Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AU1033

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
16-08-2005
Zaaknummer
AWB 04/560
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/560 7 juli 2005

20312 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Uitspraak in de zaak van:

de vennootschap onder firma Gebr. A en B, te X,

appellante van een uitspraak van 21 juni 2004 van het Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees, kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij uitspraak van 21 juni 2004 met kenmerk TPVV 13/2004 heeft het tuchtgerecht aan appellante een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Bij brief van 27 juni 2004, bij het College binnengekomen op 30 juni 2004, heeft appellante beroep ingesteld tegen die tuchtbeslissing.

Bij brieven van 19 juli 2004 en 16 augustus 2004 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 26 mei 2005, alwaar namens appellante is verschenen B. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr. R.B.R. Henke, werkzaam bij het gemeenschappelijk secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (hierna: het productschap) en door C, als controleur werkzaam bij de B.V. Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna: CBD). C heeft voorafgaand aan het geven van inlichtingen de eed afgelegd.

2. De van toepassing zijnde regelgeving

In de per 1 april 2004 in werking getreden Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: de Wet 2004) is, onder meer, bepaald:

“Artikel 15

1. De voorzitter van het bedrijfslichaam, dat de desbetreffende verordening heeft vastgesteld, maakt de zaak binnen een redelijke termijn na de constatering van de overtreding bij het tuchtgerecht aanhangig door middel van een schriftelijke verklaring.

2. De verklaring vermeldt de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Bij de verklaring worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht overgelegd.

(…)

Artikel 47

1. Op de behandeling van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige tuchtzaken blijft de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie van toepassing.

2. Naar aanleiding van overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen slechts de tuchtrechtelijke maatregelen bepaald in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie worden opgelegd.”

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet), zoals die gold ten tijde hier van belang, bepaalde onder meer:

“ Artikel 5

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2.

2. Het hoogste bedrag van de geldboete wordt bij verordening bepaald en is niet hoger dan € 450. (…)

3. In de instellingsverordening als bedoeld in artikel 67, eerste lid van de wet kan worden bepaald, dat het lichaam op overtreding van daarbij aangewezen verordeningen een hogere geldboete dan € 450 kan stellen. In geen geval zal het bedrag der geldboete hoger zijn dan € 4500.”

In de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 (hierna: Verordening 2002) is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. Iedere ondernemer is verplicht de op zijn vestiging aanwezige varkens te doen enten tegen de Ziekte van Aujeszky overeenkomstig het voor de betrokken diersoorten en de te onderscheiden gebieden door een door het bestuur vastgesteld entschema.

(..)

Artikel 3

(…)

3. De ondernemer is verplicht, binnen 14 dagen nadat de entingen, bedoeld in artikel 2, verricht zijn, het daartoe bestemde exemplaar van de in het eerste lid bedoelde vaccinatiebon aan de door het bestuur aangewezen dienst toe te zenden. De ondernemer is gekweten van de in de vorige zin bedoelde verplichting indien de betrokken dierenarts de vaccinatiebon, binnen 14 dagen nadat de entingen, bedoeld in artikel 2, verricht zijn, naar de dienst heeft gezonden.

(…)

Artikel 8

De ondernemer is verplicht de daartoe bevoegde ambtenaren alsmede de door of namens de voorzitter aangewezen personen alle medewerking ten behoeve van de uitvoering van deze verordening te verlenen. Deze medewerking kan onder meer bestaan uit het desgevraagd toegang geven tot de vestiging, het ter inzage verstrekken van bescheiden en het

verschaffen van inlichtingen.

(…)

Artikel 13

1. Overtreding van de in deze verordening gestelde verbods- en gebodsbepalingen is een strafbaar feit.

2. Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tevens tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

3. De tuchtrechtelijke maatregelen bedoeld in lid 2 zijn:

a. (…)

b. een geldboete van ten hoogste 4.500 Euro, (…)

c. (…).”

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de in artikel 15 van de Wet 2004 bedoelde schriftelijke verklaring van de voorzitter van het productschap, gedateerd 20 april 2004, is voor de omschrijving van de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel werd gevraagd verwezen naar het berechtingsrapport, opgemaakt op 15 december 2003 door C. In het berechtingsrapport zijn bedoelde feiten als volgt geformuleerd:

“Het niet laten enten van varkens op diens vestiging tegen de Ziekte van Aujeszky conform een door het bestuur van het Productschap Vee en Vlees vastgesteld entschema en/of het niet binnen 14 dagen nadat de vaccinaties zijn verricht het daartoe bestemde ondertekende exemplaar van de vaccinatiebonnen toe te zenden aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren. Alsmede het geen medewerking verlenen aan een controle betreffende de uitvoering van de verordening door een door de voorzitter aangewezen persoon (…).”

Deze feiten leveren volgens het berechtingsrapport overtredingen op van de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en derde lid, 8, en 11, derde lid, van de Verordening 2002 en van de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en derde lid, en 8 van de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2000. Deze overtredingen zijn blijkens het rapport wat betreft het vaccineren, onderscheidenlijk niet overleggen van de vaccinatiebonnen gepleegd in de periode van 14 februari 2003 tot en met 28 november 2003, en wat betreft het niet meewerken op 4 en 8 december 2003.

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft het tuchtgerecht bewezen verklaard dat appellante de volgende feiten heeft begaan:

“het niet tijdig zenden van de vaccinatiebonnen aan de GD na de vaccinaties, alsmede het weigeren medewerking te verlenen ten behoeve van de uitoefening van de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2000/2002.”

Het bewezen verklaarde levert naar het oordeel van het tuchtgerecht op overtreding van artikel 3, derde lid, en artikel 8 van de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2000/2002. Wegens deze overtredingen heeft het tuchtgerecht appellante geldboetes opgelegd van respectievelijk € 1700,- en € 300,-.

4. De beoordeling

4.1 Onder verwijzing naar artikel 47 juncto artikel 15, eerste lid van de Wet 2004, stelt het College vast dat, nu deze zaak aanhangig is gemaakt bij schriftelijke verklaring van 20 april 2004, de Wet 2004 van toepassing is. Voorts stelt het College vast dat ten tijde hier van belang de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 van toepassing was. Deze Verordening is, voor zover hier van belang, gelijkluidend aan de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2000, zodat aan het feit dat het tuchtgerecht zijn oordeel (deels) heeft gebaseerd op Verordening 2000 geen (rechts)gevolg toekomt.

4.2 B, vennoot in de vennootschap van appellante, ontkent de bewezen verklaarde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij niet is benaderd door C om medewerking te verlenen aan een controle betreffende de naleving van de Verordening 2002. Verder stelt hij dat het berechtingsrapport onvolledig is, omdat de varkens die blijkens dat rapport niet zouden zijn geënt, hetzij onder een ander UBN-nummer zijn geënt, hetzij niet entingsplichtig waren, omdat ze bij aankomst op het bedrijf al geënt waren.

4.3 In het beroepschrift en ter zitting bij het College heeft B namens appellante gesteld dat appellante twee bedrijven heeft met ieder een eigen UBN-nummer.

Het bedrijf in X is een fokbedrijf en dat in Y is een mestvarkensbedrijf. De overtredingen zouden hebben plaatsgevonden op het bedrijf in Y. Appellante stelt dat alle varkens op dat bedrijf geënt zijn, zij het niet altijd op het UBN-nummer van dat bedrijf (UBN *), maar op dat van het bedrijf in X (UBN **). De varkens van het fokbedrijf worden na verloop van tijd overgebracht naar het mestvarkensbedrijf. Ze zijn dan soms al geënt op het fokbedrijf.

B heeft de entbriefjes die appellante ter beschikking heeft met betrekking tot het bedrijf in Y ter zitting getoond. B ontkent dat C ooit telefonisch contact met hem heeft opgenomen.

4.4 Van de zijde van het productschap is ter zitting aangevoerd dat controleur C in zijn berechtingsrapport heeft opgenomen dat hij op 4 en 8 december 2003 telefonisch contact heeft opgenomen met B om een afspraak te maken in verband met het tekort aan (bonnen van) vaccinaties dat hij had geconstateerd. Het doel van dit bezoek was om na te gaan of de gegevens over het ontbreken van vaccinaties correct waren. Ter zitting heeft C onder ede verklaard dat:

- hij op donderdagavond 4 december en op maandag 8 december 2003 telefonisch heeft gesproken met B en heeft verzocht om een afspraak;

- B bij beide gelegenheden heeft geweigerd hierop in te gaan;

- (pogingen tot) bemiddeling via het productschap of via de dierenarts teneinde alsnog een afspraak te maken niet tot resultaat heeft (hebben) geleid.

Met betrekking tot de aantallen ontbrekende vaccinaties is ter zitting namens het productschap verklaard dat aldaar geen gegevens bekend zijn met betrekking tot de door B gestelde entbonnen, die blijkens de procedure in eerste aanleg niet bekend zijn aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren, de CBD en het tuchtgerecht.

4.5 Met betrekking tot overtreding van artikel 8 van de Verordening is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat C telefonisch contact heeft opgenomen om een afspraak te maken en dat B geweigerd heeft daarop in te gaan.

Het College neemt hierbij in aanmerking dat het berechtingsrapport dienaangaande in duidelijke bewoordingen is gesteld en voorts dat C, van wie niet is gebleken dat hij belang heeft bij het doen van een onjuiste verklaring, ter zitting onder ede heeft verklaard over de gang van zaken met betrekking tot de telefoongesprekken van 4 en 8 december 2003. De enkele ontkenning van B, die daarbij een duidelijk belang heeft, dat die telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, komt het College dan ook niet aannemelijk voor. Het tuchtgerecht heeft met betrekking tot dit feit op goede gronden besloten tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel. Het beroep is op dit punt ongegrond.

4.6 Het College stelt, na vergelijking met de gegevens waarop het berechtingsrapport is gebaseerd, voorts vast dat de entbonnen die B ter zitting heeft getoond allemaal voorkomen op de controlelijst van C. Niet gebleken is dat er entbonnen van vleesvarkens van het bedrijf in Y zijn op een ander UBN-nummer. Deze vaststelling laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat met betrekking tot 1530 vleesvarkens geen enting heeft plaatsgehad volgens het voorgeschreven entprogramma.

4.7 Indien varkens niet worden gevaccineerd, beschikt de betreffende varkenshouder niet over vaccinatiebonnen die hij zou kunnen opsturen. Hieruit volgt dat het tuchtgerecht ten onrechte bewezen heeft verklaard dat appellante na de vaccinaties die bonnen niet tijdig aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren heeft gezonden, zodat appellante daarvan moeten worden vrijgesproken.

De uitspraak van het tuchtgerecht dient in zoverre te worden vernietigd.

4.8 Het College ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de overtreding die het tuchtgerecht onbesproken heeft gelaten, te weten het niet laten vaccineren van varkens, bewezen kan worden verklaard. In de hiervoor onder 4.6 vastgestelde feiten ziet het College aanleiding om bewezen te verklaren dat appellante door in de periode 14 februari 2003 tot en met 28 november 2003 1530 vleesvarkens niet te laten vaccineren tegen de Ziekte van Aujeszky conform een door het bestuur van het Productschap Vee en Vlees vastgesteld entschema, artikel 2, eerste lid, van de Verordening 2002 heeft overtreden.

4.9 Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de Wet 2004 kunnen voor overtredingen die zijn begaan voor het inwerkingtreden van de Wet 2004 slechts die tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd, zoals die voor die inwerkingtreding golden. De bewezen verklaarde feiten hebben zich voorgedaan voor inwerkingtreding van de Wet 2004. Op grond van de Wet en de Verordening 2002 kan voor overtreding van de Verordening 2002 een boete van maximaal € 4500 worden opgelegd. Op grond van de ten tijde van belang door het tuchtgerecht gehanteerde richtlijnen gold voor overtreding van artikel 8 van de Verordening 2002 een boete van € 250 en voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Verordening 2002 een boete variërend tussen € 0,57 en € 0,68 per niet gevaccineerd varken. Deze bedragen zijn gerelateerd aan de besparing als gevolg van het achterwege laten van de vaccinatie. Het aldus verkregen bedrag wordt vermenigvuldig met de factor 2, teneinde het bestraffende karakter te onderstrepen.

4.10 Het tuchtgerecht heeft in zijn beschikking van 21 juni 2004 een boete opgelegd van € 300 ter zake van de overtreding van artikel 8. Het tuchtgerecht heeft niet gemotiveerd op welke gronden de boete hoger is vastgesteld dan het bedrag ingevolge het ten tijde van de overtreding gehanteerde boetebeleid. Het College acht een boete van € 250 passend en geboden.

4.11 De boete met betrekking tot de overtreding van artikel 2, eerste lid Verordening 2002 stelt het College, met toepassing van het ten tijde van de overtreding vigerende boetebeleid, op € 1750. Deze boete is, afgerond naar boven, gebaseerd op de minimale boete van € 0,57 per niet gevaccineerd varken, vermenigvuldigd met het aantal niet gevaccineerde varkens, zijnde 1530. Dit bedrag wordt met inachtneming van het boetebeleid vermenigvuldigd met de factor 2. Deze boete acht het College gezien de ernst en omvang van de overtreding passend en geboden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen grond voor een ander oordeel.

4.12 Deze uitspraak berust op artikel 13, artikel 2, eerste lid, artikel 3, derde lid en artikel 8 van Verordening 2002 en hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

5. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond voor zover betrekking hebbend op overtreding van artikel 3, derde lid Verordening bestrijding

ziekte van Aujeszky 2002;

- vernietigt de uitspraak van het tuchtgerecht van 21 juni 2004 voor zover daarin is bewezen verklaard de overtreding van

artikel 3, derde lid, Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2000/2002;

- verklaart bewezen de overtreding van artikel 2, eerste lid Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002;

- legt hiervoor een boete op van € 1750 (zegge: zeventienhonderdvijftig euro);

- legt voor de overtreding van artikel 8 Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 een boete op van € 250 (zegge:

tweehonderdenvijftig euro)

- verklaart dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de tuchtuitspraak van 21 juni 2004.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. B. Verwayen en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. L. van Duuren