Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU7015

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-11-2005
Datum publicatie
29-11-2005
Zaaknummer
AWB 04/221
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/221 8 november 2005

5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen

behandelde dieren en producten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: aanvankelijk mr. G.W.A. Bernards, advocaat te Veldhoven,

nadien mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 maart 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 februari 2004.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders op 30 oktober 2004 bekend gemaakte besluit van 25 oktober 2004, strekkende tot opheffing van de ondertoezichtplaatsing (OTP) van het bedrijf(sgedeelte) met UBN * aan de D-weg te E.

Bij brief van 10 mei 2004 heeft appellant de gronden van hun beroep aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 29 juni 2004 een verweerschrift ingediend en op 2 en 6 juli 2004 het College op de zaken betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Op 16 en 17 juni 2005 heeft appellant het College nog een aantal stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak ter behandeling gevoegd met samenhangende zaken van onder meer appellant en op 30 juni 2005 ter zitting onderzocht, waarbij appellant bij monde van zijn gemachtigde De Rooij en verweerder bij monde van zijn gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen H.J. Keukens, werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Nadat in mei 2002 op een aantal varkensbedrijven in Nederland gezondheids-problemen bij zeugen waren geconstateerd, heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) een traceringsonderzoek verricht. Uit dit onderzoek bleek dat het brijvoeder van twee van de hiervoor bedoelde bedrijven was geleverd door een onderneming van C. Vervolgens is in de periode van 21 juni tot en met 3 juli 2002 de aanwezigheid van de verboden stof medroxy-progesteron-acetaat (MPA) vastgesteld in diervoeders of grondstoffen daarvan, die zijn vervoerd naar onder meer het onderhavige bedrijf, waarvan appellant stelt een afzonderlijke stal te exploiteren, en aldaar aan de aanwezige varkens zijn vervoederd.

- Het ten name van appellant staande bedrijf(sdeel) aan de D-weg te E is bij besluit van 3 juli 2002, bekend gemaakt op 4 juli 2002, ingevolge artikel 4 van de Regeling onder toezicht (OTP) geplaatst. Appellant heeft tegen die OTP geen rechtsmiddel aangewend.

- Op 20 september 2002 is tussen het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) enerzijds en C en mevrouw F - voor onder meer het bedrijf met UBN * – anderzijds, een overeenkomst gesloten, waarbij C c.s. ermee akkoord gaan dat de op de desbetreffende bedrijven aanwezige varkens worden afgevoerd en vernietigd tegen een door het PVV te betalen vergoeding van € 0,44 per kg levend gewicht.

- Bij besluit van 25 oktober 2002 is de OTP opgeheven. Uitreiking van dit besluit geschiedde op 30 oktober 2002 aan de bedrijfsleider, G.

- Appellant heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit tot opheffing van de OTP, waarna op 4 februari 2003 hoorzitting heeft plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - als volgt overwogen

De samenhang van het ten name van appellant staande UBN * met UBN ** - onder meer dezelfde locatie en voerleverancier - leidt tot de vraag of niet in feite sprake is van één bedrijf, geëxploiteerd voor rekening en risico van C of één van diens rechtspersonen. Is dat het geval, dan heeft appellant geen - rechtstreeks - belang bij het bestreden besluit. Gelet op de omstandigheden van het geval gunt verweerder appellant het voordeel van de twijfel en ziet er vanaf hem niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitreiking van het besluit tot opheffing van de OTP aan de bedrijfsleider G, is niet op onjuiste wijze geschied.

Voor de weerlegging van de bezwaren van appellant tegen de opheffing van de OTP gelden dezelfde argumenten als voor de oplegging OTP. De bevoegdheid tot het opleggen van een OTP brengt, aldus verweerder, ook de bevoegdheid tot opheffing daarvan mee.

Ten onrechte is betoogd dat het bestreden besluit gepaard had moeten gaan met (een aanbod tot) schadevergoeding. Het besluit tot intrekking van de OTP is niet een besluit dat niet in redelijkheid genomen had kunnen worden. Los daarvan valt niet in te zien dat uit het bestreden besluit nadeel kan zijn voortgevloeid. Aan het nadeel dat voortvloeide uit de OTP werd door het besluit tot opheffing juist een einde gemaakt.

De in het kader van de opkoopregeling gesloten overeenkomst naar burgerlijk recht kan in deze bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde worden gesteld. Verweerder ziet overigens niet in wat het betoog over het opkopen van varkens kan afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De duur van de maatregel maakt geen deel uit van het bestreden besluit, zodat de stelling dat de OTP eerder had moeten worden opgeheven in de onderhavige procedure geen rol kan spelen. Het intrekkingsbesluit is overigens genomen prompt nadat verweerder bekend was geworden dat de laatste varkens voor destructie van het bedrijf waren afgevoerd.

Ten overvloede voegt verweerder hieraan toe dat in de brief van mr. Bergkamp van 17 juli 2002 voorgestelde beleidslijn niet in overeenstemming was met de voorwaarden van de Europese Commissie en een bestuursorgaan in zulke omstandigheden de vrijheid heeft om zijn beleid te wijzigen.

Verweerder heeft voorts de vermeend onrechtmatige basis van de Regeling verbod handel en de PVV-verordening, alsmede de gestelde gebrekkige implementatie van richtlijn 96/23/EG in de Nederlandse regelgeving, gemotiveerd bestreden. Daarbij heeft hij mede verwezen naar de wetsgeschiedenis van met name de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet in verband met de ontwikkelingen in het Europese landbouwbeleid en de uitspraak van het College AWB 03/177 van 24 juni 2003, <www.rechtspraak.nl>, LJN; AI0088.

Het standpunt dat de bevoegdheid tot het opleggen en daarmee tevens het opheffen van OTP's aan het PVV is overgedragen, berust op een onjuiste interpretatie van de Regeling. Het PVV is bevoegd regels te stellen omtrent de in artikel 2 van de regeling limitatief opgesomde onderwerpen. Daaronder valt niet de bevoegdheid tot het opleggen van OTP's. Deze komt op grond van artikel 4 van de regeling aan de minister toe.

Op grond van het vorenstaande heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat en voorzover van belang - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het besluit tot opheffing van OTP is uitgereikt aan de verkeerde persoon, aangezien G niet als kan worden aangemerkt als de houder of eigenaar van de dieren op het bedrijf met UBN *.

De vraag naar de juiste implementatie van de richtlijnen moet aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd. Implementatie via de Landbouwwet en aanverwante regelingen, alsmede via de verordening van het PVV is onjuist, aangezien de Landbouwwet strekt tot regulering van de landbouw en niet van de volksgezondheid. Voor de Regeling kan bovendien geen basis worden gevonden in artikel 19, juncto artikel 13 van de Landbouwwet, nu dit wettelijk kader zich uitdrukkelijk beperkt tot een heffingensysteem. Richtlijn 96/23/EG is naar de mening van appellant slechts zeer gedeeltelijk geïmplementeerd in de Regeling. Met name artikel 23, tweede en derde lid, van deze richtlijn is daarin niet geïmplementeerd. De beweerdelijke implementatie via de WED van de genoemde artikelen van deze richtlijn is volstrekt onvoldoende om de administratiefrechtelijke implicaties van deze bepaling in het nationale recht te verwerken. Derhalve is de Regeling onverbindend, hetgeen meebrengt dat het besluit waarbij de OTP is opgeheven, onbevoegd is genomen.

Met een beroep op de toepasselijkheid van het beginsel van "égalité devant les charges publiques" heeft appellant gesteld dat wanneer zich problemen als de onderhavige voordoen, de gevolgen daarvan niet uitsluitend zouden moeten neerkomen op de specifieke groep die met die problemen wordt geconfronteerd. De op 20 september 2002 tussen vertegenwoordigers van appellant en het Productschap voor Vee en Vlees gesloten overeenkomst, die mede door bemiddeling van het Ministerie van LNV tot stand is gekomen, biedt volgens appellant een volstrekt onvoldoende oplossing. Niettemin erkent de minister daarmee zijn verantwoordelijkheid. Andere veehouders hebben in een opkoopregeling een vergoeding van € 1,05 per kg levend gewicht ontvangen. Appellant kon aan die opkoopregeling niet deelnemen. Hij is van mening dat verweerder hem een aanvullende vergoeding had moeten toekennen.

De OTP had eerder moeten worden opgeheven, aangezien verweerder - onder meer blijkens de brief van de toenmalige directeur generaal mr. Bergkamp van 17 juli 2002 - een beleid voerde dat de mogelijkheid daartoe bood.

5. De beoordeling van het geschil

Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat uitreiking van het besluit tot OTP aan de bedrijfsleider G niet op voldoende geschikte wijze is geschied.

In zijn uitspraak van heden (AWB 04/711) heeft het College het beroep van onder meer appellant tegen het besluit van 22 juli 2004, strekkende tot handhaving van de OTP van het bedrijf aan de D-weg te E, en naar moet worden aangenomen derhalve tevens betrekking hebbend op het gedeelte daarvan dat bij appellant in gebruik zou zijn, ongegrond verklaard. Derhalve ligt in het onderhavige beroep ter beoordeling uitsluitend de (handhaving van de) opheffing van die OTP voor. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Vooropgesteld wordt dat niet valt in te zien dat appellant door de - handhaving van de - opheffing van de OTP als zodanig in enig rechtens te beschermen belang is getroffen.

Het College begrijpt het in beroep aangevoerde betoog van appellant aldus, dat hij zich op het standpunt stelt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten bij de (handhaving van de) opheffing van de OTP aan hem een schadevergoeding toekennen.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de duur van de maatregel geen deel uitmaakt van een beslissing tot opheffing van de OTP, terwijl in dit beroep evenmin sprake is van een weigering eerder tot opheffing van die OTP over te gaan. Beweerdelijke schade als gevolg van de duur van de maatregel kan derhalve in dit beroep niet aan de orde komen. Overigens is, naar verweerder terecht heeft overwogen, de OTP in dit geval opgeheven op het juiste moment, namelijk toen de laatste onder toezicht geplaatste varkens ter destructie van het bedrijf waren afgevoerd. De brief van directeur-generaal Bergsma van 17 juli 2002 kan daaraan niet afdoen, omdat deze na besprekingen met de Europese Commissie door een nader door de Commissie aangegeven beleidslijn is achterhaald. Verweerder heeft in dit verband terecht gesteld dat het bestuursorgaan in een dergelijk geval de vrijheid heeft om zijn beleid te wijzigen, temeer daar de betrokkenen zo spoedig als mogelijk was op de hoogte zijn gesteld van de zienswijze van de Europese Commissie.

Ten slotte overweegt het College in dit verband dat een verplichting voor verweerder tot schadeloosstelling bij een beslissing tot opheffing van een OTP, reeds gelet op de aard van de beslissing niet aan de orde kan zijn.

De slotsom moet zijn dat het beroep van appellant moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr. M.A.van der Ham, mr. M. van Duuren en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 november 2005

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining