Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU1277

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
23-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/676
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/676 13 juli 2005

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

Warmte/Kracht Centrale Kleefsewaard V.O.F., te Arnhem, appellante,

gemachtigde: mr. T. ter Brugge, advocaat te Amsterdam,

tegen

TenneT b.v., verweerster,

gemachtigde: mr. M.W. Engelen en mr. E.A.M. van Cuijk, beiden werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij faxbericht van 12 augustus 2004, dat op dezelfde datum bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 6 juli 2004 met het kenmerk EQ 04-0660.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar tegen haar besluit van 19 januari 2004, genomen op grond van de Elektriciteitswet 1998, ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 september 2004 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 10 november 2004 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Op 17 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht. Appellante werd tevens vertegenwoordigd door haar algemeen directeur A.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Elektriciteitswet 1998 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 69

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie tot taak een subsidie te verstrekken als bedoeld in paragraaf 2.2, alsmede de taken te verrichten, bedoeld in paragraaf 2.3.

(…)

Artikel 72m

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt op aanvraag een subsidie ten behoeve van de productie van duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit of elektriciteit die is opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling, die is genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 72p, tweede lid, aan:

a. een op het Nederlandse net aangesloten producent die gedurende ten minste 10 jaar een productie-installatie voor duurzame elektriciteit of klimaatneutrale elektriciteit in stand houdt en exploiteert;

b. een op een Nederlands net of een Nederlandse installatie aangesloten producent die elektriciteit opwekt door middel van warmtekrachtkoppeling.

(…)

Artikel 72n

(…)

3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt bepaald dat de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt op het in de aanvraag aangegeven tijdstip, met dien verstande dat een aanvang voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag niet mogelijk is.

(…)

Artikel 72r

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een formulier, dat wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

(…)"

De hiervoor genoemde bepalingen maken deel uit van artikel I, onderdeel M, van de Wet van 5 juni 2003 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie, welke Wet met ingang van 1 juli 2003 in werking is getreden.

Artikel III, tweede lid, van deze Wet luidt als volgt:

"In afwijking van artikel 72n, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998, vangt de voor subsidie in aanmerking komende periode aan op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, of zoveel later als in de aanvraag is aangegeven, mits de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij formulier, gedagtekend 23 december 2003 en door verweerster ontvangen op 6 januari 2004, heeft appellante bij verweerster subsidie aangevraagd op grond van artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 voor een productie-installatie aan adres te Arnhem. Als datum vanaf wanneer appellante de subsidie wil ontvangen, heeft zij 1 juli 2003 vermeld.

- Bij besluit van 19 januari 2004, verzonden op 22 januari 2004, heeft verweerster de gevraagde subsidie voor het jaar 2003 geweigerd.

- Bij brief van 1 maart 2004 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 10 juni 2004 heeft zij het bezwaar nader gemotiveerd.

- Op 24 juni 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden door de Bezwaarschriften-commissie milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (hierna: de commissie).

- Op 2 juli 2004 heeft de commissie verweerster geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar, onder overneming van het advies van de commissie, ongegrond verklaard. In het advies is, voor zover hier van belang, overwogen dat vast staat dat de schriftelijke aanvraag op 6 januari 2004 door verweerster is ontvangen, dat verweerster aan de wettelijke termijnen voor het indienen van aanvragen is gehouden en dat zij in beginsel niet bevoegd is om buiten deze termijn ingediende aanvragen te honoreren behoudens zeer buitengewone omstandigheden, waarvan in dit geval niet is gebleken.

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat sprake is van buitengewone omstandigheden, aangezien in verband met de feestdagen de aanvraag op een postkamer is blijven liggen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De aanvraag is door verweerster ontvangen op 6 januari 2004, derhalve meer dan zes maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, van de Wet van 5 juni 2003 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie. Daarmee staat vast dat geen toepassing meer kon worden gegeven aan artikel III, tweede lid, van die Wet.

5.2 Verweerster heeft het bezwaar tegen de afwijzing van subsidie voor het jaar 2003 terecht ongegrond verklaard. Dat verweerster de aanvraag niet eerder heeft ontvangen, is te wijten aan omstandigheden die geheel in de risicosfeer van appellante liggen.

5.3 Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.M.W. van de Sande