Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8941

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/57
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/57 24 juni 2005

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

Smink Food B.V. te Amersfoort, appellante,

gemachtigde: mr. A.J. Braakman, advocaat te Leiden,

tegen

Productschap Pluimvee en Eieren, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigden: mr. W.J.L. Verheul en mr. M.R. Bierling, beiden werkzaam bij het secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Appellante heeft op 25 januari 2005 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van het College van

22 september 2004, nr. AWB 97/994B (www.rechtspraak.nl, LJN AR 3070), opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen de afwijzing van een van haar verzoeken om terug te komen van zijn besluit van 2 februari 1989 tot terugvordering van restituties bij uitvoer.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn verschenen. Voor de behandeling ter zitting is de zaak gevoegd met het beroep van Kühne & Heitz B.V., aanhangig onder nr. AWB 05/55. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 2 februari 1989 heeft verweerder appellante mededeling gedaan van zijn besluit om over te gaan tot terugvordering van NLG 639.180,71 aan teveel uitgekeerde restituties en tot invordering van NLG 4.030,- aan vrijgegeven waarborg ten behoeve van voorfixatie.

- Appellante heeft het gevraagde bedrag voldaan op 12 februari 1989. Zij heeft hierbij aangegeven dat de betaling onder protest geschiedde en als onverschuldigd diende te worden aangemerkt.

- Tegen het besluit tot terugvordering heeft appellante bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 24 februari 1989, aangevuld bij brieven, ingekomen op 30 mei 1989, 12 juli 1989 en 31 augustus 1989 beroep ingesteld bij het College. De vordering van appellante, zoals verder aangevuld ter zitting van 13 juli 1990, hield in dat het College de betrokken besluiten zou vernietigen, zou bepalen dat verweerder overgaat tot uitkering van de aan verweerder terugbetaalde bedragen, verhoogd met de daarop gekweekte rente en verweerder zou veroordelen in de kosten die appellante in verband met het geschil heeft moeten maken. In de brief die is ingekomen op 31 augustus 1989 heeft appellante voor het eerst vergoeding van rente gevorderd.

- Desgevraagd heeft verweerder het College bij brief van 19 september 1989 bericht het beroep niet als bezwaarschrift op de voet van artikel 36a van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie in behandeling te zullen nemen.

- Bij uitspraak van 28 maart 1991, nr. 89/0660/08/013 heeft het College het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, uitsluitend voor zover daarbij prefixatie-waarborg wordt ingevorderd, en het beroep voor het overige verworpen.

- Bij brief van 30 januari 1995 heeft appellante, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 5 oktober 1994 in de zaak C-151/93 (Voogd Vleesimport en -export) verweerder verzocht om, voor zover thans nog van belang, uitbetaling van:

a) NLG 639.180,71 terzake van haars inziens ten onrechte teruggevorderde restitutie, de wettelijke rente over dit bedrag te berekenen vanaf 12 februari 1989, de griffierechten ad NLG 150,- in verband met de procedure voor het College die tot de uitspraak van 28 maart 1991 heeft geleid en de kosten van rechtsbijstand die op dat moment NLG 14.404, 98 bedroegen (het eerste verzoek) en

b) (…)

- Bij besluit van 11 mei 1995 heeft verweerder beide verzoeken afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante op 20 juni 1995 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 17 juli 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 1 november 2000 heeft het College, naar aanleiding van het door appellante ingestelde beroep, ter zake van het eerste verzoek het onderzoek heropend in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de in de zaak AWB 97/995 op grond van artikel 234 EG gestelde prejudiciële vraag. Het beroep ter zake van het tweede verzoek is ongegrond verklaard.

- Bij zijn arrest van 13 januari 2004, C-453/00, Kühne & Heitz, heeft het Hof van Justitie de vraag beantwoord.

- Bij brief van 8 april 2004 heeft appellante desgevraagd haar opmerkingen naar aanleiding van het arrest aan het College kenbaar gemaakt. Verweerder heeft doen weten geen aanleiding te zien voor het maken van opmerkingen.

- Bij uitspraak van 22 september 2004 AWB 97/994 B heeft het College het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 17 juli 1997 vernietigd, voorzover hierbij is beslist op het bezwaar tegen verweerders beslissing op het eerste verzoek en bepaald dat verweerder opnieuw op appellantes bezwaar tegen verweerders beslissing op het eerste verzoek beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Tevens is verweerder veroordeeld in de kosten van de procedure bij het College en het Hof van Justitie in de samenhangende zaken Sminkfood en Kühne & Heitz.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van 20 juni 1995 alsnog gegrond verklaard, zijn besluit van 11 mei 1995 herroepen en de terugvordering ingetrokken.

Met betrekking tot de overige vorderingen van appellante heeft verweerder, voorzover van belang, als volgt overwogen en beslist.

" Inzake uw verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 februari 1989 en de kosten van juridische bijstand die uw cliënt in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedure voor het CBb heeft moeten maken welke kosten volgens u f 14.404,98 inclusief BTW bedragen, wordt het volgende opgemerkt.

Naar mening van het productschap komt uw verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. Het productschap overweegt hiertoe het volgende.

Nu ten tijde van het besluit van 2 februari 1991 de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet Arob) van toepassing was, onder deze wet het begrip "zelfstandig schadebesluit" nog geen intrede had gedaan en er onder de Wet Arob geen recht op vergoeding van de schade bestond als gevolg van een besluit dat door een rechtsorgaan is vernietigd, kan om die reden al geen vergoeding worden verleend voor de door u gestelde geleden schade in de vorm van wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 februari 1989.

Overigens merkt het productschap op hiertoe temeer geen aanleiding te zien aangezien het besluit tot intrekking en terugvordering van het bedrag van f 639.180,71 naar de toen geldende rechtsopvattingen juist is gebleken. Het College heeft immers in zijn uitspraak van 22 november 1991 het beroep ongegrond verklaard, (…)

Hieruit blijkt dat het voor het College zonder enige twijfel klip en klaar was, dat de door het productschap gehanteerde opvatting op de toepassing van de GDT als juist kon worden beoordeeld.

(…)

Het College heeft zelfs niet overwogen tot het stellen van prejudiciële vragen, daar het zoals uit beide uitspraken blijkt (…) een acte claire c.q. acte éclairé betrof.

Het productschap had dan ook, nu de wijze van toepassing door het productschap van de betrokken delen van het GDT meerdere malen door het CBb is bevestigd, geen enkele twijfel en behoefde deze ook niet te hebben, dat het destijds terecht de restitutie heeft ingetrokken en heeft teruggevorderd. Tot meer dan het herroepen van de terugvordering acht het productschap zich dan iook niet gehouden.

Het productschap wijst uw verzoek derhalve af.

(…)

Inzake uw verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand die uw cliënt in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedure voor het College heeft moeten maken welke kosten volgens u f 14.404,98 inclusief BTW bedragen wordt het volgende opgemerkt.

Ter zake kan naar analogie van hetgeen ten aanzien van de vergoeding van rente is gesteld, worden opgemerkt dat vóór de inwerkingtreding van het huidige artikel 7:15, derde lid, van de Awb de tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten voor rekening zijn van de bezwaarde. Op dit beginsel werd door de jurisprudentie slechts een uitzondering gemaakt in geval van besluiten "tegen beter weten in"; daarvan was hier om voormelde reden geen sprake. Ten tijde van de Wet Arob was dit niet anders en was er geen ruimte het verzoek als door u voorgestaan te honoreren.

Het productschap wijst uw verzoek derhalve af."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Anders dan ter zitting van 8 september 2004 toegezegd heeft verweerder niet onverwijld, maar pas op 10 december 2004 een beslissing genomen op het verzoek om heroverweging van het besluit van 21 juli 1997. Hierdoor heeft appellante schade geleden.

Het beroep beperkt zich thans tot de afwijzing van het verzoek om vergoeding van

- de wettelijke rente over het bedrag van NLG 639.180,71 vanaf 12 februari 1989;

- de kosten van juridische bijstand.

Appellante heeft van meet af aan recht gehad op de restituties, behorend bij indeling in tariefpost 02.02B II e)3. De indeling van de betrekkelijke kuikendelen met terugwerkende kracht in deze tariefpost maakt dat het bedrag waarop om die reden indertijd recht bestond, geacht moet worden rente te hebben gedragen, die appellante thans niet mag worden ontzegd. Verweerder mag zich niet verschuilen achter de uitspraak van 21 november 1991 van het College. Uit de arresten van het Hof van Justitie van 5 maart 1996 (Brasserie du pêcheur en Factortame), gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, Jur. 1996, blz I-1029 blijkt dat de Staat ter zake van schendingen van het gemeenschapsrecht in zijn geheel moet worden beschouwd, ongeacht de vraag aan welk orgaan de schade is toe te rekenen.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand wordt opgemerkt dat, volgens vaste rechtspraak, een overheidslichaam dat een beschikking neemt of handhaaft die later door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet een onrechtmatige daad pleegt. Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, zulks te meer omdat hij erkent dat het besluit van 2 februari 1989 onjuist was. De verplichting van verweerder om de gekwalificeerde schending volledig recht te zetten en al het mogelijke te doen om het resultaat te bereiken dat wordt beoogd met de geschonden regel van het gemeenschapsrecht, includeert dat verweerder gehouden is de schade te vergoeden die appellante heeft geleden als gevolg van de gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht in de vorm van kosten aan juridische bijstand die zij heeft moeten maken om haar recht te krijgen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit is teruggekomen van zijn eerdere besluit d.d. 2 februari 1989 tot terugvordering van restituties, omdat laatstgenoemd besluit genomen is op grond van een onjuiste tariefpostindeling en derhalve in strijd met de desbetreffende verordening. Hiermee is naar het oordeel van het College de onrechtmatigheid van het besluit van 2 februari 1989 gegeven, zodat verweerder in beginsel gehouden is de uit het onrechtmatige besluit voortvloeiende schade te vergoeden. Dat het College de onjuiste tariefpostindeling heeft bevestigd, maakt dit niet anders. Niet de uitspraak van het College heeft de door appellante geleden schade veroorzaakt, maar de terugvordering als zodanig door verweerder van het bedrag dat, achteraf terecht, aan restituties aan appellante was uitbetaald. Evenmin doet aan de gehoudenheid de uit de onrechtmatige daad voortvloeiende schade te vergoeden af dat ten tijde dat het onrechtmatige besluit werd genomen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog niet in werking was getreden. Het College overweegt dienaangaande dat de jurisprudentie ten aanzien van artikel 4, tweede lid, van de Wet arbo het ook al vóór de inwerkingtreding van de Awb mogelijk maakte om in bepaalde gevallen tegen de weigering van een lichaam om tot het vergoeden van schade over te gaan, beroep in te stellen. (CBB 17 mei 1963, SEW 1963, blz. 531).

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het verzoek van appellante om vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 1286 BW van de wettelijke rente over het bedrag van NLG 639.180,71, in verband met vertraging in de voldoening van het verschuldigde bedrag, ten onrechte geheel heeft afgewezen, aangezien deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onrechtmatige terugvorderingsbesluit.

Met betrekking tot de datum vanaf welke wettelijke rente door verweerder verschuldigd is overweegt het College als volgt. Gelet op artikel 182 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Overgangswet NBW), dient het onrechtmatig handelen van verweerder beoordeeld te worden naar de bepalingen van het BW zoals dat vóór 1 januari 1992 van kracht was.

Ingevolge artikel 1286, derde lid, BW(oud) wordt de wettelijke rente, behoudens bijzondere wettelijke voorschriften, berekend van de dag dat hij in rechte wordt gevorderd, tenzij de schuldenaar is aangemaand.

Dat betekent in het onderhavige geval dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf

31 augustus 1989, het tijdstip waarop appellante haar vordering bij het College heeft aangevuld met het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de gekweekte rente. De mededeling van appellante aan verweerder op 12 februari 1989 dat de terugbetaling van de restituties onder protest geschiedde kan naar het oordeel van het College niet als een aanmaning in de zin van voormeld artikel 1286, derde lid BW (oud) worden opgevat.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand, gemaakt in de procedure bij het College in 1990 en 1991 overweegt het College het volgende.

Indertijd was, als gezegd, voor de bezwaarschriftenprocedure en de procedure bij het College de Wet arbo van kracht. Een bezwaarschriftenprocedure is er in deze zaak niet geweest, zodat aan de vraag of de eventuele kosten daarvan voor vergoeding in aanmerking zouden komen, kan worden voorbijgegaan.

Ingevolge artikel 61 van de Wet arbo kon het College de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten, die de wederpartij in verband met het geschil heeft moeten maken. Deze bepaling zag alleen op de kosten van rechtsbijstand in de procedure bij het College. Uit de jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van voormeld artikel 61 valt af leiden dat in gevallen waarin de kosten van rechtsbijstand als noodzakelijk gemaakte kosten werden aangemerkt, voor de vergoeding ervan werd aangesloten bij het door de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten vastgestelde liquidatietarief voor de gerechtshoven (CBB 11 april 1989, no. 50/01/331, UCB 89 nr.24, CBB 8 maart 1991, nr. 87/3313/13/004 UCB 1991 nr.16). Voor het voorliggende geval zou dit betekend hebben dat aan appellante een bedrag van NLG 3600,- zou zijn toegekend. Dit bedrag komt derhalve voor vergoeding in aanmerking.

Ingevolge artikel 60 van de Wet arbo kon het College indertijd het lichaam veroordelen tot vergoeding van of tot betaling van een tegemoetkoming in de schade, die de verzoeker door het besluit of de handeling geleden heeft. Deze bepaling kon volgens de toenmalige jurisprudentie niet strekken tot veroordeling van het lichaam in de door de verzoeker gemaakte gedingkosten. Immers, ten aanzien van dergelijke kosten is bij genoemde wet een aparte voorziening gegeven en wel in haar artikel 61, waar is bepaald, dat het College de in het ongelijk gestelde wederpartij, in voorkomend geval het lichaam, kan veroordelen in de kosten, die de wederpartij in verband met het geschil heeft moeten maken. (CBB 18 januari 1989, AB 1981,373, SEW 1980, blz 815).

Werkelijke proceskosten die niet of vanwege normerings- of matigingsregels niet geheel op grond van artikel 61 Wet arbo toegewezen worden, konden derhalve niet met succes op grond van artikel 60 worden geclaimd. Hieruit volgt dat de door appellante gemaakte kosten in verband met de procedure bij het College in 1991, voor zover ze niet op grond van artikel 61 voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen, niet door verweerder behoeven te worden vergoed.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dat betekent dat verweerder zal moeten besluiten aan appellante te vergoeden de wettelijke rente, berekend vanaf 31 augustus 1989, van het bedrag van NLG 639.180,71

(€ 290.047,56). Voorts dient aan appellante het bedrag van NLG 3.600 (€ 1634,-)in verband met de kosten van de procedure bij het College in 1991, te worden vergoed.

Het College ziet termen om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op € 322,- , uitgaande van twee samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op € 322,-

(zegge driehonderd en tweeëntwintig euro);

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,- (zegge tweehonderd en drieënzeventig euro)

door verweerder aan haar wordt vergoed.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. C.J. Borman en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Meijer