Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU5516

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
AWB 04/1068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1068 26 oktober 2005

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ing. A.A.J. Albers, werkzaam bij Area Adviseurs te Horst,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 6 december 2004, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 27 oktober 2004.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de terugvordering van aan haar uitbetaalde subsidie voor haar aanvragen voor de jaren 2001 respectievelijk 2002 om toekenning van akkerbouwsteun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft bij brief van 22 december 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Vervolgens heeft hij op 7 januari 2005 een verweerschrift ingediend.

Op 14 september 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante zijn verschenen haar gemachtigde en A. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

" Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was."

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

" Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

'' Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen.

3. (…)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (...).

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)"

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 32

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconsteerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

In artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het volgende bepaald:

“1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 12 mei 2003 heeft appellante een aanvraag oppervlakten 2003 ingediend in het kader van de Regeling. Daarbij heeft zij onder meer het maïsperceel met volgnummer 3 opgegeven.

- Op basis van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, op 15 oktober 2003 aan verweerder gerapporteerd dat de gemeten oppervlakte van perceel 3 6.66 ha bedraagt en dat van die gemeten oppervlakte 4.10 ha niet voldoet aan de definitie van akkerland.

- Met die mededeling geconfronteerd heeft appellante op 14 november 2003 schriftelijk gemotiveerd waarom, naar haar mening, het perceel wel aan de definitie akkerland voldoet.

- Bij besluit van 25 december 2003 heeft verweerder in een en ander aanleiding gevonden de door appellante gevraagde akkerbouwsteun voor 2003 geheel te weigeren en appellante voor een bedrag van € 1.997,20 nogmaals uit te sluiten.

- Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar is geen beroep bij het College ingesteld.

- Aangezien appellante perceel 3 eveneens in haar aanvragen voor 2001 en 2002 had opgegeven, heeft verweerder bij besluiten van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, zijn eerdere besluiten op de aanvragen voor 2001 en 2002 herzien. Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte in beide jaren groter was dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte (voor 2001 83,84 % en voor 2002 152,42 %), heeft verweerder op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de gevraagde steun voor die jaren alsnog geheel geweigerd en zijn de reeds uitbetaalde steunbedragen op grond van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 teruggevorderd.

- Appellante heeft bij brieven van 16 juli 2004 tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Nadat appellante van de geboden mogelijkheid om over haar bezwaren te worden gehoord geen gebruik had gemaakt, heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Op grond van artikel 9, tweede lid, juncto artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 voor de aanvraag 2001, en op grond van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor de aanvraag 2002, was verweerder verplicht de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen.

Aan artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kan geen toepassing worden gegeven, omdat de betaling niet is verricht als gevolg van een fout van verweerder of van een andere instantie. Op het moment van de beoordeling was namelijk nog niet bekend dat een gedeelte van perceel 3 niet aan de voorwaarden voldeed. Dit is verweerder pas in oktober 2003 gebleken, nadat GeoRas voor verweerder door middel van de interpretatie van satellietbeelden een controle had uitgevoerd. Bovendien had appellante zich ervan behoren te vergewissen dat het perceel geheel voldeed alvorens het op te geven. Hiernaast heeft zij door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van een perceel dat niet volledig aan de voorwaarden voldoet, komt derhalve geheel voor rekening en risico van appellante.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie van GeoRas is gebleken dat perceel 3 in de referentieperiode voor 4.10 ha met gras beteeld is geweest. Om satellietbeelden te weerleggen is bewijs op perceelsniveau vereist. Omdat appellante tegen de beslissing op het bezwaar over het jaar 2003 geen beroep heeft ingesteld, is in rechte komen vast te staan dat perceel 3 deels niet voldoet aan de definitie akkerland. Maar ook thans heeft appellante geen bewijsmateriaal overgelegd, waaruit overtuigend blijkt dat dit perceel wel geheel voldoet.

Nergens blijkt dat verweerder op enig moment toezeggingen heeft gedaan of de indruk heeft gewekt dat indien een perceel niet blijkt te voldoen aan de definitie akkerland, er niet zou worden teruggevorderd.

Voorzover appellante zich beroept op het ontstaan van vertrouwen omdat verweerder in het verleden de aanvragen van appellante minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft aangemerkt, faalt dit beroep. Deze omstandigheden staan er niet aan de in de weg dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden om terug te komen van eerdere besluiten. Dat appellante er eerder op had kunnen anticiperen als de controle eerder had plaatsgevonden, miskent haar eigen verantwoordelijkheid.

Appellante wordt geen opzet verweten. De toegepaste sanctie geldt voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld.

Met de constatering dat verweerder fouten heeft gemaakt en dat zelf erkent in andere gevallen, treedt appellante buiten de reikwijdte van het besluit en bovendien blijkt hieruit niet dat jegens appellante onzorgvuldig is gehandeld.

Dat een aanvrager pas in bezwaar de satellietbeelden te zien krijgt, is onjuist. Vanaf het moment dat een aanvrager wordt geconfronteerd met de bevindingen van GeoRas, kan een verzoek worden ingediend om de satellietbeelden in te zien.

