Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU5523

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
AWB 04/574
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/574 28 oktober 2005

4000 Heffing

Uitspraak in de zaken van:

Slachterij Grossierderij Wouters B.V., te De Hoef, appellante,

gemachtigde: F.A.M. Wouters, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 8 juli 2004 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen een vijftiental op 7 augustus 2003 door verweerder aan appellante opgelegde heffingen over de jaren 2000, 2001 en 2002 op grond van respectievelijk de Heffingsverordening dieren 2000, Heffingsverordening dieren 2001 en Heffingsverordening dieren 2002.

Verweerder heeft bij brief van 22 september 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 31 augustus 2005, alwaar de gemachtigden de respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Vleeskeuringswet is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 3

Deze wet verstaat onder doden in nood: het doden van een slachtdier,

a. dat door een ongeval ernstig is getroffen;

b. dat door ziekte in onmiddellijk dreigend levensgevaar verkeert;

c. dat onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen.

Artikel 4

1. Slachtdieren zijn vóór en ná het slachten aan keuring onderworpen.

2. In nood gedode slachtdieren zijn aan de keuring ná het slachten onderworpen.

(…)”

Bij de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993 (Stcrt. 1993, 99) was ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

h. categorie slachtdieren:

indeling van slachtdieren in categorieën zoals aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage;

(…)”

In de bijlage bij deze regeling staat:

“ Categorie-indeling van slachtdieren

Categorie 1

Volkomen normale dieren, geen enkele afwijking bij de keuring vóór het slachten aanwezig die wijst op een niet gezond zijn van het dier.

Categorie 2

Niet zieke dieren met uitwendig waarneembare plaatselijke afwijkingen, die geen risico geven voor bezoedeling van de slachtlijn. Er zou aanleiding voor een bijzondere behandeling bij de keuring na het slachten zijn.

Categorie 3

Niet zieke dieren met uitwendig waarneembare afwijkingen, die bezoedeling tijdens het slachtproces en de keuring na het slachten zouden kunnen geven. Bezoedeling van de slachtlijn is niet beheersbaar. Deze dieren hebben een voorwaardelijke vergunning tot slachten d.w.z. slachten op de bijzondere slachtplaats, waarbij de door de keuringsdierenarts gestelde bijzondere voorwaarden in acht worden genomen.

Categorie 4

Dieren met duidelijke ziekteverschijnselen inclusief verschijnselen van of verdenking op een besmettelijke veeziekte, tevens duidelijke stoornissen in de algemene gezondheidstoestand van het dier.

Categorie 5

Dieren die waar dan ook in nood zijn gedood wegens een ernstig ongeval of wegens direct gevaar voor de omgeving.

Categorie 6

Dieren die wegens ernstige ziekte direct na aanvoer op de bijzondere slachtplaats zonder keuring voor het slachten worden bedwelmd, gedood en geslacht.”

Bij de Verordening Algemene Bepalingen Heffingen was ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 11b

Bij gebreke van de gegevens omtrent de hoeveelheid dieren, benodigd voor de vaststelling van de verschuldigde heffingsbedragen, geschiedt de vaststelling zonodig aan de hand van een schatting van de hoeveelheid dieren.

Artikel 12

Iedere ondernemer is verplicht van dag tot dag een zodanige administratie te voeren, dat de gegevens, benodigd voor de vaststelling van de heffing, te allen tijde op een eenvoudige manier kunnen worden gekend.”

Artikel 2 van de Heffingsverordening dieren 2000 luidt als volgt:

“ 1. a. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift, is de ondernemer, die in het jaar 2000 een of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert aan het productschap ter dekking van zijn huishoudelijke uitgaven over die dieren per dier en per diersoort een heffing verschuldigd (…)

3. De heffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd voor een dier, ten aanzien waarvan ten genoege van het productschap wordt aangetoond, dat het in nood is geslacht.

De Heffingsverordening dieren 2001 en de Heffingsverordening dieren 2002 kennen beide een nagenoeg gelijkluidende bepaling.

Bij de Heffingsverordening dieren 2000, de Heffingsverordening dieren 2001 en de Heffingsverordening dieren 2002 is in artikel 1 verder steeds bepaald dat voor de toepassing van deze verordeningen geldt het bepaalde bij of krachtens de Verordening Algemene bepalingen Heffingen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 13 maart en 17 juni 2003 heeft een medewerker van verweerders Centraal Bureau Slachtveediensten op het bedrijf van appellante een controle uitgevoerd. Volgens het daarvan opgemaakte verslag heeft de controleur bij deze bezoeken discrepanties geconstateerd tussen de door appellante aan verweerder opgegeven aantallen geslachte dieren en de gegevens daarover afkomstig van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV). Volgens dit verslag hebben deze discrepanties niet zo zeer betrekking op het totaal aantal geslachte dieren, maar zitten de verschillen met name in de opgegeven categorieën, waarbij naar het oordeel van de controleur te veel dieren zijn opgegeven in de heffingsvrije categorieën 5 en 6 en dus te weinig dieren in de categorieën 1 tot en met 4. Ten aanzien van de door appellante gevoerde administratie wordt in het verslag opgemerkt dat deze naar het oordeel van de controleur rommelig en incompleet is.

- Op grond van de uitkomsten van de uitgevoerde controles en uitgaande van de gegevens van de RVV heeft verweerder bij een vijftiental facturen, alle gedateerd 7 augustus 2003, aan appellante een naheffing opgelegd over de jaren 2000, 2001 en 2002.

- Appellante heeft bij brieven van 12 augustus 2003 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

- Op 13 november 2003 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren gehoord.

- Bij brief van 5 december 2003 heeft appellante verweerder nog enige informatie doen toekomen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft bij het bestreden besluit - waarbij hij gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen – onder meer het volgende overwogen:

“ Blijkens het controlerapport heeft u in uw aangifte teveel dieren opgegeven in de heffingsvrije categorieën 5 en 6 en te weinig in de categorieën 1 t/m 4. De controleur heeft zich daarbij o.m. gebaseerd op de slachtlijsten, de VOS-lijsten en de RVV- overzichten. (…)

Voor zover hier van belang vermeldt dit overzicht wat betreft het jaar 2000 t.a.v. runderen > 1 jaar een aantal van 845 "bijzondere slacht", terwijl u hiervan 716 runderen heeft opgegeven als "bijzondere slacht categorie 5 en 6". Blijkens de nadere door u ter hoorzitting en in uw brief van 5 december 2003 gegeven toelichting wordt door u erkend dat bedoelde 716 runderen niet uitsluitend aan de categorieën 5 en 6, maar ook aan de categorie 4 moeten worden toegerekend, omdat in de gegevens waarop dit is gebaseerd de categorieën 4, 5 en 6 als één geheel zijn te begrijpen en daarin geen verder onderscheid is gebracht. Door u is betoogd dat er in het jaar 2000 68 attesten zijn afgegeven, zodat er in dat jaar in elk geval 68 runderen in categorie 6 zijn geslacht.

Wat betreft het jaar 2001, vermeldt het overzicht t.a.v. runderen > 1 jaar een aantal van 525 "bijzondere slacht", terwijl u hiervan 85 runderen heeft opgegeven als "bijzondere slacht categorie 5 en 6". Blijkens uw toelichting behoren er 315 runderen tot de categorieën 3, 4 en 5. Door u wordt betoogd dat in dit jaar 45 attesten zijn afgegeven, zodat er in 2001 in elk geval 45 runderen in categorie 6 zijn geslacht.

Wat betreft het jaar 2002 vermeldt het overzicht t.a.v. runderen > 1 jaar een aantal van 406 "bijzondere slacht", terwijl u 1.063 runderen heeft opgegeven als "bijzondere slacht categorie 5 en 6". Blijkens uw toelichting behoren er 10.589 runderen tot de categorieën 1 t/m 5. Door u wordt betoogd dat in dit jaar 42 attesten zijn afgegeven, zodat er in 2002 in elk geval 42 runderen in categorie 6 zijn geslacht.

Het productschap gaat uit van de juistheid van de door u genoemde aantallen attesten. Voor het overige heeft u echter niet ten genoegen van het productschap aangetoond dat sprake is van noodslachting in categorie 5 en/of 6. Daarbij zij opgemerkt dat facturen van huidenafnemers geen betrouwbare indicatie geven op de vraag of er een noodslachting in de categorie 5 en/of 6 heeft plaatsgevonden.

Zoals u bekend hanteert het productschap, gelet op hiervoor vermelde bepalingen, als uitgangspunt dat het aantal slachtingen in de categorieën 5 en 6 ongeveer 2% van het totaal aantal geslachte runderen bedraagt, hetgeen ook wordt bevestigd door het controlerapport (zie blad 2, laatste alinea). In casu komt 2% neer op 79 runderen voor wat betreft het jaar 2000, 108 runderen voor wat betreft het jaar 2001 en 219 runderen voor wat betreft het jaar 2002.

Na bestudering van de gegevens (VOS-lijsten, het controlerapport en de door u ingediende documenten) komt het productschap tot de conclusie dat niet gebleken is dat, zoals u betoogt, deze 2% een onredelijk uitgangspunt vormt. Zoals gezegd dient ter genoegen van het productschap aangetoond te worden dat de dieren in nood zijn geslacht. Het aantal dieren waarvan blijkens voormelde attesten de noodslachting in categorie 6 is aangetoond, ligt in elk der betreffende jaren (ruim) beneden deze 2%, zodat daarin geen reden kan zijn gelegen om aan te nemen dat dit percentage onredelijk zou zijn. Door u is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat er reden is om meer dan 2% van het aantal dieren vrij te stellen van de heffing.

(…)

Het is het productschap evenwel bij nadere bestudering gebleken dat bij het opleggen van de naheffing niet daadwerkelijk vrijstelling is verleend voor bedoelde 2%, zijnde 79, 108 respectievelijk 219 runderen. Het besluit kan derhalve niet ongewijzigd in stand blijven en zal in deze zin behoren te worden aangepast.

(….) Voor het overige verklaart het productschap uw bezwaar ongegrond.”

Ter zitting van het College heeft verweerder nog aangevoerd dat hij ter bepaling of sprake is van een in nood geslacht dier als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de heffingsverordeningen, aansluiting heeft gezocht bij hetgeen daaronder in de Vleeskeuringswet wordt verstaan. Dieren als omschreven onder categorie 4 in de bijlage behorende tot de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993 worden dan ook niet als “in nood geslacht” aangemerkt.

4. Het standpunt van appellante

Op grond van de voorschriften van de RVV dienen alle dieren die behoren tot de categorieën 3 tot en met 6 geslacht te worden in een bijzondere slachtplaats, welke in het verleden ook wel werd aangeduid als noodslachtplaats. Naar het oordeel van appellante moeten onder in nood geslachte dieren als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de heffingsverordeningen worden verstaan de dieren die verplicht zijn geslacht in een bijzondere of noodslachtplaats. Met inachtneming van dit criterium geldt voor een veel groter aantal dieren dat ze in nood zijn geslacht en dient daarvoor geen heffing te worden opgelegd.

Appellante beschikt binnen haar inrichting over een bijzondere slachtplaats. Dit verklaart waarom op haar bedrijf in verhouding veel dieren worden geslacht die volgens haar criterium als noodslachtingen dienen te worden aangemerkt. Het door verweerder gehanteerde percentage van 2% noodslachtingen bij de vaststelling van de heffing is reeds daarom in geval van het bedrijf van appellante veel te laag. Bovendien is dit percentage grotendeels gebaseerd op onderzoek van de zogenaamde VOS-lijsten, zijnde een door de RVV per afzonderlijk dier afgegeven document waarop de categorie-indeling van dat dier staat vermeld. Deze lijsten zijn evenwel bepaald niet betrouwbaar voor wat betreft de uiteindelijke categorie-indeling van het betrokken dier. Dit komt doordat een dergelijk formulier in de eerste dagen na de slacht door verschillende personen wordt ingevuld en binnen die periode nog al eens aan mutatie onderhevig is.

5. De beoordeling van het geschil

Het College onderschrijft verweerders opvatting dat als "in nood geslacht dier" in artikel 2, derde lid van de Heffingsverordeningen 2000, 2001 en 2002 niet kan gelden een dier dat valt in de categorieën 1 tot en met 4 van de Bijlage behorende bij de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993. Daarmee wordt aangesloten bij de definitie van "doden in nood" zoals die in artikel 3 van de Vleeskeuringswet is neergelegd en nader blijkt uit artikel 4.

Hetgeen appellante daar tegenover stelt komt er kort gezegd op neer dat alle dieren die in de bijzondere slachtplaats worden geslacht, als "in nood geslacht" moeten worden aangemerkt. Dat zijn dus de dieren uit de categorieën 3, 4, 5 en 6 van de bijlage bij de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993.

Appellante heeft niet aangegeven waarom moet worden aangenomen, dat het bestuur van het Productschap Vee en Vlees ten tijde van de vaststelling van de heffingsverordeningen bij het gebruik van de term "in nood geslacht" deze groep dieren op het oog zou hebben gehad. Als de regeling ertoe strekte slachtingen in een bijzondere slachtplaats buiten de heffing te houden zou het gebruik van een daarop uitdrukkelijk toegespitste formulering zonder meer voor de hand hebben gelegen.

Ook anderszins zijn geen overtuigende argumenten aangevoerd, waarom voor een dergelijke van de in de Vleeskeuringswet en de Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993 gehanteerde terminologie afwijkende interpretatie gekozen zou moeten worden. Daarvoor is niet voldoende dat ook voor de slacht van dieren uit de categorieën 3 en 4 bijzondere regels gelden en bijzondere maatregelen genomen moeten worden.

Nu op basis van appellantes administratie de hoeveelheid dieren uit de categorieën 5 en 6 in de drie aan de orde zijnde jaren niet zonder meer kan worden vastgesteld, heeft verweerder terecht geoordeeld dat hij op basis van artikel 11b van de Verordening Algemene Bepalingen Heffingen tot een schatting van die hoeveelheid kon overgaan.

Verweerder heeft op grond van de overgelegde attesten het aantal dieren uit categorie 6 eenduidig kunnen vaststellen. De door hem gehanteerde schatting van de categorieën 5 en 6 tezamen op 2% van het totaal aantal geslachte dieren komt in elk van de drie aan de orde zijnde jaren beduidend hoger uit. Appellante heeft geen enkel argument aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat haar met het hanteren van die schatting tekort is gedaan.

Het beroep is derhalve ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.A.B. Dorst-Tatomir en mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand