Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8906

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 03/1331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Superheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1331 10 juni 2005

10500 Superheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: W. Kleinlangevelsloo, werkzaam bij de Stichting SLOM, te Laag Zuthem,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr. F.G.P. Diermanse en L.J. Koers, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij faxbericht van 27 oktober 2003 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 september 2003. Bij dit besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen een door verweerder op 12 februari 2003 genomen besluit, waarbij verweerder, met toepassing van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1392/2001, drie overdrachten van melkquota heeft geregistreerd.

Bij faxbericht van 26 november 2003 heeft appellant de gronden waarop het beroep berust, ingediend.

Bij ongedateerde brief, bij het College binnengekomen op 23 december 2003, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant niet is verschenen en verweerder bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt heeft toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (Pb EG 1992, L 405/1) bepaalt, voorzover hier van belang:

“ 1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen partijen. (…)

Dezelfde bepalingen zijn van toepassing op de overige gevallen van overdracht waaraan voor producenten vergelijkbare rechtsgevolgen verbonden zijn.”

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (Pb EG 2001, L 187/19) luidt voorzover van belang als volgt:

“Representatief vetgehalte

1. De in artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde kenmerken van de melk, waaronder het vetgehalte, zijn de kenmerken van de op 31 maart 2002 beschikbare individuele referentiehoeveelheid.

Wanneer de individuele referentiehoeveelheid na de in de eerste alinea bedoelde datum wordt gewijzigd, zijn de bepalingen van de leden 2 tot en met 6 van toepassing.

(…)

4. Bij toepassing van de artikelen 6 en 7 en artikel 8, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr. 3950/92 wordt het representatieve vetgehalte overgedragen met de bijbehorende referentiehoeveelheid.

5. (…)

6. In de in (…) de leden 4 en 5 bedoelde gevallen is het daaruit resulterende representatieve vetgehalte gelijk aan het gemiddelde van het oorspronkelijke en het overgedragen of omgezette representatieve vetgehalte, gewogen aan de hand van de oorspronkelijke en de overgedragen of omgezette referentiehoeveelheid.

7. Voor producenten die over een volledig uit de nationale reserve afkomstige referentiehoeveelheid beschikken en die na 1 april 1992 met hun activiteit zijn begonnen, geldt als representatief vetgehalte van de melk het gemiddelde vetgehalte van de melk die tijdens de eerste twaalf maanden van hun activiteit wordt geleverd.

Indien het representatieve vetgehalte echter hoger ligt dan het nationale gemiddelde vetgehalte van de melk die in de lidstaat wordt opgehaald in de referentieperiode van twaalf maanden waarin zij met hun activiteit zijn begonnen, gelden de volgende bepalingen:

(…)

b) bij toepassing van de artikelen 6 en 7, artikel 8, onder b), d) en e), en artikel 8 bis, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3950/92, wordt het representatieve vetgehalte van de overgedragen hoeveelheid verlaagd tot het bovenbedoelde nationale gemiddelde vetgehalte.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de heffingsperiode 1996/1997 heeft appellant een aankoop gedaan van 12.297 kg fabrieksquotum met een maximaal toegestaan vetpercentage (hierna: mtv) van 7,05%.

- Vervolgens is aan appellant, met ingang van eveneens de heffingsperiode 1996/1997, een referentiehoeveelheid van 92.781 kg (hierna: het SLOM II-quotum) toegekend op grond van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers.

- Het gemiddelde vetgehalte van de melkleveranties van appellant in de eerste twaalf maanden na de hervatting van de melkproductie in 1996 bedroeg 5,44%. Dit percentage werd bepalend voor het mtv van het SLOM II-quotum van appellant.

- In zijn uitspraak van 13 juli 1999 (AWB 97/873) in een eerder geschil tussen partijen, heeft het College geoordeeld dat het mtv van de gehele referentiehoeveelheid van appellant diende te worden berekend aan de hand van het gewogen gemiddelde van het mtv van het SLOM II-quotum en het mtv van het door appellant aangekochte quotum.

- Bij brief van 18 april 2000 heeft de Centrale Organisatie Superheffing van verweerder (hierna: COS) appellant meegedeeld dat het op zijn naam geregistreerde mtv is bepaald op 5,63%. In deze brief is appellant er tevens op gewezen dat bij overdracht van het aan hem toegekende quotum een maximaal toegestaan vetgehalte van 4,45%, zijnde het nationale gemiddelde vetgehalte, zou worden gehanteerd.

- Op 25 april 2001 is een hoorzitting gehouden ten kantore van verweerder naar aanleiding van een door appellant tegen het besluit van 18 april 2000 ingediend bezwaar. Blijkens het verslag van deze zitting heeft verweerder hierbij aangegeven dat het bestreden besluit geen betrekking had op de overdracht van het quotum. De brief zou algemene informatie bevatten voor het geval appellant mocht besluiten om een overdracht aan te melden.

- Op 14 mei 2001 heeft verweerder afwijzend beslist op het laatstgenoemde bezwaar. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat het maximaal te registreren mtv voor de op naam van appellant staande referentiehoeveelheid van 5,63%, is berekend als het gewogen gemiddelde van het mtv van het SLOM II-quotum en het mtv van het aangekochte quotum.

- In de heffingsperiode 2002/2003 heeft appellant bij de COS vijf aankooptransacties gemeld van elk 20.000 kg quotum met vetpercentages van respectievelijk 3,70, 3,94, 3,53, 3,64 en 3,85%.

- Op 18 december 2002 heeft de COS van appellant de meldingsformulieren met de nrs. 171846, 171847 en 171848 ontvangen, betrekking hebbende op drie overdrachten van quotum met bijbehorende grond, met appellant als vervreemder. De overgedragen hoeveelheden quotum waren respectievelijk 26.000, 23.000 en 31.500 kg.

- In twee beschikkingen, één van 24 januari 2003 en één van 31 januari 2003 heeft verweerder aan appellant meegedeeld dat de met de formulieren nr. 171847, respectievelijk nr. 171846 aangemelde transacties zijn geregistreerd met een mtv van 4,71%.

- Bij brief van 12 februari 2003 heeft verweerder aan appellant meegedeeld dat bij nadere controle is gebleken dat voor de bepaling van het mtv van de verkrijgers is uitgegaan van een verkeerd mtv van het overgedragen quotum en dat als gevolg daarvan het COS heeft besloten om terug te komen van deze reeds verwerkte meldingen door deze alsnog te registreren als een overdracht van een referentiehoeveelheid met een mtv van 4,25%. Tevens is meegedeeld dat de overdracht, gemeld bij formulier nr. 171848 eveneens op deze wijze zou worden geregistreerd.

- Bij brief van 24 maart 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 februari 2003.

- Op 20 juni 2003 is ten kantore van verweerder een hoorzitting gehouden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen.

“Het MTV van 4,25% is het gewogen gemiddelde van 4,45 – voor de hoeveelheid van het SLOM II-quotum – en de vetgehaltes welke de heer A van andere producenten heeft verkregen. Het nieuwe MTV van de verkrijgers is, overeenkomstig artikel 3, lid 6 van Verordening (EG) nr. 1392/2001, berekend door (gewogen) middeling van 4,25 met het vetgehalte van hun oorspronkelijke referentiehoeveelheid.

(…)

Het College van Beroep heeft reeds een oordeel gegeven over de vetreferentie die bij de uitwerking van Verordening (EEG) nr. 536/93 van toepassing moet zijn voor het totale quotum van de heer A.

(…)

In (…) bedoelde uitspraak heeft het CBB geoordeeld dat het productschap, voor de vaststelling van het MTV dat behoort bij het deel van de referentiehoeveelheid dat afkomstig is uit de nationale reserve (SLOM II-quotum), op goede gronden toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2, lid 1, tweede volzin en onder e van Verordening (EEG) nr. 536/93.

Voornoemde bepaling is momenteel neergelegd in artikel 3, lid 1, tweede volzin, en lid 7 van Verordening (EG) nr. 1392/2001. In lid 7 is tevens bepaald dat, indien de betrokken hoeveelheid aan een andere producent wordt overgedragen, het MTV van de overgedragen hoeveelheid wordt verlaagd tot het nationale gemiddelde vetgehalte.

Geconstateerd is dat het bij het SLOM II-quotum behorende representatieve vetgehalte, dat is gebaseerd op het gemiddelde vetgehalte in de eerste 12 maanden na de hervatting van de melkproductie, hoger is dan 4,45, het nationale gemiddelde vetgehalte.

Er is niet gebleken dat door of zijdens de COS een toezegging is gedaan of het vertrouwen is gewekt dat in de gegeven situatie het MTV van de door de heer A overgedragen hoeveelheid wordt geregistreerd als een overdracht van een referentiehoeveelheid met het door U gewenste vetpercentage.

Gezien het vorenstaande is terecht besloten de met formulieren nrs. GT 171846, 171847 en 171848 aangemelde verkooptransacties te registreren als een overdracht van een referentiehoeveelheid met een MTV van 4,25%; het gewogen gemiddelde van 4,45 en de vetgehaltes van de aankooptransacties van de heer A. De COS is gehouden de onjuiste registratie van de met formulieren nrs. GT 171846 en 171847 aangemelde transacties ongedaan te maken.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft bij zijn beroepschrift tegen het bestreden besluit aangevoerd dat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hij beroept zich op de voorlichting die tijdens de hoorzitting van 25 april 2001, maar ook daarbuiten, door verweerder is verstrekt. Van de zijde van verweerder is aangegeven dat het bijkopen van melkquotum met een laag vetpercentage, ver beneden de 4,45%, zou resulteren in een referentiehoeveelheid met gemiddeld vetpercentage van 4,45% of lager die vervolgens met dat vetpercentage zou kunnen worden verkocht. Bij een vetpercentage van 4,45% of lager zou in dat geval geen correctie plaatsvinden, omdat het geheel automatisch door de computer zou worden verwerkt. Met de aankoop en vervolgens het verkopen van een deel van het melkquotum heeft appellant conform die voorlichting gehandeld.

Voorts betoogt appellant dat het besluit van verweerder in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellant had voor aanvang van de melkproductie quotum gekocht met een hoog vetpercentage. In vergelijking met andere producenten die onder de SLOM-regeling vallen, zou hij meer quotum hebben moeten bijkopen om uiteindelijk op een vetpercentage van 4,45% uit te komen en te vermijden dat een handmatige herberekening wordt uitgevoerd.

Tenslotte voert appellant aan dat de handelwijze van verweerder in strijd is met de hogere Europese regelgeving. De Europese verordeningen schrijven namelijk niet voor dat wanneer door aankoop van melkquotum het gemiddeld vetpercentage zakt, herberekeningen moeten plaatsvinden wanneer later weer een deel van het melkquotum wordt vervreemd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot het betoog van appellant dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel oordeelt het College als volgt. Verweerder heeft appellant er meerdere malen – in ieder geval in het besluit van 18 april 2000 en op de hoorzitting van 25 april 2001 – op gewezen dat bij de overdracht van quotum een herberekening van het mtv zou worden uitgevoerd, waarbij voor wat betreft het uit de nationale reserve afkomstige quotum een percentage zou worden gehanteerd dat gelijk is aan het nationale gemiddelde vetgehalte. De wijze waarop verweerder heeft gehandeld bij de bepaling van het mtv van de door appellant overgedragen quota, is in overeenstemming met de gedane mededelingen.

Tevens heeft verweerder appellant, zoals laatstgenoemde in zijn beroepschrift zelf aangeeft, er op attent gemaakt dat door de aankoop van voldoende quotum met een laag vetpercentage een gemiddeld vetpercentage van 4,45% of lager zou kunnen worden bereikt en de – voor appellant ongunstig uitpakkende – handmatige herberekening dan niet zou plaatsvinden. Vast staat dat appellant niet heeft gekozen om van deze mogelijkheid in die mate gebruik te maken dat het door hem gewenste effect is bereikt. Van enig handelen in strijd met een eerder gewekt vertrouwen van de zijde van verweerder is dan ook geen sprake.

5.2 Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan appellant evenmin baten. Appellant geeft aan dat hij meer quotum met een laag vetpercentage had moeten bijkopen om op een bepaald laag mtv uit te komen dan degenen die in de uitgangssituatie over een minder hoog mtv beschikten. Hiermee verwijst appellant echter naar gevallen die op het ter zake doende punt van het zijne afwijken en derhalve niet daaraan gelijk zijn. Bovendien geldt dat de noodzaak voor appellant om, ten opzichte van de door hem ter vergelijking aangehaalde gevallen, grotere hoeveelheden quota met een laag mtv aan te kopen teneinde op eenzelfde gemiddelde uit te komen, inherent is aan het – voor appellant op zichzelf gunstige – verschil in uitgangssituatie en geenszins het gevolg is van een ongelijke behandeling door verweerder.

5.3 Het betoog van appellant dat verweerder in strijd met Europese regelgeving heeft gehandeld en geen Europese verordening de handelwijze van verweerder voorschrijft, is niet nader gemotiveerd en ontbeert feitelijke grondslag. Verweerder heeft bij de herberekening van het mtv van de door appellant voor overdracht aangemelde referentiehoeveelheden toepassing gegeven aan artikel 3, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 1392/2001, dat aangeeft op welke wijze en in welke gevallen bij overdracht van uit de nationale reserve afkomstig melkquotum een herberekening van het representatieve vetgehalte moet worden uitgevoerd. In zijn beroep heeft appellant noch de geldigheid van deze bepaling, noch de wijze waarop verweerder hieraan uitvoering heeft gegeven ter discussie gesteld.

5.4 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2005.

w.g. C.J. Borman w.g. M.H. Vazquez Muñoz