Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT9210

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/325
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet tarieven gezondheidszorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/325 5 juli 2005

13700 Wet tarieven gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Zorgvoorziening Zijloever, te Leiden, appellante,

gemachtigde: mr. H.W.P.B. Taminiau, advocaat te Tilburg,

tegen

het College tarieven gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Velink, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 april 2004, op de zelfde dag bij het College per telefax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 maart 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek van appellante tot positieve nacalculatie op basis van de door haar aanvullend gerealiseerde productie verzorging 2001 gehandhaafd.

Bij brief van 16 juni 2004 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 1 september 2004 heeft verweerder zijn verweerschrift ingediend.

Op 12 mei 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig namens appellante haar directeur A. Kohlbeck en namens verweerder L.G. Fresen en mr. H.H.M. Debets, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg) was ten tijde van het bestreden besluit, voorzover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. Het College stelt beleidsregels vast omtrent de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van een tarief of van onderdelen van een tarief. (…)

Artikel 12

1. Een beleidsregel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Een zodanige beleidsregel wordt daartoe gezonden aan Onze Minister."

Op basis van artikel 11 Wtg zijn onder meer vastgesteld de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen (beleidsregel II-467), de Beleidsregel extramurale zorg (beleidsregel II-411) en de Beleidsregel aanvaardbare kosten verzorgingshuizen (II-401).

In de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen is, onder meer, bepaald:

"2. Bestedingsplannen verzorgingshuizen

Instellingen kunnen gezamenlijk met het aangewezen zorgkantoor, uiterlijk 1 april 2001, een aanvullende productieafspraak 2001 bij het CTG indienen (…).

Het gaat om extra productie boven de reeds tussen partijen afgesproken reguliere productieafspraken 2001. De aanvaardbare kosten 2001 kunnen maximaal met de uitkomst van de aanvullende productieafspraak verhoogd worden met inachtneming van en voorzover wordt voldaan aan de onderstaande procedure en voorwaarden:

2.1 Voorwaarden

De aanvullende productieafspraak dient aan de volgende criteria te voldoen:

a. Tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar bestaat overeenstemming over de productieafspraak ter bestrijding van de wachtlijsten. (…)

b. De aanvullende productieafspraak 2001 kan alleen gemaakt worden indien er geen sprake is van een onderschrijding van de financiële, reguliere productieafspraak 2001. (…)

(…)

e. De aanvullende productieafspraak wordt gemaakt voor de productieparameters zoals genoemd in onderdeel 3 van deze beleidsregel.

(…)

3. Productieparameters

Instelling en zorgkantoor kunnen voor de volgende productieparameters aanvullende afspraken maken:

(...)

Zorg bij de zorgvrager thuis (extramurale zorg)

Maximum uurtarief verzorging fl. 67,20

Maximum uurtarief verpleging fl. 116,00

Maximum uurtarief begeleiding fl. 84,40"

In de Beleidsregel extramurale zorg is, onder meer, bepaald:

"(4. Nacalculatie

In het jaar 2001 vindt geen nacalculatie op de afgesproken productie extramurale zorg plaats."

In de Beleidsregel aanvaardbare kosten verzorgingshuizen is, ten slotte, onder meer bepaald:

"3.2 Op de aanwendingen van de aanvaardbare kosten zal met uitzondering van de kapitaalslasten, de doorberekende kapitaalslasten en de nacalculatie op de in het kader van de beleidsregel bestedingsplannen 2001 gerealiseerde productie, geen nacalculatie plaatsvinden.

(…)

De nacalculatie op de in het kader van de beleidsregel Bestedingsplannen 2001 gerealiseerde productie vindt plaats op basis van het hierover gestelde in de beleidsregel Bestedingsplannen 2001.

Daarnaast geldt dat substitutie binnen het niet nacalculeerbare deel van de aanvaardbare kosten is toegestaan."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante verricht als verzorgingshuis uitsluitend extra-murale zorg.

- Bij brief aan de Tweede Kamer van 10 oktober 2000 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: staatssecretaris) uiteengezet op welke wijze de wachtlijsten in de sector verpleging en verzorging zal worden aangepakt en daarbij benadrukt dat de zorg zal moeten worden uitgebreid.

- Bij circulaires van 21 december 2000 en 31 januari 2001 heeft verweerder de verzorgingshuizen en de overige instellingen voor ouderenzorg geïnformeerd over de beleidsregels voor 2001, waaronder de eerder genoemde Beleidsregels bestedingsplannen verzorgingshuizen, extramurale zorg en aanvaardbare kosten.

- Op een daartoe bestemd formulier gedateerd 20 november 2002, heeft appellante in verband met de door haar ten opzichte van de reguliere productie-afspraken in 2001 verrichte meerproductie op het aspect verzorging een verzoek gedaan tot postieive nacalculatie over dat jaar.

- Bij brief van 9 december 2002 heeft het zorgkantoor verweerder geïnformeerd dat het nacalculatieformulier van appellante niet mede door het zorgkantoor is ondertekend omdat weliswaar sprake is van een meerproductie verzorging (met 10.098 uren) ten opzichte van de aanvaardbare kosten 2001, maar dat daartegenover sprake is van een onderproductie voor eveneens overeengekomen reguliere verpleging en begeleiding. Gelet hierop acht het zorgkantoor de gevraagde nacalculatie voor de meerproductie verzorging van ruim fl 678.586,- niet toelaatbaar.

- Bij brief van 17 maart 2003 heeft verweerder appellante geïnformeerd over de voorgenomen afhandeling van het nacalculatieverzoek, in die zin dat alleen de werkelijke productie die uitgaat boven de reguliere productieafspraken kan worden nagecalculeerd.

- Bij besluit van 17 juli 2003, nader aangevuld bij brief van 21 augusutus 2003, heeft verweerder het verzoek van appellante om positieve nacalculatie van de gerealiseerde productie verzorging 2001 afgewezen.

- Bij brief van 22 augustus 2003, aangevuld bij brief van 1 oktober 2003, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit.

- Op 14 januari 2004 is appellante naar aanleiding van haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van het verzoek om positieve nacalculatie over 2001 ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen.

In de Beleidsregel extramurale zorg is bepaald dat onder de extramurale verzorgingshuis-zorg de producten verzorging, (niet-complexe) verpleging en begeleiding vallen. Verder bepaalt deze beleidsregel dat in het jaar 2001 geen nacalculatie - positief noch negatief - plaatsvindt op de afgesproken (reguliere) productie extramurale zorg. Daarnaast geldt de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen, die met oog op de bestrijding van de wachtlijstproblematiek is opgesteld. Die beleidsregel biedt, onder een aantal voorwaarden, de mogelijkheid aan de zorginstelling en de zorgverzekeraar om afspraken te maken met betrekking tot extra productie boven de reguliere productie-afspraak, teneinde de wachtlijsten te bestrijden en dienaangaande (middels nacalculatie) om aanvullend budget bij verweerder te verzoeken. Een van die voorwaarden is dat een aanvullende productie-afspraak alleen kan worden gemaakt indien geen sprake is van een onderschrijding van de financiële, reguliere productieafspraak 2001. Op aanvullende productie-afspraken wordt volledig nagecalculeerd. Daarbij wordt uitgegaan van de extra productie bovenop de totale reguliere productie (verzorging, verpleging of begeleiding).

Verweerder realiseert zich dat de toepasselijke beleidsregels in hun onderlinge verband op het punt van nacalculatie wellicht niet erg duidelijk zijn, maar heeft het bepaalde in de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen altijd zo toegepast dat bij de finale afrekening de totale productieafspraak (regulier en aanvullend d.m.v. bestedingsplannen) wordt afgezet tegen de totale financiële realisatie (totaal van geleverde uren verzorging, verpleging en begeleiding, regulier en bestedingsplannen). Deze nacalculatiesystematiek is conform de ratio van de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen in samenhang met de Beleidsregel extramurale zorg.

Aangezien de reguliere productie-afspraak 2001 extramurale zorg voor appellante neerkwam op € 1.378.365,- en de werkelijke financiële productie 2001 € 1.302.034, -, is de nacalculatie over 2001 nihil. De nacalculatiesystematiek is ten aanzien van alle verzorgingshuizen op de wijze zoals hierboven beschreven, toegepast. Dat het zorgkantoor in tweede instantie niet heeft ingestemd met een tussen appellante en het zorgkantor besproken compromis ten aanzien van nacalculatie op de extra productie verzorging, heeft appellante niet in een nadelige positie gebracht. In geval het compromis in stand gebleven zou zijn, zou verweerder het verzoek evenzeer hebben afgewezen.

Wel heeft verweerder nog onderzocht of gelet op de bewoordingen van de beleidsregels aanleiding bestond de door appellante daaraan gegeven uitleg als juist en redelijk te beschouwen, zodat er wellicht sprake is van door verweerder opgewekt vertrouwen.

Die uitleg behelst de aanname dat aangezien de Beleidsregel extramurale zorg geen nacalculatie op de reguliere productie in 2001 toelaat, op basis van de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen geen verrekening van de onderschrijding op de reguliere productie verpleging en begeleiding met overschrijding op de productie verzorging mag plaatsvinden. De Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen stelt echter als algemeen uitgangspunt dat alleen in geval de werkelijke productie 2001 uitkomt boven de reguliere productie-afspraken, er aanleiding kan zijn voor (positieve) nacalculatie. Er wordt geen onderverdeling gemaakt naar de producten verzorging, verpleging en begeleiding, maar uitgegaan van een totaalbenadering. Indien die onderverdeling wel gemaakt zou moeten worden, zou in dit geval positief nagecalculateerd worden vanwege een overschrijding van de reguliere afspraken met betrekking tot het relatief goedkope product verzorging, terwijl er sprake is van een forse onderschrijding van de (relatief dure) producten verpleging en begeleiding, waardoor de met die producten samenhangende kosten ook lager waren. Dat is niet redelijk. Dat voor de verschillende activiteiten verschillend geschoold personeel nodig is, doet daar niets aan af omdat in de onderscheiden uurtarieven rekening is gehouden met het betreffende deskundigheids-niveau. In eerdere contacten met appellante is bovendien niet gesteld dat de door haar aangehangen uitleg de juiste zou zijn, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van rechtens te honoreren verwachtingen.

De door appellante aangevoerde omstandigheden - opening van een extra steunpunt zonder dat daarvoor enige infrastructuurvergoeding voor ontvangen is - geven geen aanleiding tot een ander oordeel; niet is aangetoond dat de beleidsregel om die reden onevenredig uitpakt voor appellante. Het negatieve exploitatieresultaat 2001 van appellante bedraagt bovendien ondanks de afwijzing van de gevraagde nacalculatie slechts € 3.000,-

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat hij aanvankelijk bij de eerste tien gevallen waarin eveneens sprake was van overschrijding van een deel van de afgesproken totaalproductie verzorging, verpleging of begeleiding wel tot positieve nacalculatie is overgegaan. Verweerder ging er toen echter vanuit dat zorgkantoren een verzoek om nacalculatie wegens overproductie op een onderdeel van de regulier overeengekomen zorg alleen zouden steunen als zij hadden vastgesteld dat de reguliere financiële productie was gerealiseerd. Toen bleek dat die aanname onjuist was, is verweerder bij de overige (circa 1.400) nacalculaties - in overeenstemming met het doel van de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen - overgegaan tot verrekening op basis van de totale reguliere versus de totale aanvullende productie. De onterechte toekenning van extra middelen aan de eerder genoemde tien instellingen rechtvaardigt niet dat verweerder gehouden zou zijn om in strijd met de toepasselijke beleidsregels ook andere instellingen aanvullend budget toe te kennen. Er is geen sprake van wijziging van beleid, maar aanpassing van de uitvoering van het beleid teneinde te waarborgen dat de beleidsregel in overeenstemming met het doel daarvan werd toegepast.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, onder meer, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat toepassing van de beleidsregels tot een nacalculatie van nihil leidt; de daarvoor noodzakelijke verrekening tussen de budgetten voor de verschillende producten zorg, verpleging en begeleiding is in strijd met wet- en regelgeving. Ook doet verweerder ten onrechte voorkomen dat op grond van de verschillende beleidsregels de in dat kader gemaakte afspraken moeten worden beschouwd als communicerende vaten. Het onderscheid tussen de reguliere productieafspraken en de aanvullende afspraken met het oog op verkleining van de wachtlijsten zit nu juist daarin dat over het reguliere budget niet wordt nagecalculeerd. Door de onderschrijding van de reguliere productieafspraken bij de beoordeling over de wachtlijstmiddelen te betrekken, miskent verweerder dat over het reguliere budget 2001 niet mag worden nagecalculeerd. De beleidsregels en hun onderlinge verhouding zijn volstrekt onduidelijk en ten nadele van appellante uitgelegd, hetgeen ontoelaatbaar is, zeker omdat appellante, mede door uitlatingen van het zorgkantoor, erop mocht vertrouwen dat in haar geval positief zou worden nagecalculeerd. Nu dit niet is gebeurd, is appellante in een financieel moeilijke positie gebracht, onder meer omdat zij in verband met de extra geproduceerde zorg in 2001 een extra steunpunt in de Leidse Merenwijk heeft opgezet zonder dat zij hiervoor een infrastructurele vergoeding heeft ontvangen.

Op grond van het vorenstaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Tussen appellante en het zorgkantoor is voor het jaar 2001 een regulier budget overeengekomen, waarbij werd uitgegaan van een verdeling van 40% verzorging, 40% verpleging en 20% begeleiding. Appellante was echter vrij in de aanwending van het budget. Voor ieder onderdeel van de te leveren productie diende personeel gecontracteerd worden dat voldeed aan de daartoe specifiek vereiste opleidingscriteria. Met name de verpleging vraagt om ander gekwalificeerd personeel dan verzorging of begeleiding. Vanwege de adequate wijze waarop de wachtlijstproblematiek werd aangepakt, bleek gedurende het boekjaar dat het accent van verpleging op verzorging kwam te liggen. Er was echter vooraf niet voorzien dat door deze verschuiving in productie aanspraak kon worden gemaakt op positieve nacalculatie over 2001. Met het zorgkantoor werd vervolgens in beginsel overeenstemming bereikt over die nacalculatie: het zorgkantoor zou de helft van de kosten van de overschrijding op het product verzorging vergoeden. Het zorgkantoor heeft toen kennelijk ruggespraak gehouden met verweerder en voorgesteld om de overschrijding van het aantal aan het overeengekomen budget ten grondslag liggende uren verzorging te verrekenen met de onderschrijding van het aantal afgesproken uren begeleiding en verpleging. Namens verweerder is het zorgkantoor telefonisch verzekerd dat verweerder zou uitgaan van de door het zorgkantoor naar voren gebrachte systematiek.

Bij brief van 9 december 2002 aan verweerder heeft het zorgkantoor nogmaals die overeengekomen verrekeningsmethode naar voren gebracht en gesteld dat, hoewel eerder door verweerder was verzekerd dat de door het zorgkantoor aangehangen verrekeningsmethodiek zou worden toegepast, dat helaas niet het geval blijkt te zijn. Hieruit blijkt dat de thans door verweerder verdedigde uitleg van de toepasselijke nacalculatiesystematiek ook voor het zorgkantoor aanvankelijk niet duidelijk was alsmede dat verweerder en het zorgkantoor ten onrechte tegenover appellante de schijn hebben gewekt dat de door haar voorgestane uitleg van de toepasselijke beleidsregels juist was. Ook om die reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder op juiste gronden de afwijzing van het verzoek van appellante tot positieve nacalculatie over 2001 heeft gehandhaafd. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2 Gelet op hetgeen verweerder dienaangaande onweersproken heeft gesteld staat voor het College vast dat appellante met het zorgkantoor met het oog op haar budget 2001 productieafspraken heeft gemaakt in verband met de door haar in dat jaar te verlenen reguliere extramurale zorg voor verzorging, verpleging en begeleiding, die neerkwamen op een (in haar tarieven te vergoeden) regulier budget van (omgerekend) € 1.378.365,-.

Voorts staat vast dat de daadwerkelijke totale productie van appellante op de onderscheiden zorgvormen, ondanks de overschrijding van de gemaakte afspraken met betrekking tot de te verlenen verzorging, in 2001 overeenkwam met een lager bedrag, namelijk totaal € 1.302.034.

Omdat in de Beleidsregel aanvaardbare kosten verzorgingshuizen is neergelegd dat binnen het niet-nacalculeerbare deel van de aanvaardbare kosten substitutie - vervanging van de ene zorgvorm door de andere - is toegestaan en bovendien gezien onderdeel 4. van de Beleidsregel extramurale zorg op de afgesproken productie 2001 geen nacalculatie plaatsvindt, brengt het vorenstaande mee dat appellante in 2001 over € 76.331,- meer heeft kunnen beschikken, zonder dat zij de overeengekomen reguliere productie heeft gerealiseerd.

5.3 Mede gelet op het – onder meer uit de brief van de staatssecretaris van 10 oktober 2000 blijkende – kabinetsbeleid, ligt aan de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen de doelstelling ten grondslag om met behulp van daarvoor speciaal ter beschikking gestelde financiële ruimte de productie van verzorgingshuizen te vergroten teneinde daarmee de wachtlijsten voor de door verzorgingshuizen verstrekte zorg te verkleinen.

Met verweerder concludeert het College dat deze doelstelling redengevend is voor de in deze Beleidsregel onder 2.1, onder b. genoemde voorwaarde, inhoudende dat alleen sprake kan zijn van een –tot extra budget van het desbetreffende verzorgingshuis leidende – aanvullende productie-afspraak indien er geen sprake is van onderschrijding van de reguliere productieafspraak 2001. Dat daarbij uitgegaan moet worden van de totale reguliere productieafspraak 2001, blijkt naar het oordeel van het College reeds uit de omstandigheid dat appellante in 2001 vrijgelaten werd in de wijze waarop de totale overeengekomen productie (en daarmee het totale budget) werd aangewend voor de verschillende zorgvormen. Bij gebrek aan harde productieafspraken per zorgvorm, kan de eerder genoemde bepaling 2.1, onder b. van de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen niet anders worden begrepen dan betrekking hebbend op de totale reguliere productie-afspraak. Voorts kan naar het oordeel van het College niet zonder meer worden aangenomen dat aanvullende productie op één (of meer) van de door een verzorginghuis te verlenen zorgvormen, die niet gepaard gaat met een volledige realisatie van (het bedrag van) de overeengekomen reguliere productie, bijdraagt tot een toename van de zorg en daarmee aan het verkorten van de wachtlijsten.

5.4 Nu vaststaat dat appellante, in weerwil van de overschrijding van de met het zorgkantoor overeengekomen productie voor verzorging, het in zijn totaliteit met haar reguliere productieafspraken gemoeide budget 2001 heeft onderschreden en zij bovendien dat budget gelet op de toepasselijke beleidsregels heeft kunnen behouden, heeft verweerder zich gelet op die beleidsregels terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet in aanmerking kon komen voor een positieve nacalculatie over het jaar 2001.

5.5 Voorts is het College niet gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan verweerder in dit geval tot afwijking van de toepasselijke beleidsregels had moeten besluiten.

Hoewel aan appellante - en verweerder - kan worden toegegeven dat de toepasselijke beleidsregels in hun onderlinge samenhang bij eerste lezing wellicht niet zonneklaar zijn, kan daaraan niet de rechtens te honoreren verwachting worden ontleend dat ook in een geval waarin sprake is van een onderschrijding van het met de overeengekomen reguliere productie overeenkomende budget, niettemin aanspraak zou kunnen bestaan op extra budget in verband met overschrijding van een deel van hetgeen overeengekomen is.

De stelling van appellante dat onderling niet verrekend zou mogen worden tussen de onderscheiden zorgvormen stuit af op het feit dat voor haar als instelling op grond van de Beleidsregel aanvaardbare kosten binnen het reguliere budget de mogelijkheid tot substitutie bestond, terwijl zij op grond van de Beleidsregel extramurale zorg de totale onderproductie ten opzichte van haar reguliere budget heeft kunnen behouden.

Veeleer had uit de Beleidsregel bestedingsplannen verzorgingshuizen ten grondslag liggende doelstellingen (ook) voor appellante duidelijk kunnen en moeten zijn dat zij bij haar gerealiseerde, bij de met het zorgkantoor overeengekomen achterblijvende, reguliere productie in 2001 en de omstandigheid dat op die onderschrijding geen nacalculatie plaatsvond op het reguliere budget, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval niet in aanmerking zou kunnen komen voor een aanvullend budget. Hetgeen appellante in dit verband heeft gesteld omtrent haar communicatie met het zorgkantoor kan reeds omdat verweerder daar niet voor verantwoordelijk is niet afdoen, terwijl gesteld noch gebleken is dat van de zijde van verweerder aan appellante enige toezegging in dat verband zou zijn gedaan dat zij voor een positieve nacalculatie over 2001 in aanmerking zou kunnen komen.

Verweerder heeft naar het oordeel van het College voorts een uitvoerige en afdoende uitleg gegeven met betrekking tot het feit dat hij aanvankelijk - bij de eerste 10 van circa 1.400 verzoeken tot positieve nacalculatie 2001 - op basis van een onjuiste veronderstelling omtrent de wijze van toetsing daarvan door de zorgverzekeraars tot inwilliging van die verzoeken is overgegaan. Met verweerder is het College van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet dwingt tot het in strijd met de toepasselijke beleidsregels continueren van die onjuiste besluitvorming,

5.6 Tenslotte heeft verweerder zich naar het oordeel van het College op goede gronden op het standpunt gesteld dat ook de door appellante gestelde individuele omstandigheden niet dwingen tot een afwijking van het in de beleidsregels van verweerder neergelegde beleid.

De financiële positie van appellante en - in verband daarmee - haar stelling met betrekking tot het zonder bijkomende financiële ondersteuning extra geopende steunpunt in de Leidse Merenwijk zijn niet van zodanig bijzondere aard, dat verweerder daarin naar het oordeel van het College aanleiding had behoren te vinden het verzoek van appellante in weerwil van de toepasselijke beleidsregels te honoreren.

5.7 Nu verweerder op juiste gronden de afwijzing van het verzoek van appellante om positieve nacalculatie over 2001 heeft gehandhaafd is het beroep van appellante ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2005.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining