Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU3649

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-09-2005
Datum publicatie
03-10-2005
Zaaknummer
AWB 04/250
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Aanbesteding van concessie

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Kaderwet bestuur in verandering
Wet personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 10 met annotatie van J.H. van der Veen
Module Aanbesteding 2005/281
JAAN 2007/0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/250 20 september 2005

14917 Wet personenvervoer 2000

Aanbesteding van concessie

Uitspraak in de zaak van:

het College van Burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo, te Geldrop, appellante,

gemachtigde: R.M. van der Krieken, werkzaam bij appellante,

tegen

het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, te Eindhoven, verweerder,

gemachtigden: mr. L.C.A. Nuyts en ing. E.M. Broekhof, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 25 maart 2004 heeft het College van appellante een op 12 februari 2004 gedateerd beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 2003. Dit beroepschrift werd met toepassing van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan het College doorgezonden door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch. Daar was het op 23 februari 2004 binnengekomen, na eerdere doorzending aan die rechtbank door verweerder waar het op 16 februari 2004 is binnengekomen.

Bij dit besluit heeft verweerder de aan Hermes Groep N.V. (hierna: Hermes) bij besluit van 28 mei 2001 verleende concessie voor het verrichten van openbaar vervoer voor de gebieden "Stadsagglomeratienet Eindhoven" en "de Peel" (hierna: concessie) tot 1 januari 2006 verlengd en gewijzigd vastgesteld in de zin van artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000.

Op 17 mei 2004 heeft verweerder onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken een 21 april 2004 gedateerd verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 juni 2004 heeft appellante op het verweerschrift van verweerder gereageerd.

Hierop heeft verweerder bij brief van 29 juni 2004, aangevuld bij brief van 6 juli 2004, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 9 augustus 2005. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt toegelicht. Tevens is verschenen mr. F.H. Tilburgs, werkzaam bij Hermes.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7:1 van de Awb luidt als volgt:

"Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op de administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken (…)"

De Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) houdt, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende in:

"Artikel 19

1. Het is verboden openbaar vervoer te verrichten zonder daartoe verleende concessie.

(…)

Artikel 20

1. Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer zijn gedeputeerde staten, met uitzondering van concessies die worden verleend voor openbaar vervoer in een samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet bestuur in verandering. De concessies in een samenwerkingsgebied worden verleend, gewijzigd of ingetrokken door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam voor dat samenwerkingsgebied.

(…)

Artikel 21

Gedupeerde Staten dragen zorg voor de coördinatie en afstemming van het openbaar vervoer in de provincie, met uitzondering van de samenwerkingsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet bestuur in verandering.

Artikel 105

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

(…)"

Artikel 29 van de Kaderwet bestuur in verandering (Kaderwet) luidt:

"Indien het bestuur van een in het samenwerkingsgebied liggende gemeente beroep tegen een besluit van het bestuur van een regionaal openbaar lichaam instelt, is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Het bestreden besluit is op 24 december 2003 gepubliceerd in de huis-aan-huisbladen "Groot-Eindhoven", "Middenstandsbelang" en "Traverse", die in de toenmalige gemeenten Geldrop en Mierlo worden verspreid.

- In bijlage 2 die van dit besluit deel uitmaakt, heeft verweerder onder meer met betrekking tot buslijn 20 in het hiervoor genoemde concessiegebied, uit te voeren door Hermes, het volgende vastgesteld.

Lijn Route

Helmond-Asten-Someren-Lierop-Geldrop-Eindhoven

- Appellante heeft onder meer een afschrift van twee mailberichten van 29 januari 2004 van verweerder en appellante overgelegd, blijkens welke een medewerker van appellante aan een medewerker van verweerder heeft gevraagd naar de exacte data van publicatie en bezwarentermijn, waarop laatstbedoelde heeft geantwoord dat de datum van publicatie afhankelijk is van het persblad rond 24 december 2003 en dat de bezwarentermijn tot 16 februari 2004 loopt.

3. Het standpunt van verweerder

Van de kant van verweerder is de vraag aan de orde gesteld of appellante ontvankelijk is in het beroep en of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu weliswaar een ambtenaar van verweerder aan appellante bij mailbericht van 29 januari 2004 heeft meegedeeld dat in het kader van het bestreden besluit de bezwarentermijn tot 16 februari 2004 loopt, maar anderzijds verweerder de wettelijke vereisten en termijnen in acht dient te nemen.

Het beleid van verweerder is erop gericht alle kernen binnen het concessiegebied minimaal te voorzien van een buurtbus. De kern Lierop dreigde niet langer een voorziening in vorenstaande zin te krijgen. Daarom heeft verweerder besloten om de concessievoorwaarden voor buslijn 20 te wijzigen en hierin de verbinding Someren-Lierop-Geldrop-Eindhoven op te nemen. In de concessievoorwaarden in bijlage 2 zijn slechts de kernen die de bussen moeten aandoen en de onderlinge verbindingen tussen die kernen opgenomen en niet de route of dienstregeling van de buslijnen. Routering is een aangelegenheid en bevoegdheid van de vervoerder. Weliswaar heeft overleg tussen verweerder, appellante en vervoerder Hermes, de huidige concessiehouder, plaatsgevonden over de route van buslijn 20 binnen Geldrop, maar deze route is uiteindelijk door Hermes vastgesteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, voor zover van belang, het volgende aangevoerd.

Sprake is van een ontvankelijk beroep, nu appellante het beroepschrift tijdig heeft ingediend. Appellante heeft geen kennis kunnen nemen van de publicatie van het bestreden besluit in de huis-aan-huisbladen in verband met de sluiting van het gemeentehuis wegens samenvoeging van de gemeentes Geldrop en Mierlo gedurende de laatste twee weken van december 2004. Als gevolg hiervan wist appellante niet wanneer de bezwaarschrifttermijn zou aanvangen en eindigen.

Appellante verwachtte echter wel dat verweerder op enig moment een wijzigingsbesluit met betrekking tot de concessie zou nemen. In verband hiermee heeft appellante verweerder bij mailbericht van 29 januari 2004 verzocht om haar de datum van publicatie van het concessiebesluit, alsmede de bezwaartermijn ter zake mede te delen.

De voor het project verantwoordelijke ambtenaar van verweerder heeft appellante vervolgens bij mailbericht van 29 januari 2004 meegedeeld dat de bezwarentermijn tot 16 februari 2004 liep. Op grond van deze mededelingen heeft appellante op 12 februari 2004 haar bezwaren ingediend.

Appellante heeft van de juistheid mogen uitgaan van de door de ambtenaar van verweerder verstrekte informatie.

Appellante kan zich niet vinden in de invulling van de gewijzigde route van buslijn 20 in Geldrop. In dit kader heeft zij aangevoerd dat door de wijziging van de route het zuidelijk deel van Geldrop verstoken blijft van openbaar vervoer. Verder is hierdoor het St-Annaziekenhuis slecht bereikbaar. Het ziekenhuis is slechts bereikbaar met lijn 10. De huidige haltes liggen op een te grote afstand van dit ziekenhuis. De buurtbus biedt onvoldoende soulaas omdat die bus na 13.15 uur en op zondagen niet rijdt, terwijl de bezoekuren zijn gelegen in de middag en avond. Halteren op de Mierloseweg is geen optie vanwege de drukte aldaar. Het realiseren van een buiten de rijweg gelegen halte is niet mogelijk. Ook heeft de wijziging tot gevolg dat lijn 20 nu grotendeels dezelfde route rijdt als lijn 24, namelijk van Mierlo via Geldrop naar Eindhoven. Appelante geeft om die reden de voorkeur aan het oude traject. Verweerder dient derhalve de route van buslijn 20 in Geldrop te wijzigen, in die zin dat de route in het vervolg via het zuidelijk deel van Geldrop loopt via de Johan Peijnenburgweg, Dommeldaalseweg, Laan de Vierheemskinderen, Gijzenrooiseweg en Eindhovensweg.

Desgevraagd door het College heeft de vertegenwoordiger van appellante ter zitting bevestigd, dat appellante geen grieven gericht tegen de wijziging van de concessie kan aangeven en dat appellante evenmin bezwaar heeft tegen de wijze waarop in de concessie de woonkernen en de onderlinge verbindingen zijn aangegeven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep overweegt het College als volgt.

Het College stelt voorop dat met toepassing van artikel 6:15, derde lid, Awb voor de beoordeling

van de tijdigheid van het beroep moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst van het beroepschrift bij verweerder.

Het College stelt vast dat ingevolge het bepaalde bij de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb juncto het bepaalde in artikel 1 van de Algemene Termijnenwet en artikel 29 van de Kaderwet voor appellante de beroepstermijn aanving op 29 december 2003 en eindigde op 9 februari 2004.

Hieruit volgt dat appellante haar op 12 februari 2004 gedateerde en door verweerder op 16 februari 2004 ontvangen beroepschrift, te laat heeft ingediend.

Het College ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of gelet op het bepaalde bij artikel 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de beroepstermijn achterwege kan blijven, omdat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellante terzake in verzuim is geweest. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend.

Bij het oordeel van het College wordt het volgende betrokken.

Verweerder heeft verklaard dat hij het bestreden besluit bekend heeft gemaakt door publicatie op 24 december 2003 in een drietal huis-aan-huis-bladen, die in de toenmalige gemeenten Geldrop en Mierlo worden verspreid. Hierbij dient te worden betrokken de verklaring van appellante omtrent de sluiting van haar gemeentehuis. In dit kader heeft appellante onweersproken uiteengezet dat haar gemeentehuis gedurende de laatste twee weken van december 2004 gesloten was wegens samenvoeging van de gemeenten Geldrop en Mierlo. Aangezien het hierdoor voor haar niet mogelijk was om kennis te nemen van de bladen en het daarin gepubliceerde besluit, heeft appellante aanleiding gevonden om te informeren naar de datum van de publicatie van het besluit, en de bezwaartermijn ter zake. Een en ander heeft geleid tot de hiervoor in rubriek 1 weergegeven, mededeling van een ambtenaar van verweerder bij mailbericht van 29 januari 2004 aan appellante, dat tegen het onderhavige besluit tot 16 februari 2004 bezwaar kon worden gemaakt. Hieruit volgt dat appellante ruim binnen de beroepstermijn navraag heeft gedaan bij de betrokken ambtenaar van verweerder en ook binnen die termijn antwoord heeft ontvangen.

Naar het oordeel van het College mocht appellante onder deze omstandigheden afgaan op de juistheid van de namens verweerder gedane mededeling dat tegen het onderhavige besluit tot 16 februari 2004 bezwaar kon worden gemaakt.

Tenslotte wordt overwogen dat het beroepschrift voor het einde van de namens verweerder aangegeven termijn ter post is bezorgd, nu verweerder het beroepschrift op 16 februari 2004 heeft ontvangen. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

5.2 Wat betreft het betoog van appellante dat verweerder in het bestreden besluit niet op goede gronden heeft beslist tot wijziging van de concessie, overweegt het College als volgt.

Appellante heeft in het beroepschrift vermeld dat zij bezwaar maakt tegen het onderhavige besluit tot wijziging van de concessie aan Hermes. Het College stelt vast dat appellante in het voorliggende geval evenwel geen grieven heeft ontwikkeld tegen de wijziging van de concessie. Daarnaar ter zitting gevraagd, heeft appellante te kennen gegeven dat zij geen grieven gericht tegen de wijziging van de concessie kan aangeven. Ook heeft zij verklaard dat zij geen bezwaren heeft tegen de kernplaatsen en de onderlinge verbindingen, zoals neergelegd in de hiervoor in rubriek 1 weergegeven concessievoorwaarden in bijlage 2 van het bestreden besluit.

De grieven die door appellante wel zijn ontwikkeld, zijn alle gericht tegen de wijziging van de route van buslijn 20. Immers, naar appellantes gemachtigde ter zitting heeft verklaard, heeft zij uitsluitend bezwaren tegen de invulling van de in bijlage 2 van het beroepen besluit neergelegde gewijzigde route van buslijn 20 in Geldrop, voor zover hierdoor het zuidelijk deel van Geldrop verstoken blijft van openbaar vervoer en het Sint-Annaziekenhuis in Geldrop minder goed bereikbaar wordt. Deze materie is in het onderhavige beroep evenwel niet aan de orde, nu de bewuste routering niet door verweerder doch door de vervoerder, Hermes, is vastgesteld en dientengevolge geen onderdeel uitmaakt van het beroepen besluit. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht over de route van buslijn 20 in Geldrop raakt de hier aan de orde zijnde beslissing over de wijziging van de concessie aldus niet. De grieven kunnen derhalve geen doel treffen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 september 2005.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund