Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU6877

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
AWB 04/912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/912 11 november 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr.ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land en Tuinbouworganisatie te Goes,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. J.J.M. Schipper, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 november 2004, bij het College binnengekomen op 10 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering van door hem ontvangen subsidie over het jaar 2002 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 23 november 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 13 december 2004 een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 2 februari 2005 heeft het College bij verweerder aanvullende stukken opgevraagd. Bij brief van 7 februari 2005 heeft verweerder deze stukken toegezonden.

Bij brief van 21 juli 2005 heeft appellant aanvullende gegevens toegezonden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 8 augustus 2005 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 26 augustus 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn standpunt heeft toegelicht. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 7

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.

(…)”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en ”herstructureringsprogramma’s” de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijlage staat:

“ Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 32

(...)

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 48

Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

5. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In zijn aanvraag oppervlakten 2002 heeft appellant voor totaal 13.80 ha maïs, waaronder het perceel 2 met een oppervlakte van 8.80 ha, voor akkerbouwsteun in het kader van de Regeling opgegeven.

- Bij besluit van 26 november 2002 heeft verweerder voor de gevraagde 13.80 ha maïs akkerbouwsteun toegekend voor een bedrag van € 5219,87.

- Door B B.V. te Y is in een aanvraag oppervlakten 2003 voor een groot aantal percelen, waaronder het perceel 63 met een aangevraagde oppervlakte van 8.80 ha, akkerbouwsteun aangevraagd.

- Naar aanleiding van deze aanvraag is door GeoRas een teledetectieonderzoek gedaan. Daarbij is het perceel 63 gemeten op 8.72 ha terwijl aan de hand van satellietbeelden is vastgesteld dat het noordelijk gedeelte van dit perceel niet voldoet aan de definitie akkerland; slechts het zuidelijk gedeelte ter grootte van 1.67 ha voldoet wel.

- Bij besluit van 25 december 2003 heeft verweerder B BV naar aanleiding van deze aanvraag een akkerbouwsteun van

€ 55102,28 toegekend. Bij dit besluit heeft verweerder vastgesteld dat van perceel 63, gelet op de bevindingen van GeoRas, slechts 1.67 ha voor akkerbouwsteun in aanmerking komt.

- Naar aanleiding van de bevindingen met betrekking tot de aanvraag 2003 van B BV heeft verweerder zijn beslissing op de aanvraag akkerbouwsteun 2002 van appellant bij besluit van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, herzien. Het perceel 63 uit de aanvraag van B BV omvat het perceel 2 uit de aanvraag van appellant. Daarom acht verweerder, conform de bevindingen van GeoRas, van dit perceel 2 slechts 1.75 ha steunwaardig.

Doordat verweerder alsnog een groot deel van perceel 2 als niet steunwaardig heeft aangemerkt is een verschil ontstaan tussen de aangevraagde en de uiteindelijk geconstateerde oppervlakte dat 104,44 % bedraagt van de geconstateerde oppervlakte. Met toepassing van artikel 32, tweede alinea, eerste lid, van Verordening 2419/2001 heeft verweerder vervolgens het gehele reeds uitbetaalde steunbedrag van € 5219,87 teruggevorderd.

- Bij brief van 15 juli 2004 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Op grond het bepaalde in artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 was verweerder verplicht het ten onrechte betaalde bedrag terug te vorderen.

Aan artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan geen toepassing worden gegeven, omdat de betaling niet is verricht als gevolg van een fout van verweerder of van een andere instantie. Op het moment van de beoordeling was namelijk nog niet bekend dat het perceel 2 grotendeels niet aan de voorwaarden voldeed. Dit is pas gebleken nadat GeoRas in 2003 voor verweerder door middel van de interpretatie van satellietbeelden een controle heeft uitgevoerd op de aanvraag 2003 van B BV. Bovendien had appellant zich ervan behoren te vergewissen dat de percelen voldeden alvorens deze op te geven. Hiernaast heeft hij door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van percelen die niet aan de voorwaarden voldoen, komt derhalve geheel voor rekening en risico van appellant. Dat appellant door persoonlijke omstandigheden grond heeft geruild en het daardoor zeer moeilijk voor hem was om de gegevens uit 1987-1991 over de betreffende percelen te achterhalen, maakt dit niet anders.

Om de door verweerder overgenomen bevindingen aan de hand van satellietbeelden te kunnen weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Het feit dat appellant er van uit is gegaan dat voor perceel 2 aan de voorwaarden van de Regeling is voldaan maakt niet dat appellant er in geslaagd is dit tegenbewijs te leveren

Voorzover appellant zich beroept op het ontstaan van vertrouwen omdat verweerder in het verleden de aanvragen van appellant minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft aangemerkt, faalt dit beroep. Deze omstandigheden staan er niet aan de in de weg dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden om terug te komen van eerdere besluiten. Dat appellant er eerder op had kunnen anticiperen als de controle eerder had plaatsgevonden, miskent zijn eigen verantwoordelijkheid.

Appellant wordt geen opzet verweten. De toegepaste sanctie geldt voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld.

De terugvordering is niet in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Nu appellant niet zeker was van de premiewaardigheid van het perceel en dit toch heeft opgegeven, is hij zelf verantwoordelijk voor de mogelijke gevolgen.

Het beroep dat appellant doet op het ontbreken van legenda bij de door GeoRas bij de analyse gebruikte satellietbeelden en de meer algemene twijfel die appellant, met een beroep op een passage uit de Bos-atlas, heeft over de betrouwbaarheid van teledetectie kan niet slagen, omdat door GeoRas gekeken wordt naar het verschil tussen permanente begroeiing ( meestal gras) en eenjarige gewassen. Dit verschil is aan de hand van satellietbeelden in de regel goed te zien. Daarenboven geldt dat bij twijfel aan de aanvrager het voordeel van de twijfel wordt gegeven.

De eventuele gevolgen van het besluit in verband met toekomstige regelgeving zijn in de onderhavige procedure niet aan de orde.

In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder omtrent de stelling van appellant dat hij op het litigieuze perceel in 1987 aanvankelijk gras had staan en dat hij, toen het slecht groeide, het perceel heeft omgeploegd en alsnog maïs heeft gezaaid het volgende opgemerkt.

Allereerst signaleert verweerder dat het hier om feiten en omstandigheden gaat die reeds voor het nemen van het bestreden besluit bekend waren, maar die appellant desondanks pas laat heeft ingebracht in de bij het College aanhangig gemaakte procedure. Met deze feiten heeft verweerder in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden.

Hetgeen appellant stelt spoort niet met hetgeen te zien is op de beelden van 25 april en 2 oktober 1987 en evenmin met hetgeen te zien is met het later ingebrachte beeld uit het groeiseizoen van 5 juli 1987. De blauwachtige kleur op het julibeeld duidt erop dat er toen nauwelijks vegetatie stond. De beelden van 2 oktober wijzen er op dat appellant in 1987 wel maïs, maar niet op perceel 2, heeft verbouwd. Daarenboven heeft appellant voor de landbouwtelling 1987 opgegeven dat hij op 2.50 ha maïs verbouwde. Dat is in tegenspraak met zijn stelling dat hij op perceel 2 van 8.80 ha maïs zou hebben verbouwd. Dat appellant in 1987 Wir-premie heeft aangevraagd voor de aanleg van ondergrondse regenleidingen en een beregeningsput gaat niet vergezeld van enig bewijs dat deze werkzaamheden op perceel 2 hebben plaatsgevonden.

Ter zitting is hier namens verweerder nog aan toegevoegd dat, afgaande op alleen het beeld van juli, hetgeen appellant stelt wel zou kunnen kloppen. Het beeld van 2 oktober geeft evenwel duidelijk gras aan. Dit wijst er bepaald niet op dat er nog in augustus ( mislukte) maïs op het perceel heeft gestaan. Daarenboven is het weinig aannemelijk dat eind augustus, toen zichtbaar werd dat de maïsoogst ging mislukken, alsnog gras is ingezaaid.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant is er steeds van uit gegaan dat perceel 2 akkerland was, omdat het akkerbouwmatig werd gebruikt.

Nu bij de door Georas gebruikte satellietbeelden geen legenda is bijgevoegd kan op basis van deze beelden geen goed oordeel worden gevormd dat voor appellant controleerbaar is. Thans ligt er alleen een subjectieve beoordeling, die geen grondslag mag vormen voor een besluit.

Door de aanvragen voor het perceel 2 in eerdere jaren wel steunwaardig te achten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat aan de definitie akkerland is voldaan.

Verweerder had de satellietbeelden reeds eerder ter beschikking en dus had hij ook eerder kunnen controleren. Tegen die achtergrond gaat het niet aan achteraf reeds betaalde steun terug te vorderen. Daarenboven had appellant, indien eerder was gecontroleerd eerder wel steunwaardige percelen kunnen opgeven voor akkerbouwsteun.

Bij zijn brief van 21 juli 2005 heeft appellant aangevoerd dat op de door Georas gebruikte beelden van 25 april en 2 oktober 1987 onmogelijk te zien kan zijn geweest wat er in 1987 werkelijk op perceel 2 is gebeurd. Appellant heeft van het perceel eerst een snede gras geoogst. Vervolgens heeft hij maïs gezaaid. Daar de maïs door droogte en te veel onkruid slecht groeide is de maïs vroeg geoogst. Daarna is het land omgeploegd, geëgaliseerd en gedraineerd, waarna opnieuw gras is gezaaid. Dat er inderdaad drainagewerken zijn uitgevoerd blijkt uit een door appellant overgelegd fiscaal rapport waarin vermeld wordt dat over investeringen ten behoeve van regenleidingen en een beregeningsput aanspraak op Wir premie bestaat.

5. De beoordeling van het geschil

Op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, is verweerder verplicht ieder jaar vijf procent van de aanvragen om akkerbouwsteun aan een gedegen onderzoek te onderwerpen. Van dat onderzoek, dat mede met behulp van teledetectie kan plaatsvinden, kan deel uitmaken een onderzoek naar het gebruik van de opgegeven percelen op 31 december 1991, in verband met het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999.

De interpretatie van satellietbeelden vergt een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen. Het College kan appellant daarom niet volgen in zijn betoog dat door verweerder geen satellietbeelden mogen worden gebruikt, zolang deze niet vergezeld gaan van legenda.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Appellant heeft bij brief van 21 juli 2005 gesteld dat op perceel 2 in de referentieperiode wel degelijk maïs heeft gestaan. Ter zitting heeft hij deze stelling verder verduidelijkt.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij in 1987 op perceel 2 aanvankelijk gras had staan. Toen hij van het perceel de eerste snede gras had afgehaald bleek hem dat het gras zich verder slecht ontwikkelde. Dit was voor hem aanleiding het perceel om te ploegen en vervolgens drainagewerkzaamheden uit te voeren. Daarna heeft hij - in juni - maïs gezaaid. De maïs ontwikkelde zich ten gevolge van droogte zo slecht dat appellant besloot om de maïs in augustus te oogsten. Vervolgens heeft appellant in de tweede helft augustus opnieuw gras ingezaaid. Deze gang van zaken is niet waar te nemen op basis van de aanvankelijk door GeoRas gebruikte satellietbeelden van 25 april en 2 oktober 1987. Wel sluit deze gang van zaken aan bij het door verweerder bij zijn aanvullend verweer van 5 augustus 2005 alsnog overgelegde satellietbeeld van 5 juli 1987. De blauwige kleur op dat beeld duidt op immers op kale grond.

Verweerder heeft met betrekking tot dit betoog gesteld dat het niet aan de orde kan komen in deze procedure, omdat verweerder daarmee geen rekening heeft kunnen houden in het bestreden besluit. Dit feit is immers ingebracht nadat het bestreden besluit was genomen, terwijl het wel reeds tijdens de bezwaarfase bij appellant bekend moet zijn geweest.

Het College meent dat dit standpunt van verweerder in de situatie van appellant niet houdbaar is en overweegt daartoe het volgende.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen zonder appellant op zijn bezwaar te horen. Daardoor heeft appellant, die reeds in bezwaar te kennen heeft gegeven dat hij twijfels heeft over de waarde die aan satellietbeelden moet worden toegekend, nooit een behoorlijke toelichting gekregen bij de gebruikte satellietbeelden. Dit klemt extra nu het uit 2003 daterende teledetectie-rapport van GeoRas, waarop verweerder zich in deze zaak baseert, werd opgemaakt naar aanleiding van een niet door appellant, maar door B BV ingediende aanvraag akkerbouwsteun. Aldus heeft appellant nooit de gelegenheid gekregen zich over het rapport uit te laten.

Het College stelt vervolgens vast dat het betoog van appellant dat in 1987 gedurende korte tijd maïs zou hebben gestaan op perceel 2 niet is onderbouwd met nadere bewijsstukken. Appellant heeft aangevoerd deze ook niet te hebben omdat hij maïs zaait en oogst zonder dat daarbij een loonwerker wordt betrokken.

Als bewijs dat in 1987 op het door verweerder niet aanvaarde gedeelte van perceel 2 drainagewerkzaamheden zijn uitgevoerd heeft appellant een verklaring overgelegd dat aanspraak werd verkregen op Wir-premie. Aangezien de verklaring niet aangeeft dat deze aanspraak werd verkregen voor op perceel 2 verrichte werkzaamheden kan daaruit niet blijken dat op dit perceel inderdaad drainagewerkzaamheden werden verricht.

Het betoog van appellant lijkt wel te passen, zoals door drs. Honig ter zitting ook is aangegeven, als naar het satellietbeeld van 5 juli 1987 wordt gekeken. Nu daarop te zien is dat het perceel per die datum kaal was met weinig begroeiing is het geenszins uit te sluiten dat op het perceel kort voor 5 juli maïs is gezaaid.

Verweerder heeft daartegenover uiteengezet dat de teelt van maïs op het 8.8 ha grote perceel 2 niet overeenstemt met de door appellant voor het jaar 1987 verstrekte gegevens voor de landbouwtelling. Appellant heeft daarbij opgegeven dat hij op 2.5 ha maïs zou gaan telen. Desgevraagd heeft appellant ter zitting opgemerkt dat hij, toen hij de landbouwtellingformulieren invulde ook helemaal nog niet het plan had maïs te zaaien op perceel 2. Het College meent dat deze verklaring niet onlogisch is te noemen.

Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beelden van 2 oktober 1987 uitwijzen dat daar toen een egale grasmat was te zien. Drs. Honig heeft ter zitting verklaard dat dit niet mogelijk is als tweede helft augustus nieuw gras is gezaaid. Daarenboven heeft drs. Honig aangegeven dat op andere percelen van appellant op 2 oktober 1987 volgens de satellietbeelden maïs is te zien. Drs. Honig heeft hieraan nog toegevoegd dat hij het merkwaardig vindt dat eind augustus bij een mislukkende maïsteelt alsnog nieuw gras wordt ingezaaid.

Het College oordeelt als volgt.

De oorspronkelijke beoordeling door GeoRas is voor het jaar 1987 enkel gebaseerd op de satellietbeelden van 25 april en 2 oktober. Uit die beelden is de conclusie getrokken dat het perceel het gehele jaar grasland is geweest. Hangende de beroepsprocedure heeft appellant, op grond van zijn stellige herinneringen over het grondgebruik in 1987, verweerder verzocht na te gaan of toch niet een satellietbeeld uit de zomermaanden voorhanden was, aan de hand waarvan zijn stellingen omtrent dat gebruik kunnen worden geverifieerd. Eerst toen is het satellietbeeld van 5 juli 1987 naar voren gekomen, dat op zichzelf de lezing van appellant omtrent het grondgebruik eerder ondersteunde dan weerlegde.

Hieruit volgt dat de oorspronkelijke interpretatie van Geraas, die was gebaseerd op twee beelden, niet geheel sluitend was. Het College trekt hieruit de conclusie dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen. Daartoe zal appellant alsnog moeten worden gehoord. Op grond van alle beschikbare en eventueel aanvullend te leveren informatie zal dan moeten worden uitgemaakt of het satellietbeeld van 2 oktober 1987, ondanks het beeld van 5 juli 1987 en hetgeen daaruit blijkt, nog steeds tot de conclusie moet leiden dat het perceel (gedeeltelijk) het gehele jaar niet anders dan als grasland is gebruikt.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak

is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro),

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,- ( zegge: honderdzesendertig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2005.

w.g. J.A. Hagen w.g. F.W. du Marchie Sarvaas