Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT9218

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/716
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21,22,86,90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/716 12 juli 2005

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. G.H. Blom, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 augustus 2004, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen de primaire besluiten van 8 mei 2003 en 2 oktober 2003, ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 september 2004 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 29 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft bij griffiersbrief van 29 november 2004 aan verweerder verzocht om een aantal schriftelijke stukken, te weten de verdachtverklaring van de dieren op het bedrijf van appellant, de aangezegde maatregelen en het schademeldingsformulier. Bij brieven van 6 december 2004 en 23 december 2004 heeft verweerder de gevraagde stukken overgelegd.

Op 14 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij met voorafgaand bericht appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 21, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is neergelegd dat Onze Minister zo spoedig mogelijk besluit tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

In artikel 22, eerste lid, aanhef en onder h, Gwd is bepaald dat de in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn het reinigen en ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en voorwerpen.

In artikel 90 Gwd is neergelegd dat indien door het onschadelijk maken van dieren, producten of voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22 schade wordt toegebracht aan gebouwen, terreinen of voorwerpen, aan de eigenaar of gebruiker van deze gebouwen, terreinen of voorwerpen wordt uit het Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 23 april 2003 heeft verweerder met ingang van deze datum alle voor Aviaire Influenza-gevoelige dieren op het bedrijf van appellant als verdacht aangemerkt op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731).

- Verweerder heeft voorts in genoemd besluit op grond van artikel 21, eerste lid, Gwd een aantal maatregelen ter bestrijding van vogelpest opgelegd, te weten het doden van zieke en verdachte dieren en vernietigen van producten en voorwerpen die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof; het plaatsen van kentekenen; het doen ontsmetten van personen, bedrijfskleding en schoeisel, voertuigen, producten of andere voorwerpen; het laten ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en voorwerpen; het onschadelijk maken van producten en voorwerpen die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof.

- Naar aanleiding van bedoelde maatregelen heeft op 25 april 2003 op het bedrijf van appellant conform artikel 87 Gwd een taxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, de waarde van het voer en van de overige besmette of van besmetting verdachte producten. Appellant heeft het formulier waarin de waardevaststelling is bepaald ondertekend.

- Bij besluit van 8 mei 2003 heeft verweerder op grond van artikel 86 Gwd een tegemoetkoming in de schade ten aanzien van het pluimvee en eieren vastgesteld van € 177.505,31.

- Bij besluit van 28 mei 2003 heeft verweerder op grond van artikel 86 Gwd een tegemoetkoming in de schade ten aanzien van de producten en voorwerpen waarover appellant nog geen betaling heeft ontvangen vastgesteld en een dagvergoeding verstrekt van in totaal € 7.689,57.

- Bij brief van 3 juni 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 mei 2003. Appellant stelt voorts in dit bezwaarschrift aan de orde dat een aantal aanvullende schadeposten dienen te worden gecompenseerd.

- In een daartoe op 23 juni 2003 door appellant ondertekend formulier Melding schade als gevolg van ruimingswerkzaamheden heeft appellant melding gemaakt van schade die is ontstaan tijdens het nat schoonmaken.

- Bij brief van 17 juli 2003 heeft appellant de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Verweerder heeft bij besluit van 2 oktober 2003 bepaald dat de door appellant op 23 juni 2003 gemelde schade niet wordt vergoed.

- Bij brief van 23 oktober 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen laatstvermeld besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit handhaaft verweerder het standpunt ingenomen in de primaire besluiten van 8 mei 2003 en 2 oktober 2003 en verklaart de bezwaren van appellant ongegrond. Daartoe overweegt verweerder dat blijkens het expertiserapport van Bureau Coördinatie Expertise-organisatie is geadviseerd de geleden schade niet te vergoeden omdat deze schade is veroorzaakt door het door appellant ingeschakelde schoonmaakbedrijf. Hoewel de maatregel tot het nat reinigen van de stallen door verweerder als reinigingsmaatregel is voorgeschreven, ligt het risico en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die reiniging van de stallen bij appellant. De reinigingsmaatregel op zich is volgens verweerder niet per definitie schadeveroorzakend. Bepalend is de wijze van uitvoering van de maatregel. Bovendien heeft appellant nagelaten aan te tonen dat de ontstane schade onvermijdelijk was bij het nat reinigen van de stallen.

Voorts overweegt verweerder in het bestreden besluit dat bij de primaire besluiten van 8 mei 2003 en 28 mei 2003 aan appellant een tegemoetkoming is verstrekt op grond van artikel 86 Gwd. Deze besluiten zien, gelet op de tekst van artikel 86 Gwd, op een tegemoetkoming voor de geruimde dieren en de onschadelijk gemaakte producten en voorwerpen en niet op eventuele overige schadeposten. In het bestreden besluit kan dan ook niet worden ingegaan op de bezwaren van appellant ten aanzien van een volledige schadeloosstelling aangezien geen primair besluit is genomen ten aanzien van deze door appellant gestelde schade. De bezwaren van appellant zijn volgens verweerder op dat punt derhalve niet-ontvankelijk.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in beroep het volgende naar voren gebracht.

Als gevolg van het de ruiming van het bedrijf van appellant wegens de verdachtverklaring van de dieren van appellant met Aviaire Influenza, is appellant genoodzaakt geweest om een erkend schoonmaakbedrijf de stallen te laten ontsmetten. Appellant is verplicht om zijn stallen met warm water te laten reinigen, waardoor een warme damp is ontstaan die schade heeft veroorzaakt aan de motoren van machines die ook in de stallen stonden. Ook is er schade aan de elektrische bedrading. In totaal bedraagt de schade € 17.490,--.

De verwijzing door verweerder naar het expertise rapport is niet afdoende nu niet is onderbouwd waarom het schoonmaakbedrijf als de veroorzaker van de schade moet worden aangesproken. Appellant betwist dit overigens nu de schade niet is ontstaan door het schoonmaakbedrijf maar doordat gereinigd is met warm water hetgeen volgens het protocol voor het reinigen en ontsmetten van de stallen vereist is.

De reinigingswerkzaamheden zijn uitgevoerd op grond van een maatregel van verweerder. Vanuit de sector is herhaaldelijk bij de overheid aangegeven dat nat reinigen voor veel schade zou gaan zorgen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat appellant blijkens de beroepsgronden alleen opkomt tegen dat gedeelte van het bestreden besluit waarin zijn bezwaar, gericht tegen de weigering om de gestelde schade te vergoeden, ongegrond is verklaard.

Dienaangaande overweegt het College het volgende.

5.2 Blijkens het besluit van 23 april 2003 heeft verweerder aan appellant onder meer, op grond van artikel 22, eerste lid aanhef en onder h, Gwd, de maatregel opgelegd tot het laten ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en voorwerpen. Voorts heeft verweerder in dit besluit gemeld dat alvorens tot definitieve ontsmetting te kunnen overgaan het bedrijf van appellant door of namens appellant moet worden gereinigd, alsmede dat de RVV de voortgang controleert en appellant adviseert omtrent de te volgen werkwijze en dat, nadat het bedrijf van appellant voldoende is gereinigd, de ontsmetting onder toezicht van de RVV plaatsvindt.

Voorts is gebleken dat de reiniging van de stallen op het bedrijf van appellant is gebeurd door een door appellant ingehuurd schoonmaakbedrijf.

5.3 Gelet op het vorenstaande kan het College niet anders concluderen dat de reiniging van de stallen van appellant onder diens verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden.

De schade die is voortgevloeid uit deze reiniging kan onder die omstandigheden dan ook in beginsel niet voor rekening van verweerder komen. De omstandigheid dat verweerder aan appellant de maatregel heeft opgelegd om de stallen te laten reinigen doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat zoals appellant stelt in opdracht van verweerder de stallen nat zijn gereinigd maakt dit niet anders. In dit verband wijst het College op de "Instructie veehouder reiniging en ontsmetting geruimd bedrijf" van verweerder waarin onder meer is vermeld dat de veehouder ervoor zorgt dat de elektrische apparaten lekdicht verpakt worden en gedurende de hele reiniging en ontsmetting continu lekdicht verpakt blijven. Verweerder heeft mitsdien terecht geoordeeld dat appellant geen succesvol beroep kan doen op artikel 90 Gwd.

5.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College ziet geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.

w.g. M.A. Fierstra w.g. P.M. Beishuizen