Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT9317

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/98
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 05/98 30 juni 2005

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigden: mr. P.D. Labee en mr. D.A. Putker, advocaten te Amersfoort,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. ‘t Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 februari 2005, bij het College binnengekomen op 4 februari 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen de intrekking van zijn chauffeurspas voor het verrichten van taxivervoer, kennelijk ongegrond verklaard.

Op 23 maart 2005 heeft appellant het beroep aangevuld met gronden.

Op 25 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 23 juni 2005, alwaar appellant bij monde van zijn gemachtigde Putker en verweerder bij monde van zijn gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) luidt voorzover van belang als volgt:

"Artikel 75

1. Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige, behoorlijk leesbare, door Onze Minister verstrekte chauffeurspas, volgens het bij ministeriële regeling vast te stellen model.

(…)

Artikel 76

Bij de aanvraag voor de chauffeurspas worden de volgende documenten overgelegd:

(…)

c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens, die niet ouder is dan twee maanden.

(…)

Artikel 77

1. Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van (…) een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onderdeel (…) c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door hem vast te stellen termijn (…) opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn (…) de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.

2. Onze Minister kan de chauffeurspas intrekken indien:

(…)

c. indien de bestuurder niet of niet tijdig (…) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het eerste lid overlegt,

(…)

3. Degene aan wie een chauffeurspas is verstrekt, levert deze binnen vier weken na intrekking of na verloop van de geldigheidstermijn in bij Onze Minister."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 27 augustus 2000 heeft verweerder aan appellant een chauffeurspas voor het verrichten van taxivervoer verleend met een geldigheidsduur van 27 augustus 2000 tot 28 augustus 2005.

- Bij brief van 8 juni 2004 heeft het arrondissementsparket te Utrecht verweerder informatie doen toekomen over antecedenten van appellant, waaronder vier veroordelingen in de periode van 14 januari 2003 tot en met 22 januari 2004.

- Naar aanleiding hiervan heeft verweerder appellant bij brief van 9 juli 2004 verzocht vóór 21 augustus 2004 opnieuw een verklaring omtrent het gedrag te verstrekken, omdat het vermoeden is gerezen dat door appellant niet meer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van deze verklaring.

- Bij besluit van 29 september 2004 heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 77, tweede lid, onder c, van het Besluit, de aan appellant verstrekte chauffeurspas ingetrokken, omdat de verklaring omtrent het gedrag niet is overgelegd,.

- Bij brieven van 25 oktober en 10 november 2004 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat, gezien het wettelijk kader, voor hem alleen van belang is het antwoord op de vraag òf appellant een nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd. Desgevraagd is die verklaring niet overgelegd. De chauffeurspas is vervolgens ingetrokken.

Ter zitting is namens verweerder gesteld dat verweerder grote waarde hecht aan de kwaliteit van taxivervoer en dat om die reden bij het uitblijven van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag tot intrekking van de chauffeurspas wordt overgegaan. Hierbij is de omstandigheid dat geen nieuwe verklaring is afgegeven voor verweerder een gegeven, dat niet door hem kan worden beooordeeld.

4. Het standpunt van appellant

Appellant kan zich met de intrekking niet verenigen en heeft gesteld dat hem in januari 2004 nog wel een verklaring omtrent het gedrag is verstrekt, terwijl toen de pretense delicten al hadden plaatsgevonden en er sedertdien geen nieuwe delicten zijn bijgekomen. Gelet hierop, mocht appellant erop vertrouwen dat het verlenen van een verklaring omtrent het gedrag geen enkel probleem zou opleveren.

De gronden waarop de verklaring omtrent het gedrag is geweigerd, kunnen voorts niet leiden tot intrekking van de chauffeurspas. Bovendien heeft de intrekking onevenredige gevolgen in verhouding tot het te dienen belang. Appellant heeft immers, nu hij geen taxivervoer mag verrichten, geen inkomsten.

5. De beoordeling van het geschil

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn besluit tot intrekking van de aan appellant verleende chauffeurspas voor het verrichten van taxivervoer, heeft gehandhaafd.

Dienaangaande stelt het College allereerst vast dat verweerder bij het primaire besluit van 29 september 2004 die intrekking uitsluitend heeft gebaseerd op het feit dat de bij brief van 9 juli 2004 verzochte nieuwe verklaring omtrent het gedrag niet (binnen de daarbij gestelde termijn) is ontvangen. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar van appellant slechts gesteld dat de reden waarom appellant de verzochte verklaring niet kon overleggen en de omstandigheid dat aan appellant ondanks de reeds bekende misstappen in januari 2004 wel een verklaring omtrent het gedrag is verstrekt, gelet op artikel 77, tweede lid, van het Besluit geen enkele rol speelt.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder dusdoende een onjuiste uitleg gegeven aan evengenoemd artikellid, nu hierin niet imperatief is bepaald dat bij het niet of niet tijdig overleggen van bedoelde verklaring tot intrekking van de chauffeurspas moet worden overgegaan, doch aan verweerder een discretionaire bevoegdheid is toegekend.

Het vorenstaande brengt mee dat de enkele constatering dat niet (tijdig) een nieuwe verklaring omtrent het gedrag is overgelegd niet een afdoende motivering kan vormen voor de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking.

Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder dient verweerder bij de voorbereiding van een besluit strekkende tot intrekking van een chauffeurspas aandacht te besteden aan de beantwoording van de vraag of er, ondanks het niet (tijdig) overgelegd zijn van een verklaring omtrent het gedrag, niettemin, gelet op de omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan.

Gelet op het hiervoor overwogene blijkt noch uit het besluit tot intrekking noch uit het bestreden besluit, waarbij in het geheel niet is ingegaan op de door appellant in bezwaar aangevoerde gronden, dat verweerder zich hiervan heeft vergewist.

Het vorenstaande brengt het College tot de slotsom dat verweerder bij het bestreden besluit niet alleen niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op hem rustende plicht de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, maar evenmin aan het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb, inhoudende dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Het beroep is derhalve gegrond en verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Het College acht termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 december 2004;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellant, vastgesteld op € 644,00, te vergoeden

door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 wordt vergoed door de Staat der

Nederlanden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. L. van Duuren