Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2005:AT8598

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/290
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken)

AWB 05/290 8 juni 2005

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.A. Koot, advocaat te Den Haag,

tegen

Burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerders,

gemachtigde: M. Caffin, werkzaam bij de gemeente Den Haag.

1. De procedure

Bij besluit van 18 februari 2005 hebben verweerders de krachtens artikel 6, eerste lid, van de Winkeltijdenwet aan verzoeker verleende ontheffing ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 16 maart 2005 bezwaar gemaakt. Bij brief van 4 mei 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerders hebben bij brief van 26 mei 2005 een reactie op het verzoek gegeven.

De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld ter zitting van 7 juni 2005. Aldaar hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Winkeltijdenwet (hierna: de Wet), voorzover thans van belang, luidt:

"Artikel 2

1. Het is verboden een winkel voor publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

(…)

Artikel 6

1. Indien de eigenaar of beheerder van een winkel tot een kerkgenootschap behoort, dat de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag houdt, of te goeder trouw verklaart een godsdienst of levensovertuiging te belijden welke vordert, dat de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag wordt gehouden, verlenen burgemeester en wethouders op zijn verzoek ontheffing van het verbod van artikel 2, onder a.

2. Aan de ontheffing wordt het voorschrift verbonden dat de winkel op die andere dag gesloten dient te zijn. "

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker exploiteert op het adres C te B een winkel.

- Op 29 september 2004 heeft verzoeker ontheffing gevraagd van de zondagssluiting wegens religieuze motieven, die van verzoeker verlangen de rustdag op vrijdag te houden.

- Bij besluit van 11 november 2004 hebben verweerders de gevraagde ontheffing verleend. In dit besluit is verzoeker erop gewezen dat indien ter plaatse door de politiebeambte en/of het handhavingsteam wordt geconstateerd dat de winkel op vrijdag voor het publiek geopend is, de ontheffing door of namens het college van burgemeester en wethouders wordt ingetrokken.

- Dit besluit is aan verzoeker toegezonden en daarnaast op 26 november 2004 ter hand gesteld.

- Door de politie Haaglanden is op vrijdag 26 november 2004 en vrijdag 28 januari 2005 geconstateerd dat de winkel geopend was. Op 10 februari 2005 is terzake van de tweede overtreding een proces-verbaal opgemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het thans in geding zijnde besluit genomen.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker betwist dat hij op de door verweerder genoemde of andere vrijdagen voor het publiek geopend is geweest. Het eerste incident vond plaats op een moment dat verzoeker de inhoud van de ontheffing nog niet kende, omdat hij het besluit waarbij de ontheffing is verleend niet had ontvangen, en tijdens het tweede incident was een vaste klant binnengelopen, toen de winkel was geopend voor de bevoorrading van goederen. Gelet hierop, is volgens verzoeker de intrekking van de ontheffing disproportioneel. Voorts is er een spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening, aangezien de omzet op zondag vanwege de demografische samenstelling van de wijk van zodanig groot belang is, dat het voortbestaan van de winkel wordt bedreigd indien die wegvalt.

Ter zitting heeft verzoeker nog gesteld dat de groothandelbedrijven waarvan hij zijn producten afneemt op zaterdag en zondag gesloten zijn, zodat de bevoorrading van zijn winkel op vrijdag plaatsheeft. Volgens verzoeker staan zijn religieuze verplichtingen daaraan niet in de weg, aangezien werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de winkel rendabel te kunnen drijven zijn toegestaan, en hij zich pas vanaf 15.00 uur voor het vrijdaggebed opmaakt. Verzoeker heeft er tot slot op gewezen dat het in het verleden in Nederland gebruikelijk was dat, zonder dat het karakter van rustdag verloren ging, op zondagochtend bepaalde winkels geopend waren.

4. Het standpunt van verweerders

Verweerders stellen zich op het standpunt dat de in artikel 6 van de Wet opgenomen ontheffingsmogelijkheid een uitzondering biedt voor die gevallen, waarin een eigenaar van een winkel vanwege religieuze motieven op een andere dag dan de zondag zijn winkel gesloten houdt. Verweerders hebben verzoeker voorts bij verschillende gelegenheden op verschillende manieren geïnformeerd over het ter zake door hen gevoerde beleid, namelijk dat een verleende ontheffing weer wordt ingetrokken, indien twee maal door de politie wordt geconstateerd dat de winkel op de rustdag, in dit geval de vrijdag, is geopend. Nu twee maal is geconstateerd dat de winkel was geopend, hebben verweerders aanleiding gezien de ontheffing in te trekken.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

Wat betreft de spoedeisendheid, overweegt de voorzieningenrechter dat het gemis van omzet die - met gebruikmaking van de ontheffing - op zondag méér kan worden behaald dan op vrijdag, een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoeker immers vrij om schadevergoeding van verweerders te vorderen indien het besluit in bezwaar zou worden gehandhaafd en dit besluit daarna door het College zou worden vernietigd. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang, gelet op bijvoorbeeld het totaal van de handelsactiviteiten en/of de vermogenspositie van verzoeker, zodanig zwaarwegend is, dat de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk. Dat in het onderhavige geval sprake is van zodanig zwaarwegend financieel belang als evenbedoeld, heeft verzoeker evenwel niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de in geding zijnde intrekking meebrengt dat de winkel op zondag moet zijn gesloten en op vrijdagen geopend kan zijn, hetgeen ook het geval is, zoals ter zitting is verklaard, en dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat het daarmee samenhangende omzetverlies zodanig zal zijn dat het leidt tot een bedreiging van de voortzetting van verzoekers onderneming. Daarbij heeft verzoeker verder geen bescheiden in het geding gebracht die concrete aanwijzingen in een andere richting geven.

Hiervan uitgaande, kan er in beginsel slechts aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening indien – ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht – ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerders ingenomen standpunt juist is en, indien het besluit in bezwaar wordt gehandhaafd, dit besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven, en bovendien door verzoeker wordt gewezen op feiten of omstandigheden die meebrengen dat zijn belang vordert dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingewilligd. Een dergelijke situatie doet zich in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Hiertoe is het volgende overwogen.

Het in artikel 6, eerste lid, van de Wet gebezigde woord "vordert" weerspiegelt, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel, de bedoeling van de wetgever dat het hier voor de betrokkene om een godsgebod gaat. Naar vaste jurisprudentie van het College dient hieruit te worden afgeleid, dat het om een zo dwingende godsdienstige overtuiging moet gaan dat degene die op deze bepaling een beroep doet, reeds op de grond van die enkele overtuiging zijn winkel op de voor hem geldende rustdag gesloten houdt en niet slechts indien daaraan door een compensatieregeling als de onderhavige tegemoet wordt gekomen. Hiervan is niet gebleken, nu verzoeker in ieder geval heeft erkend dat hij op vrijdag werkzaamheden ten behoeve van zijn winkel heeft verricht en thans op de vrijdagen is geopend. Dit is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet te rijmen met de aan de ontheffingsaanvraag ten grondslag gelegde dwingende godsdienstige overtuiging. Dat volgens verzoeker zijn godsdienstige verplichtingen niet zó ver strekken dat hij op de rustdag in het geheel geen werkzaamheden mag uitvoeren indien dat uit praktische overwegingen wel noodzakelijk is, doet aan deze constatering niet af, reeds omdat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de betreffende werkzaamheden noodzakelijkerwijs op de rustdag moesten worden verricht. Uit het voorgaande volgt, dat naar voorlopig oordeel niet onaannemelijk is dat de bestreden beslissing in bezwaar of in een eventueel beroep in stand zal blijven.

Het bovenstaande leidt de conclusie zijn dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.M.W. van de Sande