Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU3248

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-09-2005
Datum publicatie
27-09-2005
Zaaknummer
AWB 03/110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/110 6 september 2005

16080 Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. S.C. Vissering-van der Reijt en mr. F. Nijnuis, (destijds) werkzaam bij Bureau Heffingen, thans Dienst Regelingen, te Assen.

1. De procedure

Op 15 januari 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant, gericht tegen verweerders mededeling van 28 september 2001 dat appellant niet in aanmerking komt voor pluimveerechten.

Nadat appellant bij brief van 11 februari 2003 de gronden van het beroep heeft aangevuld, heeft het College op 12 maart 2003 het verweerschrift ontvangen.

Op 9 december 2003 heeft het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, bij welke gelegenheid appellant, vergezeld van zijn toenmalige gemachtigde ing. J.G.C. van Schaik, en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Op 24 december 2003 heeft verweerder aan appellant alsnog pluimveerechten toegekend, waarna de toenmalige gemachtigde van appellant het College op 9 februari 2004 heeft bericht daarin geen aanleiding te zien het beroep in te trekken. Hiertoe is namens appellant aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de late toekenning van pluimveerechten.

Vervolgens heeft het College het onderzoek in de zaak bij beslissing van 26 februari 2004 heropend.

Verweerder heeft bij brief van 29 maart 2004 een reactie gegeven op de door appellant gestelde schade en vervolgens bij brief van 11 mei 2004 aan het College bericht dat een gesprek met appellant op 15 april 2004 hem niet tot een ander standpunt heeft geleid.

Bij brief van 17 november 2004 heeft appellant meegedeeld dat hij zijn bedrijf heeft verkocht en heeft hij gesteld dat hij daarvoor een aanmerkelijk hogere opbrengst zou hebben ontvangen indien hij destijds al over pluimveerechten zou hebben beschikt. Bovendien zou hij dan hebben kunnen deelnemen aan de Regeling Beëindiging Veehouderijen, waardoor hij voor de pluimveerechten € 131.905,- zou hebben kunnen ontvangen. De alsnog toegekende pluimveerechten heeft appellant verkocht voor € 74.163,-, zodat hij zijn schade begroot op tenminste (131.905 - 74.163=) € 57.742,-

Op 30 november 2004 heeft het College de zaak andermaal ter zitting behandeld, alwaar appellant en zijn echtgenote en verweerders gemachtigde Nijnuis zijn verschenen.

Bij brief van 14 december 2004 heeft verweerder het College meegedeeld geen aanleiding te zien appellant een rentevergoeding toe te kennen terzake van de door hem verkochte pluimveerechten.

Vervolgens heeft het College het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Meststoffenwet (hierna: Mw) luidt voorzover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende voor de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgaven ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van (…) samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk V, de Wet verplaatsing mestproductie (…) gestelde regels;

(…)

Hoofdstuk V (…)

Titel 2 Stelsel van pluimveerechten

(..)

Artikel 58g

1. de omvang van het voor een bedrijf geldende pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 58c wordt bepaald overeenkomstig deze paragraaf.

2. Voor de toepassing van deze paragraaf geldt 1997 als referentiejaar, tenzij ten aanzien van een daartoe door de belanghebbende aangemeld bedrijf 1995 of 1996 als referentiejaar is gekozen.

(…)

Artikel 58h

1. Het pluimveerecht komt overeen met de in het referentiejaar op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen.

(…)

Artikel 58i

1. Het pluimveerecht van een door samenvoeging van bedrijven ontstaan bedrijf komt, indien de registratie van de kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot de samenvoeging in het referentiejaar heeft plaatsgevonden, overeen met de som van de in dat jaar op de oorspronkelijke bedrijven en het na samenvoeging ontstane bedrijf geproduceerde hoeveelheden dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen, zoals deze hoeveelheden over het hele jaar zijn gemiddeld.

2. Het pluimveerecht van een door samenvoeging van bedrijven ontstaan bedrijf komt, indien de registratie van de kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot de samenvoeging na het referentiejaar heeft plaatsgevonden en de kennisgeving is gedaan vóór 6 november 1998, overeen met de som van de in het referentiejaar op de oorspronkelijke bedrijven geproduceerde hoeveelheden dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteerde tot eind 2003 een landbouwbedrijf op het adres C te B. Dit bedrijf werd aanvankelijk door appellant en zijn vader afzonderlijk onder twee aparte mestnummers (X en Y) geëxploiteerd.

- Na overname van het bedrijf van zijn vader in 1988 heeft appellant de exploitatie onder beide hiervoor vermelde mestnummers voortgezet.

- In verband met het ongemak dat het werken met twee mestnummers voor appellant meebracht, heeft hij in december 1999 aan Bureau Heffingen verzocht de twee mestnummers samen te voegen. Vervolgens is aan appellant voor het gehele bedrijf één nieuw mestnummer (Z) is toegekend.

- Naar aanleiding van het met ingang van 1 januari 2001 ingevoerde stelsel van pluimveerechten heeft Bureau Heffingen op 12 februari 2001 van appellant een formulier "melding pluimveerechten" ontvangen, waarop appellant heeft aangegeven dat hij in aanmerking wil komen voor het maximale aantal pluimveerechten.

- Bij brief van 28 september 2001 heeft Bureau Heffingen aan appellant bericht dat hij niet in aanmerking komt voor pluimveerechten. Blijkens deze brief is de reden hiervan dat het bedrijf met het mestnummer Z na 6 november 1998 door samenvoeging is ontstaan.

- Bij brief van 1 oktober 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ontvankelijk, maar ongegrond verklaard.

De ongegrondverklaring van het bezwaar is gebaseerd op artikel 58i Mw, dat slechts regels bevat voor de berekening van het pluimveerecht van vóór 6 november 1998 - eventueel in het referentiejaar - samengevoegde bedrijven. De datum van 6 november 1998 hangt samen met het feit dat op die datum de Minister van (destijds) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een brief aan de Tweede Kamer heeft gezonden waarin de hoofdlijnen van de maatregelen in de pluimveehouderij die hebben geleid tot invoering van hoofdstuk V van de Mw per 1 januari 2001, zijn aangekondigd. Om die reden wordt met gebeurtenissen van na 6 november 1998 geen rekening gehouden. Nu in dit geval sprake is van een pas na evengenoemde datum door samenvoeging ontstaan bedrijf, kunnen de mestproductie-gegevens van de voorheen afzonderlijk onder de mestnummers X en Y geregistreerde bedrijven niet worden meegenomen bij berekening van het pluimveerecht van het nieuwe samengevoegde bedrijf.

In het verweerschrift heeft verweerder zich bij nader inzien op het standpunt gesteld dat de brief van 28 september 2001 geen besluit behelst, zodat appellant ten onrechte ontvankelijk is geacht in zijn bezwaar.

Ter zitting van 30 november 2004 is namens verweerder aangevoerd dat weliswaar is overgegaan tot het alsnog berekenen van pluimveerechten voor appellant, maar verweerder hiertoe naar zijn opvatting niet verplicht was.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Feitelijk heeft appellant, ook al was sprake van twee mestnummers, al ruimschoots voor de toekenning van één nieuw mestnummer één bedrijf gevoerd. Toen hij bij Bureau Heffingen de formulieren aanvroeg tot samenvoeging van die twee mestnummers is hij er niet op gewezen dat dit risico's meebracht voor zijn aanspraak op pluimveerechten. Appellant acht het onaanvaardbaar dat hij, hoewel hij in de referentiejaren pluimvee hield op basis van daartoe bestemde mestproductierechten en er afgezien van het nieuw toegekende mestnummer niets aan zijn bedrijfsvoering is gewijzigd, aanvankelijk niet in aanmerking is gebracht voor pluimveerechten. Hij heeft nog belang bij een uitspraak van het College met betrekking tot het inmiddels gewijzigde bestreden besluit, omdat hij schade heeft geleden door het late tijdstip waarop aan hem alsnog pluimveerechten zijn toegekend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (o.m. uitspraak van 30 januari 2003 in de zaak AWB 02/506, www.rechtspraak.nl, LJN AF4088) stelt het College voorop dat behoudens in de hardheidsgevallen geregeld in artikel 58k Mw, de hoogte van het pluimveerecht rechtstreeks voortvloeit uit de Mw en mededelingen dienaangaande van Bureau Heffingen derhalve geen besluiten behelzen.