Aan de stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat verweerder in meerdere gevallen is afgeweken van de bevindingen van GeoRas, kan, zo de stelling al zou kloppen, geen algemene conclusie worden verbonden. Bij twijfel of onduidelijkheid over de bruikbaarheid van een bepaald satellietbeeld wordt steeds in het voordeel van de aanvrager beslist.

De terugvordering is niet in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Nu appellante niet zeker was van de premiewaardigheid van het perceel en dit toch heeft opgegeven, is zij zelf verantwoordelijk voor de mogelijke gevolgen.

Met het beroep op artikel 4:49 Awb miskent appellante dat de terugvordering is gebaseerd op de rechtstreeks werkende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3887/92.

Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake, nu de evenredigheid al is ingebouwd in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. De eventuele gevolgen van het besluit in verband met toekomstige regelgeving, zijn in de onderhavige procedure niet aan de orde.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Verweerder heeft de afgelopen jaren beleid verkondigd dat, indien in een bepaald jaar een perceel niet aan de definitie akkerland bleek te voldoen, niet ook voorgaande jaren zouden worden gecontroleerd. Door dit nu toch te doen, heeft verweerder in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gehandeld.

Zolang door verweerder niet is vastgesteld dat een perceel niet aan de definitie akkerland voldoet en het niet voldoen van een perceel niet aan de aanvrager heeft kenbaar gemaakt, handelt de aanvrager te goeder trouw. Indien in een bepaald jaar subsidie is verleend, mag een aanvrager ervan uit gaan dat de grond voldeed, zeker indien in de toekenningsbeschikking expliciet staat opgenomen dat er een administratieve en fysieke controle heeft plaatsgevonden.

Een aanvrager vult zijn aanvraag niet met opzet verkeerd in. Indien een aanvraag in een voorgaand jaar is goedgekeurd en in de beschikking is vermeld dat een controle heeft plaatsgevonden, is het niet gerechtvaardigd indien verweerder in een later stadium met terugwerkende kracht beschikkingen intrekt en premie terugvordert. Nu verweerder niet eerder heeft geconstateerd dat de percelen niet aan de definitie akkerland voldoen, moet de schuld bij verweerder worden gelegd.

Een aanvrager kan om financiële redenen ervoor hebben gekozen geen bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit waarin wordt vastgesteld dat één of meerdere percelen niet voldoen aan de definitie akkerland. Nu echter ook voorgaande jaren worden teruggevorderd en de in 2000-2002 verleende subsidie bepalend is voor de in de toekomst uit te betalen subsidie, zijn de gevolgen veel groter. Een aanvrager moet in alle gevallen opnieuw worden toegestaan om de premiewaardigheid van een perceel aan te tonen.

Een aanvrager kan vooraf niet informeren of de satellietbeelden uitwijzen dat een perceel wel of niet voldoet, terwijl de aanvrager achteraf op grond van dezelfde satellietbeelden wel wordt gestraft als het perceel niet aan de definitie akkerland voldoet. Bovendien zijn satellietbeelden niet altijd even duidelijk. Het is dan ook niet redelijk de bewijslast dat een perceel premiewaardig is, in alle gevallen bij de aanvrager neer te leggen. In het bestreden besluit is ten onrechte gesteld dat verweerder niet in staat was appellante eerder te informeren. De historische gegevens waren immers bij GeoRas beschikbaar. De bewuste keuze om aanvragers niet vooraf te informeren, maar achteraf steekproefsgewijs te controleren en hen dan met afwijkingen te confronteren, is onbegrijpelijk en valt verweerder aan te rekenen.

Na vaststelling van de subsidie kan de verleende subsidie slechts in beperkte gevallen worden teruggevorderd. Nu er geen feiten of omstandigheden aan het licht zijn gekomen die bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet bekend konden zijn en de subsidieontvanger wist noch behoorde te weten dat de subsidievaststelling onjuist was, heeft verweerder in strijd met artikel 4:49 Awb gehandeld.

Met ingang van het jaar 2006 wordt subsidie toegekend op basis van de referentiejaren 2000 tot en met 2002. De opgelegde boetes in de periode 2000-2002 zijn hierdoor buitenproportioneel en aldus in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

In het onderhavige geval moet worden aangenomen dat verweerder een fout heeft gemaakt die redelijkerwijs niet door de aanvrager kon worden ontdekt. Artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 staat aan terugvordering in de weg, omdat de subsidie langer dan een jaar na uitbetaling wordt teruggevorderd.

Appellante wijst ten slotte op een aantal bedrijfsspecifieke zaken. Zij pacht sinds 2001 een perceel van 7.79 ha. Dit perceel was in de referentiejaren in gebruik bij een andere eigenaar dan de verpachter. Navraag bij de zoon van de toenmalige eigenaar leerde dat van de oppervlakte van 7.79 ha een oppervlakte van 6.79 ha bouwland was en dat 1 ha grasland was. Dit is de reden dat voor 6.79 ha steun werd gevraagd. Overigens is zij niet in staat om perceelsgebonden tegenbewijs te verstrekken. De satellietbeelden van 1987 laten ruimte voor de teelt van maïs in de periode tussen de beelden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 25 december 2003 over het jaar 2003. Dat ontneemt appellante niet het recht om, als verweerder aan zijn bevindingen vervolgens de conclusie verbindt dat de toegekende premies over eerdere jaren moeten worden teruggevorderd, alsnog deze bevindingen ter discussie te stellen. In dit opzicht staat ieder besluit op zich. Derhalve komt appellante de vrijheid toe om te bewijzen, dat perceel 3 uit de aanvragen 2001 en 2002 aan de voorwaarden voor toekenning van akkerbouwsteun voldoet. Verweerder is van mening dat appellante hierin niet is geslaagd.

5.2 Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN AU4088), vergt de interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.3 Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de satellietbeelden van perceel 3 verkeerd zijn geïnterpreteerd en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als grasland. De stelling dat satellietbeelden van 1987 ruimte laten voor de teelt van maïs in de periode tussen de beelden, is hiervoor onvoldoende. Overigens heeft Honig ter zitting nog aangegeven dat op de satellietbeelden van 25 april 1987 en 2 oktober 1987 gras is te zien op perceel 3, terwijl het perceel ten oosten van perceel 3 kale grond respectievelijk maïs laat zien. Aangezien de grond op laatstgenoemd perceel op 25 april 1987 kennelijk al was bewerkt met het oog op de teelt van maïs en de maïs op 2 oktober 1987 nog op het perceel stond, is onwaarschijnlijk dat er op perceel 3 maïs is geteeld zonder dat hiervan op de satellietbeelden iets is waar te nemen. Appellante heeft voorts geen stuk overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld. De enkele stelling van appellante dat de zoon van de toenmalige eigenaar heeft aangegeven dat het perceel voldoet, is onvoldoende om hiervan uit te gaan.

Het College concludeert dan ook dat op basis van de vaststaande feiten niet geoordeeld kan worden dat perceel 3 in de jaren 1987 tot en met 1991 anders dan als grasland in gebruik is geweest.

5.4 Nu aan appellante voor de jaren 2001 en 2002 premie is verstrekt, terwijl achteraf is komen vast te staan dat zij hierop geen aanspraak kon maken, was verweerder ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehouden de premietoekenningen ongedaan te maken en de op basis van die toekenningen uitbetaalde bedragen terug te vorderen.

Het gaat hier, zoals het College ook in zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633; www.rechtspraak.nl, LJN AT8929) heeft overwogen, om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt. Nationale administratiefrechtelijke regelgeving, zoals het door appellante ingeroepen artikel 4:49 Awb, kan, gelet op de voorrang van het Europese recht, de omvang van een dergelijke verplichting niet beperken.

Het beroep van appellante op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan reeds niet slagen omdat appellante geen stuk heeft overgelegd en het College ook overigens niet over een stuk beschikt, waaruit blijkt dat verweerder de toezegging heeft gedaan dat niet tot terugvordering wordt overgegaan, indien op basis van teledetectieonderzoek niet kan worden vastgesteld dat een perceel premiewaardig is.

5.5 Ingevolge artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is de terugbetalingsplicht niet van toepassing, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Het betoog van appellante dat de toekenning van akkerbouwpremie over de jaren 2001 en 2002 een fout als hiervoor bedoeld oplevert, wijst het College van de hand. Aan toekenning van akkerbouwpremie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas in oktober 2003 op de hoogte geraakt van het feit dat het betrokken perceel niet voldeed, nadat GeoRas een teledetectiecontrole had uitgevoerd.

5.6 Verweerder was voorts verplicht de sanctie van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 toe te passen. Het College verwijst ter zake naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 2002, C-304/00, Jur. I-10737, inzake W.H. Strawson (Farms) Ltd en J.A. Gagg & Sons (a firm). Daaruit blijkt dat, indien een aanvrager gedurende enkele jaren achtereen een grotere oppervlakte aanvraagt dan geconstateerd wordt, als zulks eenmaal is vastgesteld en op basis daarvan de toekenning van steun herzien wordt, voor ieder van die jaren de uit Verordening (EEG) nr. 3887/92 dan wel Verordening (EG) nr. 2419/2001 voortvloeiende sancties opgelegd dienen te worden, onverminderd de verjaringstermijn bepaald in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95. Dit betekent dat ter zake van een gelijke overtreding in meerdere jaren achteraf over ieder jaar een sanctie moet worden opgelegd. Naar het Hof heeft vastgesteld, is zulks niet in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

Indien een aanvrager een aanvraag indient voor percelen waarvan hij niet aannemelijk kan maken dat deze aan de voorwaarden voldoen, komt dat voor zijn rekening en risico. Dat appellante haar aanvraag niet met opzet verkeerd heeft ingevuld, maakt dit niet anders.

5.7 Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas