Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU7341

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
AWB 04/1033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1033 18 november 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. A.C. Bragt, werkzaam bij ABAB Accountants- Belastingadviseurs- Juristen, te ‘s-Hertogenbosch

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.M. Kouwets, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 december 2004, bij het College binnengekomen op 3 december 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 17 mei 2004, waarbij een eerder besluit tot toekenning aan appellante van akkerbouwsteun over het jaar 2000 is herzien en reeds eerder uitbetaalde akkerbouwsteun is teruggevorderd.

Bij brief van 20 december 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Vervolgens heeft hij op 13 januari 2005 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft verweerder, op verzoek van het College, ontbrekende gegevens overgelegd.

Op 7 oktober 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellante haar gemachtigde is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 7

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.

(…)”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en “herstructureringsprogramma’s” de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijlage staat:

“ Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(…)

3. Is evenwel opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte gedaan, dan wordt het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van:

a) de betrokken in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregeling voor het betrokken kalenderjaar, en

b) bij opzettelijk onjuiste aangifte, alle in artikel 1, lid l, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.

(…)

Artikel 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (…)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

In artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het volgende bepaald:

“1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 27 april 2000 heeft appellante in het kader van de regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) een aanvraag oppervlakten 2000 ingediend.

- Bij besluit van 1 december 2000 heeft verweerder op deze aanvraag beslist en aan appellante een bedrag van fl 14923,51, zijnde € 6771,99, aan akkerbouwsteun toegekend.

- Door een andere aanvrager (van der Zande) is voor het jaar 2001 een aanvraag akkerbouwsteun ingediend waarbij onder meer de maïspercelen 10, met een oppervlakte van 3.00 ha, en 14, met een oppervlakte van 5.10 ha, voor akkerbouwsteun zijn opgegeven.

- Naar aanleiding van deze aanvraag heeft GeoRas een teledetectieonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is GeoRas tot de conclusie gekomen dat perceel 10 gemeten is op 3.02 ha en dat het in zijn geheel niet voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van akkerbouwsteun. Perceel 14 is gemeten op 5.05 ha en van dit perceel voldoet, volgens GeoRas, slechts een gedeelte ter grootte van 2.15 ha aan de voorwaarden voor het toekennen van akkerbouwsteun.

- Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat het niet voor steun in aanmerking komende gedeelte van perceel 14 uit de aanvraag 2001 grotendeels samenvalt met het maïsperceel 12 van 3.12 ha dat appellante voor steun heeft opgegeven in haar aanvraag oppervlakten 2000.

Gelet op de bevindingen van GeoRas met betrekking tot genoemd perceel 14 heeft verweerder bij besluit van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, daarom zijn besluit van 1 december 2000 op de aanvraag akkerbouwsteun 2000 van appellante herzien.

Bij dit besluit heeft verweerder overwogen dat van perceel 12 slechts 0.22 ha als steunwaardig is aan te merken. Daarmee wordt het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte maïs en de door verweerder alsnog geconstateerde oppervlakte, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 38,67 %. Op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 heeft verweerder vervolgens voor de gewasgroep maïs alsnog geen steun toegekend. Dit leidt tot een terugvordering van € 4063,70 aan voor maïs reeds uitbetaalde subsidie.

- Tegen het besluit tot terugvordering heeft appellante op 14 juli 2004 een bezwaarschrift ingediend.

- Na een op 20 oktober 2004 telefonisch gehouden hoorzitting heeft verweerder vervolgens het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

Op grond van artikel 9, tweede lid, juncto artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 was verweerder verplicht het ten onrechte betaalde bedrag terug te vorderen. Ook de opgelegde sanctie vloeit rechtstreeks voort uit deze Europeesrechtelijke bepaling.

Aan het bepaalde in artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kan geen toepassing worden gegeven, omdat de betaling niet is verricht als gevolg van een fout van verweerder of een andere instantie.

Appellante had zich ervan behoren te vergewissen dat het perceel 12 geheel voldeed aan de voorwaarden van de Regeling alvorens het op te geven. Hiernaast heeft zij door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van percelen die niet aan de voorwaarden voldoen, komt derhalve geheel voor rekening en risico van appellante. Appellante had zich, alvorens perceel 12 op te geven voor steun, van de steunwaardigheid moeten overtuigen. Dat het gelet op het tijdsverloop niet gemakkelijk is bewijsmateriaal uit de referentiejaren te verzamelen doet hieraan niet af.

Satellietbeelden kunnen slechts door deskundigen geïnterpreteerd worden. Indien appellante meent dat er sprake is van een onjuiste interpretatie kan zij de beelden laten analyseren door door haar in te schakelen deskundigen. Dat appellante meent dat de beelden voor haar niet begrijpelijk zijn, neemt niet weg dat uit de beelden duidelijk blijkt dat perceel 12 voor een gedeelte niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet.

Het betoog van appellante dat uit de door haar overgelegde kaart uit de Grote provinciale Atlas van Noord- Brabant/Oost van de Topografische Dienst zou blijken dat perceel 12 wel geheel akkerland was in een van de referentiejaren kan niet slagen, omdat het betreffende kaartblad is uitgegeven in 1985 en dus niets zegt over het gebruik tijdens de referentieperiode.

De door appellante overgelegde verklaringen van personen, die hebben aangegeven dat zij zich herinneren dat er maïs heeft gestaan op perceel 12, dateren van heden en zijn daarom onvoldoende om de conclusies van GeoRas te weerleggen.

Voorzover appellante zich beroept op het ontstaan van vertrouwen omdat verweerder in het verleden aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft geaccepteerd, meent verweerder dat dit er niet aan de in de weg staat dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden verweerder om terug te komen van eerdere besluiten. Dat appellante er eerder rekening mee hadden kunnen houden als de controle eerder had plaatsgevonden, miskent haar eigen verantwoordelijkheid.

Appellante wordt geen opzet verweten. De toegepaste sanctie geldt voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld.

Met het beroep op artikel 4:49 Awb miskent appellante dat de terugvordering is gebaseerd op de rechtstreeks werkende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3887/92.

Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake, nu de Europese wetgever een naar zijn oordeel evenredig stelsel van sancties in de Verordening heeft neergelegd.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het twijfelachtig is of het noordoostelijk gedeelte van perceel 12 aan de voorwaarden voldoet. Uiteindelijk heeft verweerder appellante hier het voordeel van de twijfel gegeven. Uit de door drs. Honig bij de beelden gegeven toelichting blijkt dat op het beeld van 9 september 1988 op omliggende percelen wel maïs is waar te nemen. De blauwige kleur op het beeld van 2 september 1991 duidt op kaal land. Daarom is dit gedeelte als steunwaardig aangemerkt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte meent verweerder dat perceel 12 voor een gedeelte niet steunwaardig is. Deze mening steunt op voor niet deskundigen onleesbare satellietbeelden. Appellante is daarom niet in staat te beoordelen of dit oordeel van verweerder juist is.

De voor het jaar 1987 door GeoRas gebruikte satellietbeelden dateren van 25 april en 2 oktober. Het is zeer goed mogelijk dat in de tussenliggende periode een akkerbouwgewas is geteeld zonder dat dit op deze beelden is waar te nemen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.

Appellanten blijven van mening dat het perceel 12 in de referentieperiode geheel met maïs beteeld is geweest.

Ten onrechte heeft verweerder geen waarde toegekend aan de drie verklaringen van bewoners en ex- bewoners van 2 panden aan de C-steeg te B, die vanuit hun woningen uitzicht hadden op het perceel 12. Helemaal onbegrijpelijk is het dat verweerder deze verklaringen in combinatie met de aanduiding akkerland voor het perceel 12 in de Grote Provinciale atlas van Noord- Brabant/ Oost van 1990 nog steeds niet heeft geaccepteerd als bewijs dat perceel 12 wel degelijk akkerland was.

Door van appellante te verlangen dat zij met bewijsmateriaal komt uit de jaren 1987- 1992 handelt verweerder in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.

Het besluit tot intrekking van de reeds uitbetaalde subsidie is strijdig met het bepaalde in artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante kon immers niet op de hoogte zijn van het feit dat verweerder over satellietbeelden beschikte, die zouden uitwijzen dat niet aan de definitie werd voldaan. Ten tijde van de subsidievaststelling over het jaar 2000 waren de reeds lang bestaande beelden bij verweerder beschikbaar dan wel hadden zij hem bekend kunnen zijn. Dat verweerder er voor gekozen heeft de beelden pas in een later stadium te gaan gebruiken dient voor zijn risico te komen.

Daarenboven is artikel 4:49 Awb te zien als een vertaling van het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het Hof van Justitie te Luxemburg heeft in het arrest van 20 september 1990, zaak 5/89, uitgemaakt dat het vertrouwensbeginsel deel uit maakt van de communautaire rechtsorde. Het standpunt van verweerder dat toepassing van artikel 4:49 strijdig zou zijn met de communautaire rechtsorde is daarom niet houdbaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 was verweerder verplicht ieder jaar vijf procent van de aanvragen om akkerbouwsteun aan een gedegen onderzoek te onderwerpen. Van dat onderzoek, dat mede met behulp van teledetectie kan plaatsvinden, kan deel uitmaken een onderzoek naar het gebruik van de opgegeven percelen op 31 december 1991, in verband met het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999.

De interpretatie van satellietbeelden vergt een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.2 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het standpunt van appellante, dat verweerder zich niet had mogen baseren op voor niet-deskundigen onbegrijpelijke satellietbeelden en dat verweerder ten onrechte bij appellante de bewijslast legt om aan te tonen dat de door verweerder overgenomen conclusies van GeoRas onjuist zijn, niet houdbaar.

Het College voegt hier nog aan toe dat appellante er voor heeft gekozen telefonisch te worden gehoord naar aanleiding van haar bezwaar. Apellante, die stelt de beelden onbegrijpelijk te vinden, heeft zich daarmee de mogelijkheid ontnomen om tijdens de hoorzitting een toelichting van GeoRas bij de gebruikte satellietbeelden te krijgen.

Niet begrijpelijk is verder waarom appellante meent dat GeoRas op grond van de beelden van 25 april en 2 oktober 1987 niet heeft kunnen vaststellen dat er in 1987 geen maïs werd geteeld op het niet aanvaarde gedeelte van perceel 12. GeoRas heeft immers helemaal geen gebruik gemaakt van een beeld van 25 april 1987. Wel gebruikt werd een beeld van 5 juli 1987, waarop volgens GeoRas duidelijk is waar te nemen dat er op die datum geen maïs werd geteeld op het zuidelijk gedeelte van perceel 12. Het College acht de analyse van GeoRas van het beeld van 5 juli 1987, gelet op de daarbij ter zitting gegeven toelichting, overtuigend.

Ook de door drs. Honig gegeven toelichting bij de beelden die door GeoRas werden gebruikt voor de jaren 1988 tot en met 1991 heeft het College overtuigd van het feit dat de analyse van GeoRas dat het zuidelijk gedeelte van perceel 12 in die jaren grasland is geweest niet berust op een onjuiste interpretatie van satellietbeelden.

5.3 De door appellante overgelegde, en louter op herinnering berustende, verklaringen van bewoners en ex- bewoners van panden aan de C-steeg te B, dat op perceel 12 in de referentiejaren maïs heeft gestaan, zijn door verweerder terecht onvoldoende bevonden om de conclusies van GeoRas te kunnen weerleggen.

Het beroep dat appellante doet op de aanduidingen akkerland bij perceel 12 op het kaartmateriaal in de Grote Provincie- Atlas van Noord- Brabant kan niet slagen. Ter zitting is door verweerder aan de hand van overdrukken uit deze atlas overtuigend aangetoond dat het kaartblad waarop appellante zich beroep is uitgegeven in 1985 en dus geen inzicht geeft in het gebruik van het perceel in de referentieperiode.

5.4 Het feit, dat ter beantwoording van de vraag of een perceel voor premie in aanmerking komt, feiten en omstandigheden uit de jaren 1987 tot en met 1991 beslissend zijn, maakt het voor vele aanvragers van premie steeds moeilijker om vast te stellen of de door hen beteelde percelen daaraan voldoen.

Dit neemt niet weg dat het op de weg van appellante heeft gelegen de gegevens en bescheiden te verzamelen en bewaren, die nodig kunnen zijn voor de beoordeling van haar jaarlijkse aanvragen om akkerbouwsteun.

Verweerder heeft dan ook in aanmerking kunnen nemen dat het aan de aanvrager is om vóór het opgeven van een perceel voor subsidie in het kader van de Regeling zich ervan te vergewissen of dat perceel voldoet aan de voorwaarden van de Regeling. Het opgeven van een perceel dat niet aan de voorwaarden van de regeling voldoet, komt, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de producent, voor rekening en risico van de aanvrager.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet geoordeeld kan worden dat het door verweerder niet voor steun aanvaarde gedeelte van perceel 12 in de referentiejaren anders dan als grasland in gebruik is geweest. Verweerder was derhalve, gelet op artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, verplicht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen over te gaan.

Het gaat hier om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt. Nationale administratiefrechtelijke regelgeving, zoals het door appellanten ingeroepen artikel 4:49 Awb, kan, gelet op de voorrang van het Europese recht, de omvang van een dergelijke verplichting niet beperken. Dat in het door appellanten aangehaalde arrest van 20 september 1990 in zaak C-5/89 van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen is erkend dat het vertrouwensbeginsel deel uit maakt van de communautaire rechtsorde neemt niet weg dat het Hof in constante jurisprudentie tevens heeft bepaald dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met geldende Europese regelgeving. Dat de zogenoemde contra-legem werking van dit beginsel naar Europees recht niet aanvaardbaar is, is onder meer terug te vinden in de uitspraken in zaak 5/82, Jur. 1982, p. 4601 (Maizena) en 316/86, Jur. 1988,p. 2213 ( Krücken) van het Hof.

5.6 Tenslotte stelt het College vast dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van de goede trouw van appellante. Indien dit niet zo zou zijn zou verweerder immers de in het derde lid van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 3887/92 omschreven sanctie hebben opgelegd.

5.7 Gelet op al het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2005.

w.g. F.Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas