar het oordeel van de Raad niet als zodanig een gedraging die leidt tot het oordeel dat artikel 5 GBR-1994 is overtreden.

Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

5.11 De hierna vermelde uitspraak berust op de artikelen 33, 34 en 35 Wet op de Registeraccountants en de artikelen 5 en 11 GBR-1994.

6. MAATREGEL

Bij het opleggen van de hierna vermelde maatregel neemt de Raad in aanmerking dat verweerders bewust hebben nagelaten een deugdelijke grondslag voor hun rapportages te verkrijgen. Verweerders hebben onduidelijkheden gesignaleerd en hebben het aan de opdrachtgever overgelaten om daarover helderheid te verkrijgen, zulks in een situatie waarin het verweerders bekend was dat klager verwikkeld was in een arbeidsconflict met R, waarin zijn ontslag aan de orde was. Het feit dat verweerder RA1 heeft aangevoerd dat hij geprobeerd heeft klager te bereiken maar dat deze onbereikbaar was

-daargelaten dat verweerders stelling niet aannemelijk is geworden- onderstreept dat verweerder zich er van bewust was dat hij klager diende te horen. Door hun nalaten hebben verweerders rapporten tot stand gebracht die, zoals reeds is overwogen, sporen van eenzijdigheid vertonen en daardoor bij derden een onjuist beeld van de financiële verhoudingen kunnen oproepen. Dat is nog verergerd door het advies om bij gebreke van klagers toelichting de zaak justitieel te laten onderzoeken.

Het nalaten van verweerders en de omstandigheden waaronder dit gebeurde, zijn ernstige overtredingen, waarvoor de hierna vermelde maatregel ten aanzien van ieder van verweerders passend en geboden is.

7. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart de klachtonderdelen B en C jegens verweerder RA2 gegrond en legt aan hem als maatregel op een schorsing als registeraccountant voor de duur van een week;

- verklaart de klachtonderdelen B en C jegens verweerder RA1 gegrond en legt aan hem als maatregel op een schorsing als registeraccountant voor de duur van een week;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, voorzitter, C.Chr. Doolhoff RA en P.A.S. van der Putten RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, secretaris, en uitgesproken en ondertekend ter openbare zitting van 5 juli 2004 door mr. S.C.H. Koning, plaatsvervangend voorzitter.

secretaris plv. voorzitter