Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8901

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
AWB 04/380
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nr. 04/380 28 juni 2005

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 15 maart 2004.

1. De procedure

Bij beslissing van 15 maart 2004, diezelfde dag toegezonden aan partijen, heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de bij brief van 23 oktober 2003 door appellant ingediende klacht tegen C RA, werkzaam te Y (hierna: betrokkene).

Op 10 mei 2004 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 17 mei 2004 heeft de secretaris van de raad van tucht stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) toegezonden aan de griffier van het College.

Bij brief van 7 juni 2004 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 17 mei 2005, waar appellant en de gemachtigde van betrokkene, mr. F. Waardenburg, advocaat te Den Haag, de standpunten van appellant en betrokkene hebben toegelicht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling van deze klacht door de raad van tucht en de hierbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 In zijn beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat de raad van tucht geen moment de indruk heeft kunnen of willen wekken dat zijn klacht serieus behandeld zou worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant naar voren gebracht dat in de notulen van de zitting van de raad niet is vermeld dat appellant uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat hem niet schriftelijk was medegedeeld dat betrokkene zich ter zitting van de raad van tucht zou doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Appellant werd naar eigen zeggen medegedeeld dat de raad van tucht dit normaal vond.

3.1.1 Ook indien appellant zich terecht op het standpunt zou stellen dat de notulen van de zitting van de raad van tucht op het door appellant genoemde punt niet volledig zijn, wettigt dit niet de slotsom dat de raad van tucht de klacht van appellant onjuist heeft behandeld of beoordeeld.

Ingevolge artikel 42, tweede lid, Wet RA kan de betrokken registeraccountant zich ter terechtzitting doen vertegenwoordigen door een daartoe gemachtigde, tenzij de raad van tucht beveelt dat hij in persoon zal verschijnen. Van een dergelijk bevel is in het onderhavige geval geen sprake geweest, zodat het betrokkene vrijstond zich ter zitting van de raad van tucht te doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De Wet RA schrijft niet voor dat hiervan voorafgaand aan de zitting schriftelijk mededeling wordt gedaan aan de klager.

Ook overigens vormt deze grief van appellant geen grond voor het oordeel dat de raad van tucht de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

3.2 Appellant heeft voorts aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte genoegen heeft genomen met vage verklaringen, afgelegd door de gemachtigde van betrokkene.

S1 en haar [aantal] vennoten zijn wel degelijk aansprakelijk gesteld door CDR, aldus appellant. Het gestelde schadebedrag van bedrag ging de draagkracht van S1 te boven. De claim is uiteindelijk geschikt voor een bedrag van tenminste [bedrag]. Doordat S2 dit bedrag heeft voorgeschoten, is S1 behoed voor een faillissement. Uit het jaarverslag [jaar] van S1 blijkt dat ter zake een letter of comfort is afgegeven. De raad van tucht heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het een geschil betrof waarin S1 geen partij was.

3.2.1 Van de zijde van betrokkene is naar voren gebracht dat het in het jaarverslag jaar van S1 genoemde bedrag van [bedrag] betrekking heeft op de financiering van de werkzaamheden van S2, een overkoepelende organisatie die niet over eigen financiële middelen beschikt. S2 houdt zich bijvoorbeeld bezig met de ontwikkeling van de accountancy in een aantal landen waar dit beroep tot enkele jaren geleden niet bestond. Het door appellant genoemde bedrag in het jaarverslag heeft derhalve geen enkele relatie met de door hem bedoelde claim, die volgens betrokkene ook niet heeft geleid tot een kasuitstroom bij S1.

3.2.2 Het College stelt vast dat appellant niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het in § 3.2.1 weergegeven betoog van betrokkene feitelijk onjuist is.

Ook indien appellant zich terecht op het standpunt zou hebben gesteld dat de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte heeft overwogen dat S1 geen partij was in het geschil dat tot de schikking heeft geleid - welk standpunt op zich in overeenstemming is met de in § 3.2 van de uitspraak van 23 oktober 2003 van het College in zaak 02/1651 (www.rechtspraak.nl, LJN AN8423) weergegeven reactie van de betrokken accountant op een eerder beroep van appellant -, impliceert dit niet dat S1 betrokken was bij de schikking of dat deze schikking tot een kasuitstroom bij haar heeft geleid.

Ook deze grief van appellant kan derhalve niet leiden tot de slotsom dat de raad van tucht de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond had moeten verklaren.

3.3 Het beroep kan derhalve niet slagen.

Na te melden beslissing op het beroep van appellant rust op titel II van de Wet RA en de Verordening Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2005.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen