Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU1280

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
23-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/77
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/77 13 juli 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: Denkavit Nederland B.V., voor wie optreedt mr. E.A. Buys, directeur,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 27 januari 2004, bij het College binnengekomen op 28 januari 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 24 juni 2002, genomen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Bij besluit van 6 februari 2004 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Dit besluit is in de plaats gekomen van het besluit van 17 december 2003, dat daarmee is komen te vervallen.

Bij brief van 8 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 oktober 2004 heeft appellant een conclusie van repliek ingediend, waarna verweerder op 20 december 2004 een conclusie van dupliek heeft ingediend.

Op 3 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door mr. E.A. Buys en door C, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, aanwezig waren.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (Pb 1999, L 160, blz. 21) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (...)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

In de preambule van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (Pb 2000, L 204, blz. 1), wordt onder meer het volgende overwogen:

" (21) De houders van de dieren, de vervoerders uitgezonderd, moeten voor de dieren op hun bedrijf een register bijhouden. De kenmerken van dat register moeten worden vastgesteld voor de gehele Gemeenschap. De bevoegde autoriteit moet deze registers kunnen inzien wanneer zij daarom verzoekt."

Deze Verordening bepaalt voorts onder meer het volgende:

" Artikel 3

De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende elementen:

(..)

d) individuele registers op elk bedrijf.

(...)

Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

(...)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

Artikel 24

1. Verordening (EG) nr. 820/97 wordt ingetrokken.

2. Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 820/97 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening (...). "

Verordening (EG) nr. 2629/97 van de Commissie van 29 december 1997, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad inzake oormerken, bedrijfsregisters en paspoorten overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor runderen (Pb 1997, L 354, blz. 19), voorzover hier van belang, bepaalt:

" Artikel 8

Het register bevat ten minste het volgende:

a) de meest recente gegevens als bedoeld in artikel 14, lid 3, punt C.1, eerste tot en met vierde streepje, van Richtlijn 64/432/EEG;

b) de datum waarop het dier op het bedrijf is doodgegaan;

c) in het geval van dieren die het bedrijf verlaten, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, of de identificatiecode van het bedrijf naar wie of waarnaar het dier is gebracht, en de datum van vertrek;

d) in het geval van dieren die op het bedrijf aankomen, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, of de identificatiecode van het bedrijf van wie of waarvan het dier is gekomen, en de datum van aankomst;

e) de naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit die het register heeft gecontroleerd en de datum waarop de controle is verricht."

Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 1992, L 391, blz. 36), luidt, voorzover en ten tijde van belang, als volgt:

" Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

5. De controles ter plaatse worden onverwacht uitgevoerd. Een dergelijke controle mag echter worden aangekondigd, doch slechts zo lang van tevoren als strikt noodzakelijk is en, als algemene regel, niet meer dan 48 uren van tevoren

(…).

6. De controles ter plaatse bij levende dieren in het kader van de betrokken steunregeling omvatten met name:

a) een controle om na te gaan of het totale aantal op het bedrijf aanwezige dieren dat voor de betrokken regeling in aanmerking komt, overeenstemt met het aantal voor die regeling in aanmerking komende dieren dat in het register is ingeschreven en aan het gecomputeriseerde gegevensbestand is gemeld overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97;

b) een controle aan de hand van het door de producent bijgehouden register om na te gaan of alle dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden voor de controle ter plaatse steunaanvragen zijn ingediend gedurende de gehele voorgeschreven periode zijn aangehouden en of de gegevens identiek zijn aan de aan het gegevensbestand meegedeelde gegevens. (...);

c) een steekproefcontrole van het register aan de hand van de bewijsstukken, bijvoorbeeld aankoop- en verkoopfacturen, slachtcertificaten, veterinaire certificaten en paspoorten zoals bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 820/97;

d) een controle om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige runderen waarvoor steunaanvragen zijn ingediend of in de toekomst kunnen worden ingediend, met oormerken en paspoorten zijn geïdentificeerd en in het register van het bedrijfshoofd zijn ingeschreven en zijn gemeld aan het gecomputeriseerd gegevensbestand overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

De Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) luidde, ten tijde en voor zover van belang, als volgt:

" Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

a. op zijn bedrijf, blijkens het I & R-register gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden;

b. blijkens het I & R-register binnen een maand na afloop van de in onderdeel a genoemde periode worden geslacht in een abattoir waarvan de houder overeenkomstig artikel 18 van de PVV-verordening een register bijhoudt, dan wel in een andere lidstaat worden geslacht of worden uitgevoerd naar een derde land, en

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 820/97 zijn geïdentificeerd en geregistreerd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij verweerder in het jaar 2001 slachtpremie aangevraagd.

- Op 9 januari 2002 heeft een fysieke controle op het bedrijf van appellant plaatsgevonden. Van de controle is een rapport opgemaakt.

- Naar aanleiding van het controlerapport heeft verweerder bij besluit van 24 juni 2002 de aanvraag om slachtpremie gedeeltelijk goedgekeurd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 augustus 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 1 april 2003 is appellant over zijn bezwaren gehoord.

- Bij brief van 8 mei 2003 heeft appellant verweerder nog nadere informatie verschaft.

- Vervolgens heeft verweerder het bezwaar bij besluit van 17 december 2003 ongegrond verklaard. Dit besluit is nadien vervangen door het besluit van 6 februari 2004, waarbij het bezwaar eveneens ongegrond is verklaard.

3. Het bestreden besluit van 6 februari 2004

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover voor deze procedure van belang, het volgende overwogen:

" Uit het controlerapport (8220) maak ik het volgende op.

Tijdens de fysieke controle is geconstateerd dat er geen bedrijfsregister op uw bedrijf met UBN nummer * aanwezig was.

In bezwaar is ook niet aannemelijk geworden dat u ten tijde van de controle wel de beschikking had over het bedrijfsregister.

Te dien aanzien overweeg ik als volgt.

Nu vaststaat dat er geen bedrijfsregister op uw bedrijf met UBN nummer * aanwezig was ten tijde van de fysieke controle, heeft de teammanager terecht vastgesteld dat de registratie van de runderen, waarvoor slachtpremie is aangevraagd in de 12 maanden voorafgaande aan de controle, niet voldoet aan artikel 21 van Verordening (EG) 1254/99 en artikel 4.6, sub c, van de Regeling. Derhalve kan voor deze runderen geen slachtpremie worden toegekend.

Met betrekking tot de 100% korting opgelegd vanwege de onregelmatigheden geconstateerd tijdens de fysieke controle, verklaar ik uw bezwaren ongegrond."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in beroep tegen het besluit van 6 februari 2004 in hoofdzaak het volgende naar voren gebracht:

" 1. Appellant heeft bij brief d.d. 8-5-2003 de volgende nadere toelichting op het bezwaarschrift aan verweerder gegeven:

Fysieke controle A: uit de verklaring van de accountant van A (...) blijkt dat de staladministratie zich niet bij Denkavit bevond, maar dat A deze informatie kort voor de controledatum aan zijn accountant had afgegeven teneinde te voldoen aan zijn boekhoudverplichtingen. De dieren waarop dit bedrijfsregister betrekking heeft, waren inmiddels al een half jaar daarvoor van het bedrijf van A afgevoerd. A heeft derhalve bij vergissing geen kopie van het op zijn bedrijf aanwezige bedrijfsregister, maar het bedrijfsregister zelf bij het (op slechts 7,5 kilometer afstand van zijn bedrijf gelegen) kantoor van zijn accountant afgegeven. U wordt verzocht om in het kader van de heroverweging van het premiebesluit deze werkelijke toedracht mee te nemen, alsmede mee te wegen dat de verhouding tussen de 100%- korting op uit te betalen slachtpremies (EUR 53 X 404 kalveren = EUR 21.412) en de vergissing van A werd veroorzaakt door zijn wens om te voldoen aan al zijn administratieve verplichtingen, zoek lijkt te zijn. Deze gevolgen vallen namelijk wel heel erg ten nadele van A uit.

2. Door verweerder wordt in de bestreden besluiten in het geheel niet ingegaan op deze motivering van het bezwaar van Appellant. Appellant is van mening dat de feitelijke situatie ten tijde van de fysieke bedrijfscontrole een rol dient te spelen bij de beoordeling of de door Appellant aangevraagde slachtpremies worden toegekend of geheel of gedeeltelijk worden gekort. Appellant beschikte ten tijde van de controle over het vereiste bedrijfsregister. Het betreffende stallencomplex aan de D stond op dat moment reeds een half jaar leeg en Appellant had de staladministratie meegenomen naar zijn accountant teneinde die accountant ervoor te kunnen laten zorgen dat hij aan zijn boekhoudverplichtingen voldeed. Het kantoor van die accountant was vlakbij de stallocatie gelegen. Uitgaande van dit feitencomplex kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het optreden van de betreffende controleur van verweerder. Deze had ten tijde van de fysieke controle op grond van voornoemde omstandigheden kunnen toestaan dat de stukken door de accountant omgaand zouden worden bezorgd, dan wel samen met Appellant naar de accountant kunnen rijden om de stukken daar te bekijken. In het licht van het enorme belang van Appellant (het resultaat van de controle kon 0% of 100% van de aangevraagde slachtpremies ter hoogte van EUR 21.412 zijn) had de controleur van verweerder toch wel enig begrip dienen op te brengen voor de speciale omstandigheden van dit geval. Maar de controleur heeft tijdens die controle helemaal niet met Appellant gecommuniceerd over de gevolgen van het feit dat de administratie niet door hem was ingezien. De controleur heeft bij Appellant zelfs de indruk achtergelaten, dat alles in orde was. Appellant is daarom ook zeer ontstemd over de gehele gang van zaken. De terugvordering van de slachtpremies over het jaar 2001 kwamen voor hem als een totale verrassing. Appellant is zelfs van mening, dat de controleur hem op dit punt op het verkeerde been heeft willen zetten. Of dat opzettelijk is gebeurd, kan Appellant natuurlijk niet aantonen. Echter, van een controleur die belast is met dit soort belangrijke controles die verstrekkende gevolgen voor de gecontroleerde kunnen hebben, mag toch verwacht worden dat hij zorgvuldig omgaat met iedere feitelijke situatie die wordt aangetroffen. Het minste, dat een controleur in deze omstandigheden had kunnen doen, was toch geweest dat hij Appellant had geïnformeerd over de (mogelijke) consequenties van het feit dat de administratie niet door hem zou worden ingezien? Dan zou Appellant uiteraard direct alles in het werk hebben gesteld om de controleur toch de inzage te geven in de documenten die hij wilde zien. Alleen heeft de controleur niets gezegd en bleef Appellant volledig in het ongewisse. Dat is geen zorgvuldige gedraging in het licht van de voorbereiding van het (primaire) besluit.

3. In dit licht kunnen dan ook vraagtekens worden geplaatst bij het optreden van verweerder bij de voorbereiding van het dossier en vervolgens bij de beoordeling van het dossier. De artikelen 3:2 en 3:4 Awb schrijven voor dat aan elk besluit een zorgvuldige verzameling van de feiten en de af te wegen belangen dient plaats te vinden en dat elk besluit is gebaseerd op een afwegingen van de daarbij betrokken belangen, waarbij de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit het voorgaande volgt dat de voorbereidingen van het besluit in de controlefase niet aan deze voorschriften voldoen. Gelet op de constateringen van de controleur en de hierboven geschetste omstandigheden van het geval, had verweerder vervolgens bij de belangenafweging die in het kader van de vaststelling van het primaire besluit dient plaats te vinden, Appellant in de gelegenheid kunnen stellen de betreffende documentatie alsnog aan verweerder te komen laten zien, dan wel alsnog een (her-)controle ter plaatse uit te voeren.

4. Tevens kunnen vraagtekens worden gesteld bij de totstandkoming van het primaire besluit en van de beide bestreden beslissingen op bezwaar, omdat verweerder noch in het primaire besluit, noch in de eerste beslissing op bezwaar gemotiveerd heeft waarom Appellant geen premie voor 404 runderen ontving. Appellant heeft dit ook niet kunnen afleiden uit het controlerapport dat op 9-1-2002 door de controleur van verweerder is opgemaakt. Daarin staat alleen vermeld dat "administratie bij Denkavit" was (...). Dat is (als het gaat om de administratie van Appellant) feitelijk onjuist. Het is derhalve de vraag of de controleur zijn eigen administratieve vastlegging wel zorgvuldig heeft verricht tijdens en na de controle. Het is tevens de vraag of verweerder op grond van dit controlerapport, zonder enige controle van de losse opmerking van de controleur en zonder nader onderzoek naar de omstandigheden van het geval, wel tot het genomen primaire besluit had mogen komen. Het verbaast Appellant dan ook zeer dat er in het licht van de aangevoerde bezwaren zelfs in de herziene motivering van de beslissing op bezwaar nog steeds geen echt inhoudelijke motivering van de beslissing wordt gegeven.

5. Appellant stelt zich derhalve op het standpunt dat hij ten tijde van de controle alle door verweerder voorgeschreven documentatie had kunnen tonen, maar dat het door de controleur niet duidelijk is gemaakt wat hij precies wilde, waarom hij dat wilde en wat de gevolgen van de bijzondere omstandigheden van het geval zouden (kunnen) zijn. Onder deze omstandigheden kan verweerder zich niet simpelweg op het niet nader gemotiveerde standpunt blijven stellen dat er bij Appellant geen deugdelijke bedrijfsregistratie is aangetroffen. Het is naar de mening van Appellant in het voorliggende geval dan ook niet aan hem te wijten dat geen doeltreffende controle ter plaatse heeft kunnen plaatsvinden.

Appellant concludeert tot toewijzing van het beroep."

Ter zitting heeft appellant voorts het volgende aangevoerd. Een korting op de uitbetaling van slachtpremie kan niet worden toegepast omdat appellant geen schuld treft, aangezien het bedrijfsregister compleet was en hij dit tijdens de controle had kunnen laten zien als de controleur erom gevraagd had. Subsidiair is de door verweerder toegepaste korting in strijd met artikel 36, vierde lid onder b, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, aangezien de fouten in het bedrijfsregister slechts bij één controle zijn vastgesteld. Meer subsidiair heeft appellant verzocht de zaak aan te houden totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak heeft gedaan op door het College in de zaak AWB 03/901 gestelde prejudiciële vragen over onder meer de uitleg van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep dat is ingesteld tegen het besluit van 17 december 2003, mede gericht geacht tegen het besluit van 6 februari 2004. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij, hoewel het besluit van 17 december 2003 is vervallen, toch belang heeft bij vernietiging van dat besluit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij belang heeft bij de vaststelling dat hij terecht beroep tegen dat besluit heeft ingesteld alsmede dat hij dan recht heeft op een proceskostenveroordeling. Beide punten acht het College onvoldoende om tot vernietiging van het besluit van 17 december 2003 over te gaan: het eerste omdat dit geen rechtens te respecteren belang is, het tweede omdat zulks ook zonder vernietiging van dat besluit mogelijk is.

5.2 Op grond hiervan wordt hierna alleen het beroep behandeld, voor zover het mede gericht wordt geacht tegen het besluit van 6 februari 2004. Het beroep tegen het besluit van 17 december 2003 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.3 Het gaat in deze zaak om de gevolgen die verweerder heeft verbonden aan het feit dat ten tijde van de fysieke controle op het bedrijf van appellant niet aan de hand van het bedrijfsregister kon worden vastgesteld of de dieren die in de daaraan voorafgaande periode van twaalf maanden waren geslacht, correct in het bedrijfsregister waren opgenomen.

5.4 Het besluit van 6 februari 2004 is erop gebaseerd dat in een dergelijk geval op grond van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999, alsmede op grond van artikel 4.6, aanhef en onder c van de Regeling, geen premie kan worden verstrekt.

5.5 Het College stelt voorop dat appellant als houder van de dieren op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 verplicht was een register bij te houden en dit te allen tijde en gedurende drie jaar ter beschikking te houden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage diende te krijgen. Vast staat dat het bedrijfsregister ten tijde van de controle niet aan de controleur ter inzage kon worden gegeven, aangezien het register op dat moment niet op het bedrijf aanwezig was. Blijkens het controlerapport lag het register bij het bedrijf Denkavit. Ter zitting heeft appellant bevestigd dit tegen de controleur te hebben gezegd. Later is gebleken dat het register niet bij Denkavit, maar bij de accountant lag. Wat daar verder van zij, vast staat dat appellant het register niet ter beschikking hield van de bevoegde autoriteit, reeds omdat hij er op dat moment zelf niet de daadwerkelijke en directe beschikking over had.

5.6 Het betoog dat de controleur het register bij een ander had kunnen inzien, kan appellant niet baten, aangezien artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999, gelezen in samenhang met artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, meebrengt dat geen recht op premie voor een dier bestaat, als bij een controle ter plaatse niet aan de hand van het bedrijfsregister kan worden vastgesteld dat het dier correct is geïdentificeerd en geregistreerd. Omdat de verordening uitgaat van een controle ter plaatse van het bedrijf waar de dieren worden gehouden, is de controleur niet gehouden de controle uit te breiden naar een andere onderneming.

5.7 Aan het voorgaande kan worden toegevoegd dat uit artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, en in het bijzonder uit onderdeel b van het zesde lid, blijkt dat de controle ter plaatse aan de hand van het bedrijfsregister dient te geschieden en dat daarbij niet alleen actuele gegevens uit dat register, maar ook historische gegevens noodzakelijk zijn. Appellant wist dus – of had kunnen weten – dat de aanwezigheid van een compleet register voor de controle van essentieel belang was. Nu bovendien de controle van tevoren was aangekondigd, valt niet in te zien dat het voor betrokkene niet mogelijk was het complete register voor de controleurs gereed te houden. Aan het feit dat de controleur appellant niet nogmaals op de hoogte heeft gesteld van de noodzaak het bedrijfsregister ter inzage te geven kan dan ook niet de conclusie worden verbonden dat verweerder aan het ontbreken ervan geen consequenties had mogen verbinden.

5.8 Eveneens wordt de stelling verworpen dat verweerder bij zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellant. Waar appellant zelf een doeltreffende controle onmogelijk heeft gemaakt door het bedrijfsregister niet ter beschikking van de controleur te houden, kan hij, gelet op de voornoemde bepalingen van de van toepassing zijnde Verordeningen, geen aanspraak maken op premie. Het College verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 2001 (C-131/00, Jur. 2001, I-10165, zaak-Nilsson), waarin is uitgemaakt dat het ontbreken van gegevens in een bedrijfsregister een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie oplevert, omdat daardoor het in Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt. Volgens het Hof dient een steunaanvraag dan te worden afgewezen. Het bestreden besluit is hiermee in lijn. Artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 moet in het licht van de zaak-Nilsson en het daarin onderstreepte belang van het bedrijfsregister binnen het communautaire systeem voor de identificatie en de controle van dieren aldus worden verstaan dat hieruit de verplichting van het op eerste verzoek tonen van het register bij een controle ter plaatse voortvloeit, hetgeen de voortdurende aanwezigheid van dit register op het bedrijf impliceert.

5.9 Uit het voorgaande volgt dat ook de stelling dat appellant geen schuld treft, moet worden verworpen. Hem treft wel degelijk schuld van het niet op het bedrijf ter beschikking stellen aan de controleur van het bedrijfsregister.

5.10 Ook het beroep op artikel 36 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 faalt, aangezien appellant niet wordt verweten dat er foute vermeldingen in het bedrijfsregister voorkomen, maar dat het bedrijfsregister tijdens de controle niet beschikbaar was.

5.11 Het College ziet geen reden de zaak aan te houden. De prejudiciële vragen die het bij zijn uitspraak van 2 februari 2005 in zaak AWB 03/901 heeft gesteld, hebben betrekking op onregelmatigheden bij de naleving van Verordening (EG) nr. 1760/2000 die zich in het verleden hadden voorgedaan, met name ten aanzien van de melding van de aanvoer van de dieren op het bedrijf van de belanghebbende. Niet duidelijk is of artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bij dergelijke onregelmatigheden tot een volledige uitsluiting van slachtpremie moet leiden. Zodanige twijfel bestaat niet in het onderhavige geval, aangezien uit de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak-Nilsson kan worden opgemaakt dat een steunaanvraag moet worden afgewezen als geen controle aan de hand van het bedrijfsregister mogelijk is.

5.12 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.13 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze houdt uitsluitend verband met de kosten die appellant heeft gemaakt voor het instellen van beroep tegen de beslissing op bezwaar 17 december 2003, welke beslissing later door verweerder vervallen is verklaard en is vervangen door het besluit van 6 februari 2004. De kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Voor een proceskostenveroordeling die betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van 6 februari 2004 ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro),

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L. van der Weele