Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8904

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/315 22 juni 2005

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 april 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 maart 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen twee besluiten op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Op 19 mei 2004 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 12 juli 2004 een verweerschrift ingediend en bij brief van 19 juli 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 12 januari 2005 heeft verweerder desgevraagd nadere informatie verschaft.

Op 20 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn zoon C, is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 7 januari 2000 heeft verweerder van appellant een deelnameformulier ontvangen, waarmee appellant zich heeft aangemeld voor de slachtpremieregeling.

- Tijdens een op 28 augustus 2002 op het bedrijf van appellant uitgevoerde controle heeft de controleur blijkens het controlerapport onder meer geconstateerd dat door appellant geen bedrijfsregister werd bijgehouden.

- Bij besluit van 19 juni 2003 heeft verweerder de vijftien aanvragen die appellant voor het slachtpremiejaar 2002 heeft ingediend, afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft verweerder het besluit op de aanvragen die appellant voor het slachtpremiejaar 2001 heeft ingediend, herzien en van appellant voor negen niet-premiewaardige dieren € 733,35 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 november 2003 bezwaar gemaakt.

- Appellant is op 27 oktober 2003 over zijn bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Om voor slachtpremie in aanmerking te komen, dient op grond van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders, een register bij te houden.

Ten tijde van fysieke controle gold de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002. Hieruit blijkt dat bij een schriftelijk bijgehouden bedrijfsregister in beginsel het door verweerder verstrekte bedrijfsregister dient te worden gebruikt. Uit oogpunt van consistentie in het uitvoeringsbeleid wordt echter ook genoegen genomen met een bedrijfsregister dat voldoet aan het één oogopslag criterium. Dit houdt in dat in één oogopslag per rund een overzicht moet kunnen worden verkregen van alle in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2629/97 genoemde gegevens.

Uit appellants manier van registreren blijkt geen samenhang tussen zijn veestapel en de gegevens per rund. Appellant beschikt dan ook niet over een bedrijfsregister.

Doordat appellant ten tijde van de controle geen bedrijfsregister heeft overhandigd, was het niet mogelijk een controle uit te oefenen. Als gevolg hiervan kon geen slachtpremie worden toegekend voor de runderen die in 2002 zijn aangevraagd. Nu de controle zich uitstrekt over de runderen waarvoor in de laatste twaalf maanden vóór de controle premieaanvragen zijn ingediend, brengt het ontbreken van het bedrijfsregister voorts mee dat de slachtpremie die in de periode van 28 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 is aangevraagd en verkregen, dient te worden teruggevorderd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in zijn beroepschrift en ter zitting, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellant spreekt niet tegen dat ten tijde van de controle het bedrijfsregister niet was ingevuld. Alle dieren, waarvoor slachtpremie is aangevraagd, zijn echter wel op het bedrijf aanwezig geweest. Het was daarom ook niet moeilijk alle gegevens te achterhalen en deze alsnog in het bedrijfsregister op te nemen. Dat bleek ook bij de hercontrole op 16 december 2003, toen alle dieren akkoord werden bevonden.

De nieuwe regeling over het bedrijfsregister is per 1 juli 2002 ingevoerd. Kort daarna werd er al een controle uitgevoerd. Appellant wist toen nog niet dat het niet bijhouden van het bedrijfsregister 100% korting opleverde. Er is hem geen enkele waarschuwing gegeven. De opgelegde sanctie is dan ook te zwaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 houdt elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders, handmatig of door middel van een computer een register bij in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet dit register te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

In artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2629/97 is, voorzover hier van belang, bepaald welke gegevens het register ten minste moet bevatten.

In artikel 7 ter van Verordening (EEG) nr. 3887/92, opgevolgd door artikel 17, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, is, voorzover hier van belang, bepaald dat aanvragen worden afgewezen indien het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger een controle ter plaatse verhinderen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is het betrokken bedrijfshoofd in geval van onverschuldigde betaling verplicht dat bedrag terug te betalen.

5.2 Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 maart 2005 (AWB 04/372, www.rechtspraak.nl, LJN AT1731), dit in het voetspoor van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 13 december 2001 in de zaak Ingemar Nilsson (C-131/00; Jur. 2001, I-10165), levert het ontbreken van een bedrijfsregister een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie van dieren op, omdat daardoor het in Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt, en dient een steunaanvraag dan te worden afgewezen.

5.3 Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde van de controle op 28 augustus 2002 niet het voorgeschreven model-bedrijfsregister gebruikte, terwijl evenmin werd voldaan aan het door verweerder gehanteerde één oogopslag criterium. Dit brengt mee dat verweerder in het bestreden besluit de primaire besluiten terecht heeft gehandhaafd. De slachtpremie die appellant in de periode van 28 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 voor negen runderen heeft aangevraagd en verkregen, was, gelet op artikel 7 ter van Verordening (EEG) nr. 3887/92, ten onrechte verkregen en diende ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 te worden terugbetaald. De slachtpremie die appellant in 2002 voor de vijftien runderen heeft aangevraagd, is, gelet op artikel 17, derde lid, en artikel 39 van Verordening (EG)

nr. 2419/2001, terecht geweigerd.

5.4 Dat appellant de vereiste gegevens achteraf nog heeft weten te achterhalen, kan hem niet baten, nu de situatie op het moment van de controle bepalend is. Dat appellant onwetend was over het belang van het bedrijfsregister en over de zwaarte van de sanctie, kunnen niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Van een plicht voor verweerder om appellant eerst te waarschuwen, is ten slotte evenmin sprake.

5.5 Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz