Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT9208

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/600 8 juli 2005

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

Visserijbedrijf De Rousant B.V., te Warffum, appellante,

gemachtigde: M.J. van der Ploeg,

tegen

Productschap Vis, verweerder,

gemachtigden: mr. M.E. Hoek-Weijdeveld, mr. L.J. Zijp, mr. A.-M. van Arkel-Rijbroek en F. Peters, allen werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 13 juli 2004, bij het College binnengekomen op 14 juli 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 juni 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2003, waarbij verweerder aan appellante op grond van onder meer de Verordening financiering kosten van een promotiecampagne garnalen 2001 (hierna: de Verordening) heffingen over het jaar 2001 heeft opgelegd, ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 mei 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de bedrijfsorganisatie bepaalt, voorzover thans van belang:

"Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan (…):

a. (…);

g. fondsen en andere instellingen in het belang der bedrijfsgenoten.

(…)

Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

(…) "

De Instellingsverordening Productschap Vis (hierna: de Instellingsverordening), voorzover hier van belang, luidde:

"Artikel 2

1. In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. vis: vissen, schaal- en schelpdieren, delen van vissen alsmede van schaal- en schelpdieren en puf en nest, een en ander met uitzondering van sier- en aquariumdieren;

b. visserij: het bedrijf van het vangen of kweken van vissen, schaal- en schelpdieren en puf en nest, een en ander met uitzondering van sier- en aquariumdieren.

Artikel 3

1. Er is een Productschap Vis.

2. Het Productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:

a. de visserij wordt uitgeoefend; (…)

Artikel 9

1. De door het productschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur passend acht.

2. Het productschap kan heffingen opleggen voor een ander doel dan de dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap. "

Bij besluit van 7 september 2000 heeft verweerder de Verordening vastgesteld. Hierin is, voorzover thans van belang, onder meer het volgende vermeld:

"Artikel 5

1. Een ondernemer die met een Nederlands vissersvaartuig garnalen aanvoert is over alle door hem aangevoerde en voor menselijke consumptie verkochte hoeveelheden garnalen aan en ten behoeve van het Productschap een heffing verschuldigd van ƒ 0,02 per kg.

Artikel 6

1. Een in Nederland gevestigde ondernemer die garnalen betrekt van een ondernemer als bedoeld in artikel 5, is over alle door hem van die ondernemer voor menselijke consumptiedoeleinden betrokken hoeveelheden garnalen aan en ten behoeve van het Productschap een heffing verschuldigd van ƒ 0,02 per kg. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een onderneming die onder andere met de Nederlandse vaartuigen ZK 40, ZK 80 en ZK 185 garnalen aanvoert in Nederland en in andere lidstaten van de Europese Unie.

- Op 13 februari 2003 heeft de Garnalenadviescommissie op verzoek van verweerder een advies over de heffingssystematiek in de garnalensector uitgebracht.

- Bij besluit van 19 februari 2003 heeft verweerder, voorzover thans van belang, op grond van artikel 5 van de Verordening aan appellante over het jaar 2001 voor het garnalenpromotiefonds heffingen opgelegd tot een bedrag van ƒ 833,96 (€ 378,43).

- Tegen dit besluit is door appellante bezwaar gemaakt bij brief van 6 maart 2003, aangevuld bij brieven van 30 oktober 2003 en 26 januari 2004.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, overwegingen 5.1 en 5.2 van de uitspraak van het College van 21 februari 2003, www.rechtspraak.nl, LJN AF5729, aangehaald en zich op het standpunt gesteld dat die overwegingen eveneens van toepassing zijn op de bezwaren van appellante in deze.

In overweging 5.1 van die uitspraak is door het College bepaald dat de omstandigheid dat het belastbare feit, het met een Nederlands vissersvaartuig aanvoeren, in Denemarken heeft plaatsgehad, aan de verschuldigdheid van de heffing niet in de weg staat. Ingevolge artikel 9 van de Instellingsverordening kunnen heffingen worden opgelegd naar een grondslag die het productschapsbestuur passend acht. Evenmin ziet het College grond voor het oordeel dat de term aanvoeren in de van toepassing zijnde heffingsverordeningen naar tekst, doel of strekking de beperkte uitleg van "aan land brengen van vis in Nederland" toekomt.

In overweging 5.2 van die uitspraak is geoordeeld dat de omstandigheid dat de betrokken onderneming, naar zij heeft gesteld, niet profiteert van de activiteiten die uit de heffingsopbrengst wordt bekostigd, en reeds heffing in Denemarken heeft betaald, de in het geding zijnde heffingen niet hun rechtsgrond ontneemt. Noch ingevolge artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, noch ingevolge de van toepassing zijnde verordeningen is verweerders bevoegdheid tot het opleggen van heffingen afhankelijk van het profijt dat de ondernemer heeft, of stelt te hebben, van de hiermee bekostigde activiteiten. Verweerder heeft er bovendien naar het oordeel van het College terecht op gewezen dat hetgeen de betrokken onderneming reeds in Denemarken heeft betaald, een vergoeding voor (haven)faciliteiten betreft, die niet vergelijkbaar is met de in geding zijnde heffingen van een bedrijfslichaam als verweerder.

Blijkens het thans bestreden besluit heeft verweerder voorts advies gevraagd aan de Garnalenadviescommissie over de heffingssystematiek in de garnalensector. Dat advies, waaraan overleg tussen die commissie en de visserijverenigingen is vooraf gegaan, heeft verweerder overgenomen. Eén en ander heeft ertoe geleid, dat de heffingssystematiek niet is gewijzigd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van haar beroep aangevoerd dat de betwiste bestemmingsheffing een concurrentievervalsende uitwerking heeft. De totale hoeveelheid aangevoerde garnalen wordt voor 80 tot 90 procent buiten Nederland afgezet, terwijl alleen Nederlandse vissers met de heffing voor de promotiecampagne worden belast. En hoewel appellante niet betwist dat zij wel enig voordeel van de promotieactiviteiten voor de Hollandse garnaal in zowel Nederland als daarbuiten ondervindt, is zij van mening dat niet redelijk is dat uitsluitend de Nederlandse vissers de kosten daarvan dragen, terwijl alle in Europa gevangen garnalen in hetzelfde afzetgebied worden verkocht. Volgens appellante drukken bovendien de extra kosten voor de heffing in deze tijd, waarin de markt slecht is, onevenredig zwaar op de vissers. Verder is appellante van mening dat niet de vissers via heffingen van het productschap, maar de handelaren de promotiekosten moeten dragen, hetgeen zij ook willen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt in de eerste plaats vast dat appellant niet betwist dat de in geding zijnde heffingen voor 2001 overeenkomstig de Verordening zijn opgelegd. Dit betekent dat het bestreden besluit slechts voor vernietiging in aanmerking zou komen, indien geoordeeld moet worden dat de Verordening, waarop de heffingen zijn gebaseerd, onverbindend is. Het College ziet geen grond voor zulk een oordeel en overweegt hiertoe het volgende.

Ingevolge artikel 9 van de Instellingsverordening kunnen heffingen worden opgelegd naar een grondslag die het productschapsbestuur passend acht. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aankopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om (ook) aan de ondernemingen die met een Nederlands vissersvaartuig garnalen aanvoeren een bestemmingsheffing op te leggen voor de promotie van garnalen. De – niet nader onderbouwde – stelling van appellante, dat beter een ander deel van de sector, namelijk de handelaren, voor de promotie van de Hollandse garnaal zorg kan dragen, omdat die daarvan het meeste profijt ondervindt, doet hieraan niet af. Zoals het College in de eerder aangehaalde uitspraak van 21 februari 2003 heeft overwogen, stelt noch artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, noch de Instellingsverordening of de Verordening, het opleggen van heffingen afhankelijk van het profijt dat de ondernemer heeft, of stelt te hebben, van de daarmee bekostigde activiteiten.

Appellantes stellingen inzake concurrentievervalsing zijn niet nader onderbouwd en kunnen reeds daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Hetgeen appellante heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de bestemmingsheffing voor de promotie van garnalen strijdig is met hogere regelgeving.

Gelet op het voorgaande moet de conclusie zijn dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. J.M.W. van de Sande