Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8605

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/47
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mededingingswet

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie 19
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 11
Mededingingswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/263 met annotatie van prof. mr. G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 05/47 15 juni 2005

9500 Mededingingswet

Beslissing ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

Vereniging van Reizigers, te Nijmegen,

appellante in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 december 2004 in de procedure tussen appellante

en

de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingsautoriteit (hierna: NMa),

gemachtigde: mr. A.S.M.L. Prompers, Coördinator Beroepen bij de NMa,

met als derde partijen:

de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.;

de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V..

1. Op 20 januari 2005 heeft het College een beroepschrift ontvangen waarbij appellante hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 december 2004, reg. nr. MEDED 04/2143 - WILD.

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank beslist op het beroep van appellante tegen een besluit van de NMa van 22 juni 2004.

Op 2 maart 2005 heeft het College van de rechtbank de op deze zaak betrekking hebbende stukken ontvangen.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder bij schrijven van 25 april 2005 bevestigd dat het eerder ten aanzien van bepaalde stukken bij de rechtbank ingediende verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb ook betrekking heeft op de kennisneming van deze stukken in de hoger beroepsprocedure. Daarbij is aangetekend dat ter zitting van de rechtbank is aangegeven dat niet langer om vertrouwelijke behandeling werd gevraagd van het stuk met inventarisnummer 60.

2.1 Het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft derhalve slechts betrekking op notities van 18 maart 2004 en 16en 17 juni 2004 van telefonische contacten met het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

2.2 Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om beperking van de kennisneming aangegeven dat de notitie van 18 maart 2004 informatie bevat over het luchtvaartbeleid van Nederland en Suriname. De notitie van 16 juni 2004 bevat informatie over het Memorandum van Understanding en bijbehorend Addendum. Hetzelfde geldt voor de notitie van 17 juni 2004, die voorts informatie bevat over het beleid van genoemd ministerie. Volgens verweerder moeten deze notities worden geacht stukken van intern beraad in de zin van artikel 11, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) te zijn en moet op deze grond kennisneming van de informatie achterwege blijven.

3. Ter beoordeling staat of de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Het College overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, voorzover hier van belang, kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen. Op grond van artikel 8:29, tweede lid, zijn gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de WOB de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Uit artikel 8:29, derde lid volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt hierbij dat openbaarmaking het belang van een partij onevenredig kan schaden.

5.1 Verweerder heeft zich ter onderbouwing van zijn verzoek om beperking van de kennisneming van de stukken, beroepen op artikel 11, eerste lid, van de Wob. Op grond van deze bepaling wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Het College heeft kennisgenomen van de hiervoor in randnummer 2.1 genoemde telefoonnotities. Het heeft daarbij vastgesteld dat de notities een weerslag vormen van door verweerders medewerkers van medewerkers van voornoemd ministerie verkregen informatie, die bij de besluitvorming op het bezwaar van appellante een rol hebben gespeeld. In dat opzicht zijn de notities dan ook opgesteld ten behoeve van intern beraad.

Artikel 11, eerste lid, voornoemd, beperkt evenwel het niet verstrekken van informatie tot de in de betreffende stukken opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het College heeft in bedoelde notities geen persoonlijke beleidsopvattingen aangetroffen.

5.2 De notities van 18 maart 2004 en 17 juni 2004 geven inzicht in de wijze waarop de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten omgaan met onder meer de Luchtvaart Overeenkomst. Openbaarmaking van deze gegevens zou kunnen leiden tot onevenredige benadeling van deze overheden. Dat betekent dat zich ten aanzien van deze stukken de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g., van de Wob voordoet. Deze onevenredige benadeling is voorts naar het oordeel van het College in dit concrete geval een voldoende rechtvaardiging voor beperking van de kennisneming van de in geding zijnde notities. Het College komt dan ook tot de slotsom dat ten aanzien van deze notities sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

Gelet op de hierna ten aanzien van deze notities te geven beslissing zal, gelet op het vijfde lid van artikel van de 8:29 Awb, aan appellante en derde partijen worden gevraagd of zij er in toestemmen dat het College (mede) op grond van deze niet aan hen ter beschikking te stellen notities zal beslissen op het voorliggend beroep.

5.3 Ten aanzien van de notitie van 16 juni 2004 geldt echter dat deze in het geheel geen informatie bevat waarvan met een beroep op enige bepaling van de Wob kennisneming door appellante kan worden geweigerd. Dat brengt het College tot het oordeel dat geen sprake is van gewichtige redenen, als bedoeld in voornoemd artikel, en dat de gevraagde beperking van de kennisneming van deze notitie niet gerechtvaardigd is.

Conform artikel 6, zesde lid, van zijn procesregeling zal het College bedoelde notitie aan verweerder doen terugzenden. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld binnen een week na verzending van deze beschikking de notitie alsnog als voor appellante en derde partijen toegankelijk gedingstuk in te brengen.

6. De beslissing

Het College beslist dat beperking van de kennisneming van de telefoonnotities van 18 maart 2004 en 17 juni 2004 gerechtvaardigd is te achten.

Aldus gegeven door mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier.

w.g. F.W. du Marchie Sarvaas w.g. R. Meijer