Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8939

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/55
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/55 24 juni 2005

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

Kühne & Heitz N.V., te Schiedam, appellante,

gemachtigde: mr. A.J. Braakman, advocaat te Leiden,

tegen

Productschap Pluimvee en Eieren, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigden: mr. W.J.L. Verheul en mr. M.R. Bierling, beiden werkzaam bij het secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 januari 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van het College van

22 september 2004, nr. AWB 97/995B (www.rechtspraak.nl LJN AR3068, AB 2004,371, JB 2004,382), opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen de afwijzing van een van haar verzoeken om terug te komen van zijn besluit van 1 maart 1990 tot terugvordering van restituties bij uitvoer.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn verschenen. Voor de behandeling ter zitting is de zaak gevoegd met het beroep van Smink Food B.V., aanhangig onder nr. AWB 05/57. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 1 maart 1990 heeft verweerder appellante mededeling gedaan van zijn besluit om over te gaan tot terugvordering van NLG 970.950,98 aan teveel uitgekeerde restituties en tot invordering van NLG 14.878,28 aan vrijgegeven waarborg ten behoeve van voorfixatie.

- Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld bij het College. Het beroepschrift is vervolgens door verweerder met toepassing van artikel 36a van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wet arbo) als bezwaarschrift in behandeling genomen. Appellante is ter zake van haar bezwaarschrift gehoord.

- Bij besluit van 13 december 1990 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 22 november 1991, nr. 91/0130/008/013 heeft het College het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, uitsluitend voor zover daarbij prefixatie-waarborg wordt ingevorderd, en het beroep voor het overige verworpen.

- Bij brief van 13 december 1994 heeft appellante, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-151/93 (Voogd Vleesimport en -export) twee verzoeken aan verweerder gedaan, waarvan het eerste als volgt luidde:

" Namens Kühne + Heitz verzoek ik u dan ook het teruggevorderde bedrag van fl. 970.950,98 opnieuw uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 1992. (…). Voorts maakt Kühne + Heitz aanspraak op vergoeding van de garantieprovisie van fl. 4.313,- voor de bankgarantie die zij heeft moeten stellen in de periode vanaf 8 maart 1990 tot aan 31 januari 1992, griffierechten van fl. 150,- die zij in verband met de procedure bij het College van heeft moeten betalen en de kosten van juridische bijstand die zij in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedure voor het College heeft moeten maken. Deze laatste kosten bedragen in totaal

fl. 37.112,51 incusief BTW."

- Bij besluit van 11 mei 1995 heeft verweerder beide verzoeken afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante op 20 juni 1995 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 21 juli 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 1 november 2000 heeft het College, naar aanleiding van het door appellante ingestelde beroep, ter zake van het eerste verzoek het onderzoek heropend en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) op grond van artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld. Het beroep ter zake van het tweede verzoek is ongegrond verklaard.

- Bij zijn arrest van 13 januari 2004 (C-453/00) heeft het Hof van Justitie de vraag beantwoord.

- Bij brief van 9 maart 2004 heeft appellante desgevraagd haar opmerkingen naar aanleiding van het arrest aan het College kenbaar gemaakt. Verweerder heeft doen weten geen aanleiding te zien voor het maken van opmerkingen.

- Bij uitspraak van 22 september 2004 AWB 97/995 B heeft het College het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 21 juli 1997 vernietigd voorzover hierbij is beslist op het bezwaar tegen verweerders beslissing op het eerste verzoek en bepaald dat verweerder opnieuw op appellantes bezwaar tegen verweerders beslissing op het eerste verzoek beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Tevens is verweerder veroordeeld in de kosten van de procedure bij het College en het Hof van Justitie.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van 20 juni 1995 alsnog gegrond verklaard, zijn besluit van 11 mei 1995 herroepen, behoudens voorzover dit betrekking had op de terugvordering van een bedrag van NLG 63.770,66 en de terugvordering, voorzover deze een bedrag betrof van NLG 907.180,32, ingetrokken.

Met betrekking tot de overige vorderingen van appellante heeft verweerder, voorzover van belang, als volgt overwogen en beslist.

" Inzake uw verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 1992, vermeerderd met een vergoeding van de garantieprovisie van f 4.313,- voor de bankgarantie in de periode vanaf 8 maart 1990 tot aan

31 januari 1992, (…) en de kosten van juridische bijstand die uw cliënt in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedure voor het CBb heeft moeten maken welke kosten volgens u f 37.112,51 inclusief BTW bedragen, wordt het volgende opgemerkt.

Naar mening van het productschap komt uw verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. Het productschap overweegt hiertoe het volgende. Het besluit tot intrekking en terugvordering van het bedrag van f 970.950,98 is naar de toen geldende rechtsopvattingen juist gebleken. Het College heeft immers in zijn uitspraak van 22 november 1991 het beroep ongegrond verklaard, (…)

Nu ten tijde van het besluit van 1 maart 1990 de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet Arob) van toepassing was, onder deze wet het begrip "zelfstandig schadebesluit" nog geen intrede had gedaan en er onder de Wet Arob geen recht op vergoeding van de schade bestond als gevolg van een besluit dat door een rechtsorgaan is vernietigd, kan om die reden al geen vergoeding worden verleend voor de door u gestelde geleden schade in de vorm van wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 1992, vermeerderd met een vergoeding van de garantieprovisie van f 4.313,- voor de bankgarantie in de periode vanaf 8 maart 1990 tot aan 31 januari 1992.

Daarbij kan vervolgens worden gesteld dat uit de hierboven vermelde overwegingen blijkt dat het voor het College zonder enige twijfel klip en klaar was, dat de door het productschap gehanteerde opvatting op de toepassing van de GDT als juist kon worden beoordeeld. Het College heeft zelfs niet overwogen tot het stellen van prejudiciële vragen, daar het zoals uit zijn uitspraak blijkt (…) een acte claire c.q. acte éclairé betrof.

Het productschap wijst uw verzoek derhalve af.

(…)

Inzake uw verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand die uw cliënt in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedure voor het College heeft moeten maken welke kosten volgens u f 37.112,51 inclusief BTW bedragen wordt het volgende opgemerkt.

Ter zake kan naar analogie van hetgeen ten aanzien van de vergoeding van rente is gesteld, worden opgemerkt dat vóór de inwerkingtreding van het huidige artikel 7:15, derde lid, van de Awb de tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten voor rekening zijn van de bezwaarde. Op dit beginsel werd door de jurisprudentie slechts een uitzondering gemaakt in geval van besluiten "tegen beter weten in"; daarvan was hier om voormelde reden geen sprake. Ten tijde van de Wet Arob was dit niet anders en was er geen ruimte het verzoek als door u voorgestaan te honoreren.

Het productschap wijst uw verzoek derhalve af."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Anders dan ter zitting van 8 september 2004 toegezegd heeft verweerder niet onverwijld, maar pas op 10 december 2004 een beslissing genomen op het verzoek om heroverweging van het besluit van 21 juli 1997. Hierdoor heeft appellante schade geleden. Appellante heeft bij de afsluiting van het boekjaar op 31 december 2004, terwijl zij over het boekjaar 2004 een winstwaarschuwing heeft moeten afgeven, geen rekening kunnen houden met de terugbetaling van restituties.

Het beroep beperkt zich thans tot de afwijzing van het verzoek om vergoeding van

- de wettelijke rente over het bedrag van NLG 907.180,32 vanaf 31 januari 1992;

- de garantieprovisie ten bedrage van NLG 4.313,- voor de bankgarantie;

- het bij besluit van 1 maart 1990 ingevorderde bedrag van NLG 14.878,- aan eerder vrijgegeven waarborg van voorfixatie, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 1992;

- de kosten van juridische bijstand die appellante in verband met de bezwaarschriftprocedure en de procedures voor het College en het Hof heeft moeten maken en nog zal moeten maken.

Appellante heeft van meet af aan recht gehad op de restituties, behorend bij indeling in tariefpost 02.02B II e)3. De indeling van de betrekkelijke kuikendelen met terugwerkende kracht in deze tariefpost maakt dat het bedrag waarop om die reden indertijd recht bestond, geacht moet worden rente te hebben gedragen, die appellante thans niet mag worden ontzegd. Verweerder mag zich niet verschuilen achter de uitspraak van 21 november 1991 van het College. Uit de arresten van het Hof van Justitie van 5 maart 1996 (Brasserie du pêcheur en Factortame), gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, Jur. 1996, blz. I-1029, blijkt dat de Staat ter zake van schendingen van het gemeenschapsrecht in zijn geheel moet worden beschouwd, ongeacht de vraag aan welk orgaan de schade is toe te rekenen.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand wordt opgemerkt dat, volgens vaste rechtspraak, een overheidslichaam dat een beschikking neemt of handhaaft die later door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet een onrechtmatige daad pleegt. Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, zulks te meer nu hij erkent dat het besluit van 1 maart 1990 onjuist was. De verplichting van verweerder om de gekwalificeerde schending volledig recht te zetten en al het mogelijke te doen om het resultaat te bereiken dat wordt beoogd met de geschonden regel van het gemeenschapsrecht, includeert dat verweerder gehouden is de schade te vergoeden die appellante heeft geleden als gevolg van de gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht in de vorm van kosten aan juridische bijstand die zij heeft moeten maken om haar recht te krijgen.

Appellante gaat er verder vanuit, dat verweerder door zich niet uit te laten over haar verzoek om vergoeding van de vrijgegeven waarborg voor voorfixatie, gedaan in de Opmerkingen die zij heeft gemaakt naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004, heeft aangegeven dat appellantes aanspraak wordt erkend. Indien dit niet het geval is moet om gelijke redenen als hiervoor genoemd worden vastgesteld dat deze aanspraak bestaat. Dat geldt ook voor het verzoek om vergoeding van de garantieprovisie.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit is teruggekomen van zijn eerdere besluit d.d. 1 maart 1990 tot terugvordering van restituties, omdat laatstgenoemd besluit genomen is op grond van een onjuiste tariefpostindeling en derhalve in strijd met de desbetreffende verordening. Hiermee is naar het oordeel van het College de onrechtmatigheid van het besluit van 1 maart 1990 gegeven, zodat verweerder in beginsel gehouden is de uit het onrechtmatige besluit voortvloeiende schade te vergoeden. Dat het College de onjuiste tariefpostindeling heeft bevestigd, maakt dit niet anders. Niet de uitspraak van het College heeft de door appellante geleden schade veroorzaakt, maar de terugvordering als zodanig door verweerder van het bedrag dat, achteraf terecht, aan restituties aan appellante was uitbetaald. Evenmin doet aan de gehoudenheid de uit het onrechtmatige besluit voortvloeiende schade te vergoeden af dat ten tijde dat het onrechtmatige besluit werd genomen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog niet in werking was getreden. Het College overweegt dienaangaande dat de jurisprudentie ten aanzien van artikel 4, tweede lid van de Wet arbo het ook al vóór de inwerkingtreding van de Awb mogelijk maakte om in bepaalde gevallen tegen de weigering van een lichaam om schade te vergoeden, beroep in te stellen. (CBB 17 mei 1963, SEW 1963, blz. 531).

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het verzoek van appellante om vergoeding, overeenkomstig het bepaalde in het op 1 januari 1992 in werking getreden artikel 6:119 BW, van de wettelijke rente vanaf 31 januari 1992 over het bedrag van NLG 907.180,32, in verband met vertraging in de voldoening van het verschuldigde bedrag, ten onrechte heeft afgewezen, aangezien deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onrechtmatige terugvorderingsbesluit.

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de voor de bankgarantie betaalde provisie ten bedrage van NLG 4.313,- moet worden geoordeeld dat deze kosten in rechtstreeks verband stonden met de terugvordering van de restituties, zodat ook deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarprocedure in 1990 en de procedure bij het College in 1990 en 1991 gemaakte kosten overweegt het College het volgende.

Indertijd was, als gezegd, voor de bezwaarschriftenprocedure en de procedure bij het College de Wet arbo van kracht. Ingevolge artikel 61 van die wet kon het College de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten, die de wederpartij in verband met het geschil heeft moeten maken. Deze bepaling zag alleen op de kosten van rechtsbijstand in de procedure bij het College. Uit de jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van voormeld artikel 61 valt af leiden dat in gevallen waarin de kosten van rechtsbijstand als noodzakelijk gemaakte kosten werden aangemerkt, voor de vergoeding ervan werd aangesloten bij het door de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten vastgestelde liquidatietarief voor de gerechtshoven (CBB 11 april 1989, no. 50/01/331, UCB 89 nr.24, CBB 8 maart 1991, nr. 87/3313/13/004, UCB 1991 nr.16). Voor het voorliggende geval zou dit betekend hebben dat aan appellante een bedrag van

NLG 3600,- zou zijn toegekend. Dit bedrag komt derhalve voor vergoeding in aanmerking.

Ingevolge artikel 60 van de Wet arbo kon het College indertijd het lichaam veroordelen tot vergoeding van of tot betaling van een tegemoetkoming in de schade, die de verzoeker door het besluit of de handeling geleden heeft. Deze bepaling kon volgens de toenmalige jurisprudentie niet strekken tot veroordeling van het lichaam in de door de verzoeker gemaakte gedingkosten. Immers, ten aanzien van dergelijke kosten is bij genoemde wet een aparte voorziening gegeven en wel in haar artikel 61, waar is bepaald, dat het College de in het ongelijk gestelde wederpartij, in voorkomend geval het lichaam, kan veroordelen in de kosten, die de wederpartij in verband met het geschil heeft moeten maken. (CBB 18 januari 1980, AB 1981,373, SEW 1980, blz. 815).

Werkelijke proceskosten die niet of vanwege normerings- of matigingsregels niet geheel op grond van artikel 61 Wet arbo toegewezen worden, konden derhalve niet met succes op grond van artikel 60 worden geclaimd. Hieruit volgt dat de door appellante gemaakte kosten in verband met de procedure bij het College in 1991, voor zover deze niet op grond van artikel 61 voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen, niet door verweerder behoeven te worden vergoed.

Met betrekking tot de kosten die gemaakt zijn in het kader van de bezwaarschriftprocedure (appellante heeft niet aangegeven welk deel van de door haar opgevoerde kosten van rechtsbijstand op deze procedure betrekking hadden) overweegt het College dat deze, naar uit het voorgaande blijkt, niet voor vergoeding op grond van artikel 61 Wet arbo in aanmerking kwamen. Voor het overige geldt dat volgens bestendige rechtspraak van de bestuursrechter tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7:15 Awb de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de belanghebbende dienen te blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Er is slechts plaats voor vergoeding van de kosten, gemaakt in de bezwaarprocedure, indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde, dat gezegd moest worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat aan het besluit van 1 maart 1990 zodanig ernstige gebreken kleefden, dat geoordeeld moet worden dat verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig besluit op bezwaar heeft genomen. Reeds uit het feit dat het College het tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroep, voor zover betrekking hebbend op de tariefpostindeling, heeft verworpen en nadien door het gerechtshof te Den Haag over die indeling prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie moet worden afgeleid dat de opvatting van verweerder dat de kippendelen dienden te worden gerangschikt onder tariefpost 02.02.B.IIe3 van het G.D.T. niet zonder meer als onjuist kon worden gekenschetst.

Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand die appellante heeft gemaakt in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak van 22 september 2004 wordt overwogen dat te dien aanzien in die uitspraak een beslissing is neergelegd.

Het College stelt tenslotte vast dat het bestreden besluit, anders dan appellante heeft gesteld, geen - impliciete - beslissing inhoudt op het verzoek van appellante de waarborgsom voorfixatie te restitueren met wettelijke rente vanaf 31 januari 1992. Immers, de invordering door verweerder van het desbetreffende bedrag van NLG 14.878,28 is door het College reeds in zijn uitspraak van 22 november 1991 vernietigd. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat aan de uitspraak van het College op dit punt uitvoering is gegeven. Zelfs echter indien appellante niettemin, om welke reden dan ook, bedoeld bedrag van NLG 14.878,28 aan verweerder zou hebben betaald en niet terug ontvangen, houdt die omstandigheid geen verband met het thans door verweerder genomen besluit om voor het overige terug te komen van zijn besluit van 1 maart 1990.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dat betekent dat verweerder zal moeten besluiten aan appellante te vergoeden de wettelijke rente, berekend vanaf 31 januari 1992, van het bedrag van NLG 907.180, 32

(€ 411.660,48). Voorts dient het bedrag van NLG 4.313,- (€ 1957,15) ter zake van de bankprovisie en NLG 3.600,- (€ 1634,-) in verband met de kosten van de procedure bij het College in 1991 aan appellante te worden vergoed.

Het College ziet termen om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op € 322,- , uitgaande van twee samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op € 322,-

(zegge driehonderd en tweeëntwintig euro);

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,- (zegge tweehonderd en drieënzeventig euro)

door verweerder aan haar wordt vergoed.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. C.J. Borman en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Meijer