Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8909

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/62
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/62 15 juni 2005

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A h.o.d.n. B, te C, appellant,

gemachtigde: mr. J.H.M. Klaarenbeek-Heijster, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

de burgemeester van ‘s-Hertogenbosch, verweerder,

gemachtigde: mr. I. de Leeuw, werkzaam bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 januari 2005, bij het College binnengekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering tot verlening van een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten op grond van de Wet op de Kansspelen (hierna de Wet).

Bij brief van 4 maart 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Verweerder heeft, hoewel hierom bij brief van 28 januari 2005 is verzocht, geen verweerschrift ingediend.

Op 8 juni 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is, zoals voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën inrichtingen worden aangewezen die als laagdrempelige inrichtingen worden aangemerkt.

(…)

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde;

(…).”

Artikel 2 van het Speelautomatenbesluit 2000 luidt als volgt:

“ Als laagdrempelige inrichtingen worden aangemerkt inrichtingen waar meer dan drie biljarttafels aanwezig zijn en waarvoor ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet vergunning is verleend en deze nog

van kracht is, of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan:

- Appellant exploiteert op het adres D te C een horecagelegenheid onder de naam “B”.

- Bij een op 24 maart 2003 ondertekende aanvraag heeft appellant vergunning aangevraagd voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in de inrichting.

- Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder de vergunning geweigerd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief 25 januari 2004 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 28 mei 2004 hebben burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 26 november 2004 (AWB 04/556) heeft het College het besluit van 28 mei 2004 vernietigd en bepaald dat verweerder, als bevoegd bestuursorgaan, op het bezwaar van appellant beslist.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 7 april 2004, het bezwaar ongegrond verklaard. In het advies is het volgende gesteld:

“ De in het derde lid van artikel 30c Wok bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, nr. 223), houdende regels ter uitvoering van titel VA van de Wet op de kansspelen. In artikel 2 van het Speelautomatenbesluit is bepaald dat als laagdrempelige inrichtingen worden aangemerkt, inrichtingen waar meer dan drie biljarttafels aanwezig zijn en waarvoor ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet vergunning is verleend en deze nog van kracht is, of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Vast staat en ook niet betwist is dat de onderhavige horeca-inrichting valt onder de in voormeld artikel 2 van het Speelautomatenbesluit genoemde omschrijving. Immers, in de inrichting zijn meer dan drie biljarttafels aanwezig en voorts is er een Drank- en Horecawetvergunning verleend. Naar het oordeel van de commissie is de burgemeester er in deze terecht van uitgegaan dat de inrichting als geheel als laagdrempelig is te beschouwen. Het gegeven dat deze inrichting in het verleden als hoogdrempelig is aangemerkt maakt dat, wat daar verder ook van zij, niet anders.

Op grond van het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de burgemeester op goede gronden heeft besloten tot de hiervoor bedoelde weigering van de door opposant gevraagde aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten. Aangezien de commissie ook overigens niet is gebleken dat er sprake is van zodanige omstandigheden op grond waarvan het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven, zijn de bezwaren van opposant ongegrond en kan de bestreden beslissing in stand worden gelaten."

4. Het standpunt van appellant

In de huidige wet is de jurisprudentie van het College gecodificeerd. Nu verweerder onderhavige inrichting in het verleden op grond van de oude wet en de jurisprudentie van het College als hoogdrempelige inrichting heeft aangemerkt, kan het, gelet op deze codificatie, niet zo zijn dat verweerder thans oordeelt dat de inrichting laagdrempelig is. Deze beoordeling is niet alleen juridisch onlogisch, maar hieraan kleeft ook een motiveringsgebrek.

De activiteiten van de onderneming van verzoeker zijn gericht op personen van 18 jaar en ouder. Bij de ingang van het pool- en eetcafé worden de bezoekers erop gewezen dat men enkel de onderneming mag betreden, indien men aan deze leeftijdseis voldoet. Tevens zijn de werknemers van appellant verplicht om bij enige twijfel omtrent de leeftijd van bezoekers de bezoekers naar een identiteitsbewijs te vragen. Voorts staat het cafébezoek op zichzelf en vinden er geen activiteiten plaats waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

Het besluit is ook in strijd met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft bij het komen tot zijn beslissing geen rekening gehouden met de belangen van appellant. Appellant heeft reeds een groot aantal jaren kansspelautomaten staan in de inrichting en hij zal als gevolg van het bestreden besluit een aanzienlijke omzet derven, waardoor appellant in de problemen kan komen en wellicht zijn bestaansrecht zal kunnen verliezen. Het betreft niet enkel de gederfde omzet van de kansspelautomaten, maar tevens gemis aan omzet betreffende dranken e.d., omdat er geen amusement wordt aangeboden waarvan de bezoeker van de inrichting graag gebruik zou willen maken. Verweerder had met de belangen op grond van de uitspraak van het College van 29 september 1993 (nr. 92/2078/068/203) rekening moeten houden.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 30c, eerste en tweede lid, van de Wet kan voor een laagdrempelige inrichting geen vergunning worden verleend voor kansspelautomaten. In artikel 2 van het Speelautomatenbeleid 2000 is, met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 30c, derde lid, van de Wet, bepaald dat als laagdrempelige inrichtingen worden aangemerkt inrichtingen waar meer dan drie biljarttafels aanwezig zijn en waarvoor ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet vergunning is verleend en deze nog van kracht is.

Nu vaststaat dat de inrichting van appellant in de termen van artikel 2 van het Speelautomatenbesluit 2000 valt, dient de conclusie te zijn dat de inrichting als laagdrempelig moet worden aangemerkt en dat verweerder de vergunning voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten terecht heeft geweigerd. Dit oordeel is ook neergelegd in het advies, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Het College vermag dan ook niet in te zien dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, zoals door appellant is aangevoerd.

De opvatting van appellant dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, kan het College niet onderschrijven. Dat appellant reeds een groot aantal jaren kansspelautomaten in zijn inrichting heeft staan en de weigering van de vergunning voor hem nadelige financiële gevolgen heeft, kan er immers niet toe leiden dat verweerder in strijd met de Wet een vergunning verleent. Het beroep dat appellant in dit verband heeft gedaan op de uitspraak van het College van 29 september 1993 (nr. 92/2078/068/203), kan hem niet baten. In die uitspraak oordeelde het College dat de burgemeester van Haarlemmermeer zich geen rekenschap had gegeven van het discretionaire karakter van het door de burgemeester in de Regeling Speelautomaten neergelegde beleid en mitsdien bij zijn beslissing omtrent vergunningverlening ten onrechte een afweging van de betrokken belangen achterwege had gelaten. Van beleidsvrijheid voor verweerder is in het onderhavige geval evenwel geen sprake.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz