Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT9216

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 04/563 12 juli 2005

24000 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant, verweerster,

gemachtigde: mr. R.E. Wannink, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

1. De procedure

Bij een op 5 juli 2004 bij het College ingekomen beroepschrift, aangevuld op 2 augustus 2004, heeft appellant beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 29 juni 2004.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar, van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek tot vergoeding van schade ten gevolge van de weigering van verweerster in 1999 om juiste en actuele gegevens van de vennootschap onder firma genaamd A en C in te schrijven in het handelsregister.

Bij brief van 3 augustus 2004 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 10 augustus 2004 heeft appellant zijn beroep nader aangevuld.

Bij brief van 12 augustus 2004 heeft appellant gereageerd op het verweerschrift.

Bij brief van 8 september 2004 heeft verweerster gereageerd op de brief van appellant.

Bij brief van 20 oktober 2004 heeft verweerster desgevraagd nog een tweetal op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brieven van 22 november 2004, 18 december 2004, 21 februari 2005, 26 februari 2005, 13 april 2005, 22 april 2005, 29 april 2005 en 8 mei 2005 heeft appellant zijn beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2005, waar verweerster bij gemachtigde is verschenen. Appellant is, zoals aangekondigd bij brief van 9 mei 2005, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1:3, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden:

"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

(..)

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

In de Handelsregisterwet 1996 (hierna: Hrw) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 5

1. Tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister bij de ter zake bevoegde Kamer is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort of, indien het de inschrijving betreft van een rechtspersoon of van een aan een rechtspersoon toebehorende onderneming, ieder der bestuurders van de rechtspersoon.

(…)

Artikel 23

1. Indien een Kamer of een andere belanghebbende van mening is dat de inschrijving van een onderneming of rechtspersoon onjuist, onvolledig of in strijd met de openbare orde of de goede zeden is of dat een onderneming of een rechtspersoon ten onrechte niet is ingeschreven, kan de belanghebbende zich bij verzoekschrift wenden tot de rechter van het kanton waar de inschrijving is geschied of zou moeten geschieden, met het verzoek de doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene of de inschrijving van de onderneming of de rechtspersoon te gelasten."

In het Handelsregisterbesluit 1996 (hierna: Hrb) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

1. Indien de Kamer er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van iemand die tot het doen van de opgave verplicht of bevoegd is, kan zij weigeren de opgave in behandeling te nemen.

2. Indien niet is voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de opgave of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de opgave, kan de Kamer weigeren de opgave in behandeling te nemen, mits de belanghebbende de gelegenheid heeft gehad deze binnen een door de Kamer gestelde termijn aan te vullen."

Artikel 55 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 luidt:

" 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit en tegen een ander door een kamer genomen besluit, met uitzondering van besluiten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van besluiten waartegen bij of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij beschikking van 30 september 1993 heeft de kantonrechter te Arnhem per 1 januari 1993 de doorhaling gelast van de onder dossier * van het handelsregister ingeschreven opgave van de vennootschap onder firma genaamd A en C (hierna: vof), opgericht per 1 januari 1993.

- Begin juli 1999 heeft verweerster twee formulieren ontvangen van appellant. In het ene formulier is opgave gedaan van een inschrijving van de vof en in het andere formulier is opgave gedaan van de vennoten van de vof. Bij besluit van

3 augustus 1999 heeft verweerster op grond van artikel 4, tweede lid, Hrb, geweigerd de opgave in behandeling te nemen, aangezien de opgave, ook na geboden gelegenheid tot aanvulling, onvolledig was. Bij besluit van 6 oktober 1999 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van het College van 4 december 2001 (AWB 99/939, www.rechtspraak.nl, LJN AD8137) ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft het College geoordeeld dat het College bevoegd is kennis te nemen van het besluit dat op het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar is genomen. Voorts heeft het College geoordeeld dat verweerster bevoegd is tot het eisen van gegevens met betrekking tot het woonadres en de handtekening van de in de opgave vermelde (mede)vennoot C en dat verweerster wegens het ontbreken van die gegevens op grond van artikel 4, tweede lid, Hrb bevoegd was tot (handhaving van) het besluit de onvolledige opgave niet in behandeling te nemen.

- Op 19 augustus 2002 heeft verweerster van appellant drie formulieren ontvangen, strekkende tot wijziging van in het handelsregister opgenomen (vestigings)gegevens met betrekking tot een tweetal ondernemingen. Deze formulieren hebben betrekking op (1) een adreswijziging met ingang van 14 april 1999 van de vof, (2) overdracht per 15 augustus 2000 van de onderneming D te B, ingeschreven in het handelsregister onder nummer **, naar de vof en (3) opheffing van D per 31 december 2000. Blijkens een begeleidend schrijven van appellant van 16 augustus 2002 is het doel van deze opgaven dat daarmee uitsluitend resteert de vof, handelsregisternummer (..)*.

- Bij faxbericht van 19 augustus 2002 heeft verweerster appellant onder meer bericht dat de opheffing van D niet kan worden ingeschreven in het handelsregister, omdat de opheffingsdatum ligt voor de datum van de laatste wijzigingen in dat dossier (1 april 2001). Met betrekking tot de andere twee opgaveformulieren heeft verweerster appellant meegedeeld dat deze niet in behandeling kunnen worden genomen, omdat sprake is van een opgegeven wijziging van een sedert (10 november) 1993 niet meer in het handelsregister ingeschreven vof en aldus een overdracht van D aan die vof evenmin mogelijk is. Bij brief van 16 oktober 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het door verweerster niet voldoen aan haar verplichtingen ingevolge de Hrw om tot inschrijving van de door hem gedane opgaven over te gaan. Tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op dit bezwaar heeft appellant bij op 2 december 2002 ingekomen beroepschrift beroep ingesteld bij het College, welk beroep bij uitspraak van 17 juni 2003 (AWB 02/1906, www.rechtspraak.nl, LJN AH8806) gegrond is verklaard. Verweerster is hierbij opgedragen binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak op het bezwaarschrift van appellant te beslissen.

- Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerster het bezwaar van appellant van 16 oktober 2002, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van het College van 4 december 2001, ongegrond verklaard en heeft zij haar weigering de opgaven van appellant in behandeling te nemen op grond van artikel 4 Hrb gehandhaafd. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij het College. Bij besluit van 8 maart 2004 heeft verweerster het besluit van 15 juli 2003 ingetrokken en een nieuw besluit genomen dat, behoudens een wijziging in de ondertekening, identiek is aan het besluit van 15 juli 2003.

- Bij uitspraak van 27 mei 2004 (AWB 03/896) heeft het College het door appellant ingestelde beroep, dat (mede) is gericht tegen het besluit van 8 maart 2004, ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft het College geoordeeld dat verweerster terecht heeft geweigerd het wijzigingsformulier in behandeling te nemen omdat voor het in het handelsregister opnemen van een adreswijziging vereist is dat de onderneming waarop die adreswijziging betrekking heeft in het handelsregister is ingeschreven en daarvan met betrekking tot de vof geen sprake is, zodat het besluit, als vervat in het faxbericht van 19 augustus 2002, juist is. Voorts heeft het College geoordeeld dat al hetgeen appellant in het onderhavige geval heeft aangevoerd er uitsluitend toe strekt te betogen dat verweerster in strijd met de Hrw en het Hrb weigert wijzigingsopgaven van appellant in het handelsregister op te nemen en dat een dergelijke stelling niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 Awb.

- Bij brief van 6 april 2004 heeft appellant verweerster verzocht een schadebesluit te nemen. Appellant heeft zijn verzoek als volgt toegelicht:

"(…).

1. Sedert opvolgende herhuisvesting der maatschap met bijbehorende onderneming en beroep te B medio 1999 heeft uw Kamer van Koophandel hardnekkig geweigerd actuele en juiste gegevens in te schrijven in het handelsregister waarvan de publicatie op internet (www.kvk.nl) een duidelijk probleem is gebleken bij het werven van cliënten.

2. Uit een thans lopende Awb-beroepsprocedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven blijkt dat zelfs een kompleet ingevuld door KvK zelve ontworpen “opgave van wijziging vestigingsadres” aldus uw eigen verklaring “uw beoordeling te bovengaat” zodat uw Kamer de onjuiste en "derden" duidelijk afschrikkende publicaties bent blijven handhaven.

3. De exploitatieproblemen daaruit volgend hebben ingaand 16 maart 2004 genoodzaakt een beroep te doen op een uitkering sociale zekerheid; (eind)resultaat van uw pogingen middels o.a. inhuur van een advocaat verbonden aan een regionaal gerenomeerd kantoor en middels diverse beroepszaken bij m.n. het College van Beroep voor het bedrijfsleven ongewijzigd onjuiste, verouderde en "derden" afschrikkende gegevens te blijven publiceren.

Bij deze wordt verzocht om een Awb-schadebesluit in die zin dat mijn werkelijke inkomen aangevuld wordt tot het inkomen gebruikelijk bij belastingconsulenten; het bedrag terzake wordt thans begroot op € 150.000,= (gemiddeld € 30.000,= inkomstenderving/jaar, 5 jaar).

(…)."

- Bij besluit van 16 juni 2004 heeft verweerster het verzoek van appellant afgewezen.

- Bij brief van 21 juni 2004 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerster onder meer het volgende overwogen.

"(…).

Het Algemeen Bestuur van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant (verder te noemen Kamer van Koophandel) heeft immer een beslissing genomen op basis van door u ingevulde en ingediende opgavenformulieren. Zoals in het besluit van 16 juni jl. al is aangegeven, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) op 4 december 2001 bepaald dat de Kamer van Koophandel ook aan het ontbreken van het privé-adres en de handtekening van mevrouw C op het opgavenformulier de consequentie mochten verbinden de opgave niet in behandeling te nemen. Dit standpunt is recent bevestigd door het CBB (procedurenr. 03/896). Kort gezegd komt het er op neer dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel van de Kamer van Koophandel zouden nopen.

Uw conclusie dat sprake is van een achteraf gezien onjuist gebleken beslissing kan de Kamer van Koophandel dan ook geenszins delen. Bij ontbreken van een inhoudelijke uitspraak die de Kamer van Koophandel zou verplichten om uw opgave in behandeling te nemen c.q. te honoreren, bestaat voor de Kamer van Koophandel geenszins de verplichting om aan u enige schadevergoeding te betalen.

Bij ontbreken van een inhoudelijke uitspraak die de Kamer van Koophandel in het ongelijk stelt en jegens u daardoor mogelijkerwijs de verplichting zou ontstaan om schadevergoeding toe te kennen heeft de Kamer van Koophandel op gronden kunnen concluderen en besluiten dat uw bezwaar kennelijk ongegrond is. Op grond van artikel 7:3 sub b van de Algemene wet bestuursrecht is daarom besloten u niet te horen over deze aangelegenheid.

Bij gebreke aan nieuwe feiten en/of omstandigheden, die de Kamer van Koophandel zouden noodzaken om het besluit in primo te herzien, concludeert de Kamer van Koophandel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is op bovenstaande gronden."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

"(…).

1. Op 13 april 1999 is de ruimte E aangehuurd om vanuit deze locatie de werkzaamheden van "A & C" -opgericht per 1 augustus 1992- te kunnen herstarten welke herstart de Kamer van Koophandel echter tot op heden heeft geblokkeerd.

2. De Kamer van Koophandel heeft namelijk wensen te volharden in het blijven verstrekken in uittreksels handelsregister en blijven publiceren op haar internet-site van duidelijk onjuiste, verouderde en verwarrende gegevens aldus herstart en cliëntenwerving onmogelijk makend.

3. In CBb 99/939 is de door de Staten-Generaal bij wet in formele zin op de Kamer van Koophandel gelegde verplichting van inschrijving actuele en juiste gegevens in een geheel nieuw te openen handelsregisterdossier geheel ondergeschikt geoordeeld aan een AMvB waarmede niet verwezen kan worden naar een nieuw dossier ter afleiding van "oud zeer".

4. In CBb 03/896 is vervolgens uitgesproken dat de opgave van wijziging vestigingsadres per 13 april 1999 in te schrijven in een (voort-)bestaand handelsregisterdossier eveneens door de Kamer van Koophandel niet verwerkt behoefde te worden in het handelsregister waarmede daarin een reeds in 1996 vervallen vestigingsadres gehandhaafd is gebleven.

5. Aangezien blijkens uitspraak Rechtbank 's-Hertogenbosch Awb 02/2199 geen vrijstelling/ontheffing kan worden verleend van vermelding van het handelsregisterdossiernummer "…*" op briefpapier etc. moeten derden verwezen worden naar onjuiste gegevens.

6. Daarmede is de herstart van "A & C" tot op heden geblokkeerd zodat deswege op 6 april 2004 een Awb-verzoek tot schadebesluit/ nadeelcompensatiebesluit is ingediend ter verkrijging vergoeding inkomstenderving begroot op € 150.000,= tot op heden; na ontvangst van afwijzende beslissing in primo is tijdig een Awb-bezwaarschrift ingediend.

7. Aangezien het College van Beroep voor het bedrijfsleven zowel in CBb 99/939 als in CBb 03/896 tenminste ernstige twijfel heeft doen ontstaan over m.n. "onafhankelijkheid" van de Kamer van Koophandel zal bij afwijzing beroep gewend worden tot het EHRM Straatsburg."

Bij brief van 2 augustus 2004 heeft appellant het College verzocht het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een tweetal vragen voor te leggen.

Bij brieven van 18 december 2004 en 13 april 2005 heeft appellant aangevoerd dat verweerster appellant in strijd met artikel 7:2 Awb niet heeft gehoord.

Bij brieven van 26 februari 2005 en 8 mei 2005 heeft appellant aangevoerd dat het College in zijn uitspraken van 4 december 2001 en 27 mei 2004 buiten zijn bevoegdheid is getreden.

Bij brieven van 10 augustus 2004, 12 augustus 2004, 22 november 2004, 21 februari 2005, 13 april 2005, 22 april 2005 en 29 april 2005 heeft appellant betoogt dat – zakelijk weergegeven – verweerster de door hem gedane opgaven met betrekking tot de vof ten onrechte niet in het handelsregister heeft ingeschreven en dat het College in zijn uitspraken van 4 december 2001 en 27 mei 2004 de besluiten van verweerster ten onrechte heeft gesanctioneerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat appellant bij brief van 6 april 2004 verweerster heeft verzocht om een zogenoemd zuiver schadebesluit te nemen. Appellant stelt, kort weergegeven, schade te hebben geleden doordat verweerster na herhuisvesting te B medio 1999 heeft geweigerd juiste en actuele gegevens van de vof in te schrijven in het handelsregister. Het College begrijpt dat appellante hiermee het oog heeft op het besluit van 3 augustus 1999. Hierbij betrekt het College tevens het besluit van 19 augustus 2002, waarbij verweerster heeft geweigerd een wijzigingsformulier in behandeling te nemen alsmede heeft geweigerd terug te komen van haar besluit van 3 augustus 1999.

Verweerster heeft bij besluit van 16 juni 2004 afwijzend op dit verzoek beslist. Deze afwijzing heeft zij bij de thans bestreden beslissing op bezwaar gehandhaafd.

De bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep inzake een zuiver schadebesluit, indien de gestelde schadeoorzaak een besluit is waartegen bij die rechter beroep kan worden ingesteld (bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 19 februari 1997, www.rechtspraak.nl, LJN ZG2071, AB 1997/144). Vaststaat dat het College zich in zijn uitspraak van 4 december 2001, zoals hiervoor onder rubriek 2 weergegeven, bevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het besluit dat is genomen op het bezwaar tegen het primaire besluit van 3 augustus 1999. Aangezien deze uitspraak, evenals de – eveneens hiervoor onder rubriek 2 weergegeven – uitspraak van 27 mei 2004, rechtens onaantastbaar is kan de bevoegdheid ter zake van het College thans niet meer in geschil zijn, zodat het betoog van appellant dat het College zich in deze uitspraken ten onrechte bevoegd heeft verklaard reeds om die reden niet slaagt. Hieruit volgt dat het College eveneens bevoegd is kennis te nemen van onderhavige beroep.

Het College overweegt voorts dat in de huidige procedure uitsluitend schade aan de orde kan zijn die is veroorzaakt door het besluit van 3 augustus 1999. Schade die zou zijn veroorzaakt door de beschikking van de kantonrechter van 30 september 1993, waarbij de doorhaling van de vof is gelast, kan in deze procedure vanwege het ontbreken van processuele connexiteit niet aan de orde zijn.

5.2 Verweerster stelt zich op het standpunt dat appellant geen recht heeft op schadevergoeding, omdat het besluit van 3 augustus 1999 rechtmatig is.

Het College heeft bij meergenoemde uitspraak van 4 december 2001 het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 6 oktober 1999 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit van 3 augustus 1999 ongegrond verklaard. Voorts heeft het College bij uitspraak van 27 mei 2004 het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 8 maart 2004 ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft het College – kort gezegd – geoordeeld dat verweerster op 19 augustus 2002 terecht heeft geweigerd het wijzigingsformulier in behandeling te nemen en dat geen aanleiding bestond terug te komen op het besluit van 3 augustus 1999. Genoemde besluiten en genoemde uitspraken zijn rechtens onaantastbaar.

Indien een besluit niet is vernietigd, dient in beginsel van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan. Aangezien verweerster voorts de onrechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit niet heeft erkend en in hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins is gebleken van bijzondere, zeer klemmende omstandigheden die een uitzondering op voornoemd uitgangspunt rechtvaardigen, moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van 3 augustus 1999 en heeft verweerster het onderhavige verzoek om schadevergoeding derhalve terecht en op goede gronden afgewezen.

5.3 In het licht van het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerster terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en mitsdien terecht heeft besloten om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb van de hoorplicht af te zien.

5.4 Naar het oordeel van het College bestaat er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, als door appellant aan de orde gesteld.

5.5 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.

w.g. M. A. Fierstra w.g. A. Venekamp