Nu in het onderhavige geval een (beroep op een) hardheidsgeval in de zin van evengenoemd artikel niet aan de orde is, brengt het vorenstaande mee dat verweerder appellant bij het bestreden besluit ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de mededeling van 28 september 2001.

Het beroep is om die reden gegrond. Gelet op het vorenstaande zal het College zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op € 322,- (1 punt voor het optreden van de gemachtigde ter zitting van 9 december 2003). Voorts zal het College op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht door de Staat dient te worden vergoed.

5.2 Het vorenstaande brengt mee dat appellant met betrekking tot de door hem gestelde schade wegens de late toekenning van pluimveerechten uitsluitend een vordering kan instellen bij de burgerlijke rechter, hetgeen overeenkomstig artikel 8:71 Awb in het dictum van deze uitspraak wordt vermeld.

Geheel ten overvloede wijst het College op het volgende.

De hoofdregel van het stelsel van pluimveerechten is vervat in artikel 58h, eerste lid, Mw. Op grond van dit artikel komt het pluimveerecht van een bedrijf overeen met de in het referentiejaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen. In de Mw wordt - zoals blijkt uit de hiervoor in 2.1. weergegeven definitiebepaling - met betrekking tot het begrip 'bedrijf' voorzover hier van belang gesteld dat het moet gaan om "een geheel van productie-eenheden" dat uitsluitend of onder meer dient tot de uitoefening van de landbouw, alsmede dat zulks wordt "beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden", waaraan is toegevoegd dat "in ieder geval" het geheel van productie-eenheden, dat - kort gezegd - in verband met het toezicht op de naleving van de mestwetgeving als één bedrijf geregistreerd is.

Het is het College bekend dat de registratie van bedrijven bij (voorheen) Bureau Heffingen plaatsvindt aan de hand van zogenoemde mestnummers. Anders dan verweerder kennelijk veronderstelt, is daarmee echter geenszins gegeven dat indien sprake is van een nieuw mestnummer, het bedrijf dat eerder onder (een) ander(e) mestnummer(s) geregistreerd stond, niet meer zou bestaan. Juist de verwijzing naar de feitelijke omstandigheden en de passage "het na (…) opgaven ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van (…) samenvoeging" in artikel 1, aanhef en onder j, Mw maken dat de enkele uitgifte/toekenning van een nieuw mestnummer op zich zelf niet betekent en evenmin kan betekenen dat sprake zou zijn van een volstrekt ander "geheel van productie-eenheden" en daarmee van een ander bedrijf, dan het eerdere onder (een) ander(e) mestnummer(s) geregistreerd bedrijf.

Appellant heeft onweersproken gesteld dat het gehele bedrijf op het adres C te B reeds sinds 1988 en dus in elk geval gedurende elk van de ingevolge artikel 58g Mw mogelijke referentiejaren uitsluitend door hem is geëxploiteerd en dat er derhalve al die tijd al sprake is geweest van één - feitelijk reeds samengevoegd - bedrijf.

Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant door de eerst na 6 november 1998 verzochte en gerealiseerde "samenvoeging van bedrijven", dat wil zeggen het voorzien van één mestnummer voor hetgeen reeds voordien feitelijk als één bedrijf werd geëxploiteerd, enig door de wetgever niet beoogd voordeel zou hebben kunnen genieten. Het College wijst er in dit verband nog op dat gelet op het stelsel van pluimveerechten ingevolge de Mw vast staat dat een "samenvoeging van mestnummers" na inwerkingtreding van het stelsel van pluimveerechten wel tot berekening (en optelling) van aan de voorheen afzonderlijke mestnummers toekomende pluimveerechten zou hebben geleid.

Onder deze omstandigheden lijkt het standpunt van verweerder dat hij juridisch niet gehouden was tot toekenning van pluimveerechten aan appellant onjuist.

Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit:

- verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de mededeling van 28 september 2001 en bepaalt dat deze

uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, vastgesteld op € 322,- en te vergoeden door de Staat;

- bepaalt dat de Staat het door appellant in verband met zijn beroep betaalde griffierecht ad € 109,- vergoedt.

- verstaat dat appellant zich met zijn vordering tot vergoeding van schade in verband met de late toekenning van

pluimveerechten uitsluitend tot de burgerlijke rechter kan wenden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining