Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU4659

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
20-10-2005
Zaaknummer
AWB 04/76
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/76 5 oktober 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: Denkavit Nederland B.V., voor wie optreedt mr. E.A. Buys, directeur,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.L. Bakker, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 27 januari 2004, bij het College binnengekomen op 28 januari 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 24 juni 2002, genomen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Bij uitspraak van 24 maart 2004 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van appellant niet ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 25 maart 2004 heeft appellant tegen deze uitspraak verzet aangetekend.

Bij uitspraak van 22 april 2004 heeft het College dit verzet gegrond verklaard.

Bij brief van 10 mei 2004 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Op 2 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 augustus 2004 heeft appellant een conclusie van repliek ingediend, waarna verweerder op 28 oktober 2004 een conclusie van dupliek heeft ingediend.

Op 14 september 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellant is verschenen mr. E.A. Buys en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (Pb 1999, L 160, blz. 21) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (...)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

In de preambule van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (Pb 2000, L 204, blz. 1), wordt onder meer het volgende overwogen:

" (21) De houders van de dieren, de vervoerders uitgezonderd, moeten voor de dieren op hun bedrijf een register bijhouden. De kenmerken van dat register moeten worden vastgesteld voor de gehele Gemeenschap. De bevoegde autoriteit moet deze registers kunnen inzien wanneer zij daarom verzoekt."

Deze verordening bepaalt voorts onder meer het volgende:

" Artikel 3

De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende

elementen:

(..)

d) individuele registers op elk bedrijf.

(...)

Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

(...)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

Artikel 24

1. Verordening (EG) nr. 820/97 wordt ingetrokken.

2. Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 820/97 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening (...). "

Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 1992, L 391, blz. 36), luidt, voorzover en ten tijde van belang, als volgt:

" Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

5. De controles ter plaatse worden onverwacht uitgevoerd. Een dergelijke controle mag echter worden aangekondigd, doch slechts zo lang van tevoren als

strikt noodzakelijk is en, als algemene regel, niet meer dan 48 uur van tevoren

(…).

6. De controles ter plaatse bij levende dieren in het kader van de betrokken steunregeling omvatten met name:

a) een controle om na te gaan of het totale aantal op het bedrijf aanwezige dieren dat voor de betrokken regeling in aanmerking komt, overeenstemt met het aantal voor die regeling in aanmerking komende dieren dat in het register is ingeschreven en aan het gecomputeriseerde gegevensbestand is gemeld overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97;

b) een controle aan de hand van het door de producent bijgehouden register om na te gaan of alle dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden voor de controle ter plaatse steunaanvragen zijn ingediend gedurende de gehele voorgeschreven periode zijn aangehouden en of de gegevens identiek zijn aan de aan het gegevensbestand meegedeelde gegevens. (...);

c) een steekproefcontrole van het register aan de hand van de bewijsstukken, bijvoorbeeld aankoop- en verkoopfacturen, slachtcertificaten, veterinaire certificaten en paspoorten zoals bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 820/97;

d) een controle om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige runderen waarvoor steunaanvragen zijn ingediend of in de toekomst kunnen worden ingediend, met oormerken en paspoorten zijn geïdentificeerd en in het register van het bedrijfshoofd zijn ingeschreven en zijn gemeld aan het gecomputeriseerd gegevensbestand overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97.

Artikel 7 ter

Behoudens overmacht wordt de aanvraag afgewezen indien een controle ter plaatse door toedoen van het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger niet kan plaatsvinden."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij verweerder in het jaar 2001 slachtpremie aangevraagd.

- Op 5 oktober 2001 heeft een fysieke controle op het bedrijf van appellant plaatsgevonden. Van de controle is een rapport opgemaakt. In dit rapport staat onder het kopje ‘controleresultaten’ onder meer vermeld dat de bewaartermijn van drie jaar met betrekking tot het bedrijfsregister niet in acht wordt genomen en dat er in de twaalf maanden voorafgaande aan de controledatum voor 444 dieren slachtpremie is aangevraagd. Voorts staat bij de vraag naar het aantal dieren waarvoor in die periode steun is aangevraagd en die niet in het bedrijfsregister zijn opgenomen, het aantal van nul dieren geprint, welk aantal handmatig is doorgehaald en is gecorrigeerd naar het aantal van 444. Verder staat onder het kopje ‘opmerkingen producent’ vermeld:

“oude gegevens i.v.m. minas bij boekhouder C”.

- Naar aanleiding van het controlerapport heeft verweerder bij besluit van 24 juni 2002 de aanvraag om slachtpremie afgewezen en de reeds betaalde voorschotbedragen teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 juli 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 1 april 2003 is appellant over zijn bezwaar gehoord.

- Bij brief van 17 juni 2003 heeft appellant de gronden van zijn bezwaar aangevuld. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“ Als tweede reden voert Laser aan, dat de “oude gegevens bij boekhouder ivm minas” waren. Op dit punt is het dossier vergelijkbaar met dat van de heer D. Naar de motivering van dat bezwaarschrift (…) wordt dan ook verwezen.”

- Laatstgenoemd bezwaarschrift betreft een brief van 8 mei 2003, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“ Fysieke controle D: uit de verklaring van de accountant van de heer D blijkt dat de staladministratie zich niet bij Denkavit bevond, maar dat de heer D deze informatie kort voor de controledatum aan zijn accountant had afgegeven teneinde te voldoen aan zijn boekhoudverplichtingen. De dieren waarop dit bedrijfsregister betrekking heeft, waren inmiddels al een half jaar daarvoor van het bedrijf van de heer D afgevoerd. De heer D heeft derhalve bij vergissing geen kopie van het op zijn bedrijf aanwezige bedrijfsregister, maar het bedrijfsregister zelf bij het (…) kantoor van zijn accountant afgegeven.”

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is appellantes bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen:

“ Ten aanzien van de oude gegevens die bij uw boekhouder lagen, merk ik op dat ook deze gedurende drie jaren ter beschikking moeten worden gehouden voor de controleur.

Doordat er geen bedrijfsregister aanwezig was tijdens de controle, was het niet mogelijk een controle uit te voeren zoals bepaalt in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 3887/92.

Gelet op de geconstateerde afwijking heeft de teammanager een sanctie opgelegd.

Met het ondertekenen van het deelnameformulier heeft u verklaard dat u bekend bent met de voorwaarden en verplichtingen als bepaald in de Regeling, Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad en Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie. U had derhalve op de hoogte kunnen en moeten zijn van het belang.

U heeft 2 uur voor de fysieke controle een aankondiging gehad betreffende de fysieke controle van 5 oktober 2001 op uw bedrijf. In de desbetreffende tijd was u in de gelegenheid om te zorgen dat het betreffende bedrijfsregister op uw bedrijf aanwezig was.

Gelet op het voorgaande stel ik vast dat het voor u zeer wel mogelijk is geweest om het bedrijfsregister ten tijde van de fysieke controle te overhandigen. U heeft vóór het moment van de controle het bedrijfsregister reeds kunnen ophalen bij Denkavit.

Gelet op het voorafgaande is mij vast komen te staan dat u niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, namelijk dat het bedrijfsregister te allen tijde ter beschikking staat van de bevoegde autoriteit.

Artikel 7 ter van Verordening (EG) nr. 3887/92 bepaalt dat behoudens overmacht de aanvraag wordt afgewezen indien een controle ter plaatse door toedoen van het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger niet kan plaatsvinden.

Doordat u geen bedrijfsregister heeft overhandigd tijdens de controle, was het niet mogelijk een controle uit voeren zoals bepaalt in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 3887/92, waardoor er op grond van artikel 7 ter van Verordening (EG) nr. 3887/92 geen slachtpremie kan worden toegekend aan alle runderen waarvoor premie is aangevraagd voorafgaande aan de fysieke controle.”

In het verweerschrift heeft verweerder, in reactie op het beroepschrift, hieraan nog het volgende toegevoegd:

“ Administratieve gegevens

Appellant stelt dat het bestreden besluit niet begrijpelijk is gemotiveerd, daar waar in dit besluit wordt vermeld dat de oude gegevens van appellant bij de boekhouder lagen. Appellant stelt dat hieruit niet voortvloeit dat appellant in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die hij heeft in het kader van de slachtpremieregeling nu het niet verboden is om bepaalde administratieve gegevens ter verwerking bij de boekhouder te hebben.

Dat er ook aan de hand van de oude (administratieve) gegevens door verweerder niet kon worden geconcludeerd dat er ten tijde van de controle op het bedrijf van appellant een bedrijfsregister was (nu deze gegevens bij de boekhouder lagen) maakt niet dat het bestreden besluit onbegrijpelijk is gemotiveerd.

Overigens staat het oordeel of aan de verplichting van bedrijfsregister is voldaan, los van het feit dat niet is voldaan aan de verplichting van appellant om ingevolge artikel 4.5, vierde lid, van de Regeling de bedrijfsadministratie ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin premie is aangevraagd op diens bedrijf te bewaren. Dit tekort is dan ook geen onderdeel van de motivering van het bestreden besluit.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende naar voren gebracht.

De op 5 oktober 2001 verrichte bedrijfscontrole had slechts betrekking op de op dat moment op het bedrijf aanwezige dieren en niet op de (444) dieren die op dat moment al van het bedrijf waren afgevoerd en waarvoor reeds slachtpremie was aangevraagd. Het bedrijfsregister met betrekking tot deze dieren was overigens gewoon op het bedrijf aanwezig, maar daar is niet naar gevraagd. Uit het controlerapport blijkt trouwens evenzeer dat er ten tijde van de controle met betrekking tot deze dieren geen afwijkingen zijn geconstateerd omdat bij de betreffende vraag op het controlerapport het aantal van nul afwijkingen staat vermeld en dit aantal eerst later handmatig is gecorrigeerd naar 444, waarbij naar het oordeel van appellant niet aannemelijk is dat deze correctie betrekking heeft op feiten en/of omstandigheden als gebleken ten tijde van de fysieke controle. Het controlerapport kan vanwege deze tegenstrijdigheid, naast ook andere tegenstrijdigheden in dit rapport, in ieder geval niet dienen als grondslag voor weigering van de slachtpremie.

Blijkens hetgeen verweerder in het verweerschrift heeft aangevoerd, berust het bestreden besluit ook niet op geconstateerde afwijkingen met betrekking tot reeds afgevoerde dieren.

Omdat voor de ten tijde van de fysieke controle aanwezige dieren wel een deugdelijk bedrijfsregister op het bedrijf aanwezig was, althans appellant geen verwijt kan worden gemaakt ter zake van bepaalde onregelmatigheden, bestaat er geen grondslag voor weigering van de aangevraagde slachtpremie.

5. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt allereerst dat, anders dan appellant heeft betoogd, er geen grond bestaat voor het oordeel dat de op 5 oktober 2001 verrichte fysieke controle geen of niet mede betrekking had op de 444 dieren die in de twaalf maanden voor deze controle reeds van het bedrijf waren afgevoerd en waarvoor door appellant slachtpremie was aangevraagd en een voorschot was verkregen. Onderdeel B 3 van het controlerapport, dat specifiek gaat over de dieren waarvoor in de twaalf maanden voorafgaand aan de controle slachtpremie is aangevraagd, is immers door de controleur ingevuld.

Dat voor de 444 dieren niet naar een bedrijfsregister zou zijn gevraagd, acht het College niet aannemelijk. Het rapport vermeldt immers expliciet dat de bewaartermijn van drie jaar voor het bedrijfsregister niet in acht is genomen. Er is geen reden te veronderstellen dat deze bevinding niet, althans niet mede, betrekking heeft op de dieren waarvoor premie is aangevraagd.

Voor de ter zitting van het College door appellant opgeworpen stelling dat het bedrijfsregister met betrekking tot de reeds afgevoerde dieren ten tijde van de controle op het bedrijf aanwezig was, kan geen steun worden gevonden in de stukken. Naast de hiervoor reeds genoemde vermelding in het controlerapport dat de bewaartermijn van drie jaar voor het bedrijfsregister niet in acht is genomen, vermeldt het controlerapport voorts dat de oude gegevens bij de boekhouder lagen in verband met de mestboekhouding. Bovendien heeft appellant tijdens de bezwaarprocedure, onder verwijzing naar dossier Verhoeven, ook zelf expliciet gesteld dat het bedrijfsregister met betrekking tot de reeds afgevoerde dieren zich ten tijde van de controle ter plaatse bij de boekhouder bevond.

Hoewel het beter was geweest als de controleur bij de punten B 3b en 3c van het controlerapport ‘niet van toepassing’ had ingevuld, omdat 3b en 3c betrekking hebben op de situatie dat juist wel een bedrijfsregister aanwezig is, brengt het feit dat de controleur hier (aanvankelijk) “0” heeft ingevuld niet mee dat appellant hieruit in redelijkheid de conclusie heeft kunnen trekken dat er ten aanzien van de 444 aangevraagde dieren geen afwijkingen zijn geconstateerd. Vaststaat immers, en voor appellant was dit ook bekend, dat appellant aan de controleur geen bedrijfsregister heeft getoond waarin de 444 dieren waren vermeld.

Indien de verscheidene onderdelen van het controlerapport in onderlinge samenhang worden bezien, is er, anders dan appellant meent, geen grond voor het oordeel dat het controlerapport niet als grondslag voor weigering van de premie heeft mogen dienen.

Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat verweerder blijkens het verweerschrift zijn afwijzing van de slachtpremie niet langer baseert op het ontbreken van een bedrijfsregister met betrekking tot de reeds van het bedrijf afgevoerde dieren. Het College verstaat hetgeen verweerder in het verweerschrift heeft aangevoerd aldus dat verweerder naast de verplichting een bedrijfsregister te voeren, de afzonderlijke verplichting onderscheidt dit bedrijfsregister drie jaar te bewaren. Uit het verweerschrift blijkt echter geenszins dat verweerder afstand heeft genomen van zijn stelling in het bestreden besluit dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting om te allen tijde een bedrijfsregister ter beschikking van de bevoegde autoriteit te houden.

Nu op grond van de beschikbare stukken ervan moet worden uitgegaan dat appellant tijdens de controle geen bedrijfsregister heeft kunnen tonen, heeft verweerder de aanvraag voor slachtpremie terecht op grond van artikel 7 ter van Verordening (EEG) nr. 3887/92 afgewezen. Het College verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 2001 (C-131/00, Jur. 2001, I-10165, zaak-Nilsson), waarin is uitgemaakt dat het ontbreken van gegevens in een bedrijfsregister een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie oplevert, omdat daardoor het in Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt. Volgens het Hof dient een steunaanvraag dan te worden afgewezen. Het bestreden besluit is hiermee in lijn.

Uit het voorgaande volgt dat ook de stelling dat appellant geen schuld treft, moet worden verworpen. Hem treft wel degelijk schuld van het niet op het bedrijf ter beschikking stellen aan de controleur van het bedrijfsregister.

Gelet op het vorenstaande kan en zal het College voorbij gaan aan de vraag of voor de ten tijde van de fysieke controle op het bedrijf aanwezige dieren een deugdelijk bedrijfsregister aanwezig was en behoeft hetgeen partijen hierover in het kader van de onderhavige procedure hebben aangevoerd geen vermelding in deze uitspraak.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R.P.H. Rozenbrand